Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM3728

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-04-2010
Datum publicatie
07-05-2010
Zaaknummer
08-3624 MAW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Strafontslag. Voor zover in de gegeven omstandigheden van het handelen of nalaten van appellant al kan worden gesproken van wangedrag, is dit naar het oordeel van de Raad van beperkte aard en ernst. Niet kan dan ook worden staande gehouden dat het verleende ontslag daaraan niet onevenredig is. Het grootste verwijt dat appellant te maken valt, is dat hij niet heeft ingegrepen toen zijn collega’s - volgens zijn niet voor onjuist te houden verklaring in strijd met zijn bedoeling - de pakjes sigaretten wegpakten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2010/108
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/3624 MAW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 19 mei 2008, 07/8463 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Defensie (hierna: staatssecretaris)

Datum uitspraak: 29 april 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 maart 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. B.J.M. de Leest, advocaat te Utrecht. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.A. Groenewoud-Kralt.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was werkzaam als beveiliger/bomverkenner van de afdeling Gewapende Beveiliging van de brigade Politie en Beveiliging van de Koninklijke marechaussee op de luchthaven Schiphol.

1.2. Bij besluit van 7 mei 2007 heeft de staatssecretaris appellant met toepassing van artikel 39, tweede lid, aanhef en onder l, van het Algemeen militair ambtenarenreglement wegens wangedrag ingaande 1 juni 2007 ontslag verleend. Daartoe is aangevoerd dat appellant op 29 augustus 2006 dienst deed als bomverkenner op Schiphol. Appellant heeft toen een onbeheerd achtergelaten tas gevonden en onderzocht op de mogelijke aanwezigheid van explosieven. Deze werden niet aangetroffen maar wel een slof sigaretten en een verlopen paspoort. In strijd met de Procedure Bommelding heeft appellant deze bagage niet afgegeven op het kantoor Lost and Found of een informatiebalie maar meegenomen naar de zogenoemde Backoffice en daar in een open kast gelegd. Korte tijd hierna trof appellant een onbeheerd achtergelaten plastic tas aan waarin zich een aangebroken slof sigaretten bevond. Ook deze heeft appellant meegenomen naar de Backoffice en de slof sigaretten aldaar op een tafel gelegd. De eerder aangetroffen slof sigaretten heeft appellant er vervolgens bijgelegd. Een vijftal in de Backoffice aanwezige collega’s heeft daarop alle pakjes sigaretten weggepakt. Appellant is hiertegen op geen enkele manier opgetreden. De staatssecretaris heeft verder in aanmerking genomen dat alle collega’s die sigaretten hebben weggenomen, hebben verklaard dat appellant heeft gezegd “kijk eens, voor jullie” of woorden van deze strekking. De staatssecretaris is van mening dat het hiervoor omschreven gedrag van appellant deels verduistering in dienstbetrekking betreft en als wangedrag moet worden gekwalificeerd dat ontslag rechtvaardigt.

Bij het bestreden besluit van 18 oktober 2007 heeft de staatssecretaris het bezwaar van appellant tegen dit ontslagbesluit ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Wel was de rechtbank van oordeel dat onvoldoende aannemelijk was dat appellant woorden heeft gebezigd als “kijk eens, voor jullie”. Appellant heeft het gebruik van deze woorden ontkend en niet is uit te sluiten dat de vijf bij het incident betrokken collega’s hun verklaringen dat appellant deze woorden wel heeft gebruikt, op elkaar hebben afgestemd om zelf aan bestraffing te ontkomen. Dit neemt volgens de rechtbank niet weg dat appellant het incident in eerste instantie heeft veroorzaakt en niet heeft ingegrepen toen de sigaretten werden weggenomen. De rechtbank kwam tot het oordeel dat appellant zich aan ernstig wangedrag heeft schuldig gemaakt en dat het hem opgelegde ontslag daaraan niet onevenredig is.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

3.1. In de Procedure Bommelding is in hoofdstuk 3 (Onbeheerde Bagage) onder 3.a opgenomen dat indien er naar het oordeel van de bomverkenner geen risico is, de onbeheerde bagage na onderzoek door personeel van de Assistentie Surveillance kan worden afgegeven aan de afhandelaar of aan het kantoor Lost and Found van AAS. Dit is niet dwingend geformuleerd. Daar staat tegenover dat blijkens uitlatingen van appellant zelf tijdens zijn gehoor op 6 september 2006 de regel werd gehanteerd dat onbeheerde bagage zo spoedig mogelijk wordt afgegeven bij een informatiebalie. Volgens appellant wordt deze regel echter niet altijd nageleefd.

3.2. Naar appellant verder heeft verklaard, heeft hij de (als tweede aangetroffen) slof sigaretten op de tafel gelegd met de bedoeling zijn collega’s te laten zien wat mensen allemaal laten liggen; op de pakjes sigaretten bevonden zich Arabische lettertekens. Evenals de rechtbank acht de Raad onvoldoende aannemelijk dat appellant de collega’s heeft uitgenodigd de sigaretten weg te nemen. Ook stemt de Raad in met de door de rechtbank daarvoor gegeven argumenten. De Raad voegt hieraan nog toe dat in de (vrij kleine) ruimte waarin het incident zich afspeelde in diezelfde tijd ook de groepscommandant J. aanwezig was. Niet erg waarschijnlijk is dat appellant zich in de directe nabijheid van deze leidinggevende in flagrante strijd met de hem toevertrouwde taken en verantwoordelijkheden heeft gedragen. Appellant heeft ook verklaard dat hij de collega’s er juist op heeft gewezen dat het om onbeheerd achtergelaten bagage ging. In ieder geval staat vast dat appellant het aantreffen van de sigaretten enige tijd vóór het incident via de portofoon heeft gemeld en dat dit is gehoord door de groepscommandant J.

3.3. Vast staat dat appellant niet heeft ingegrepen toen zijn collega’s de sigaretten wegpakten. Naar zijn zeggen ging het allemaal zo snel dat hij door de gang van zaken werd overrompeld. De Raad heeft onvoldoende aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat deze verklaring van appellant voor onwaar moet worden gehouden.

3.4. Voornoemde groepscommandant J. heeft verklaard geen acht te hebben geslagen op het incident omdat hij “te druk was met de indeling en het opstarten van de dienst”. Na afloop van het incident realiseerde hij zich dat “er iets niet goed was gegaan” en heeft hij appellant erop aangesproken. Daarbij heeft hij appellant gezegd het voorlopig hierbij te zullen laten. In een gesprek op 1 maart 2007 heeft J. nog als zijn mening gegeven dat de meerbedoelde collega’s heel goed wisten dat de sigaretten uit onbeheerde bagage afkomstig waren. Aan geen van deze collega’s is echter een sanctie opgelegd.

3.5. Voor zover in de gegeven omstandigheden van het handelen of nalaten van appellant al kan worden gesproken van wangedrag, is dit naar het oordeel van de Raad van beperkte aard en ernst. Niet kan dan ook worden staande gehouden dat het verleende ontslag daaraan niet onevenredig is. Het grootste verwijt dat appellant te maken valt, is dat hij niet heeft ingegrepen toen zijn collega’s - volgens zijn niet voor onjuist te houden verklaring in strijd met zijn bedoeling - de pakjes sigaretten wegpakten. Voor dit niet-ingrijpen heeft appellant echter een verklaring gegeven als onder 3.3 vermeld.

3.6. Hieruit volgt dat het bestreden besluit niet in stand kan worden gelaten. Ook de aangevallen uitspraak komt voor vernietiging in aanmerking.

Aangezien het gebrek dat aan het bestreden besluit kleeft eveneens kleeft aan het besluit van 7 mei 2007 en dit gebrek niet bij een nieuwe beslissing op bezwaar hersteld kan worden, zal de Raad dat besluit herroepen.

4. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding de staatssecretaris op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg tot een bedrag van € 644,- en in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-, in totaal € 1.288,-, aan kosten van rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

Herroept het besluit van 7 mei 2007;

Veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van appellant tot een bedrag van in totaal € 1.288,-;

Bepaalt dat de staatssecretaris aan appellant het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 359,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en M.C. Bruning als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 april 2010.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) P.W.J. Hospel.

HD

03.04