Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM3725

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-04-2010
Datum publicatie
11-05-2010
Zaaknummer
08-4992 MAW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om toekenning van een waarnemingstoelage aanmerken als weigering terug te komen van in rechte onaantastbaar geworden besluit. (LJN AT3205). Ten tijde van het ontslag van appellant lag immers vast dat hem over de periode van zijn tewerkstelling geen waarnemingstoelage was toegekend. Geen nieuwe feiten of omstandigheden. Terughoudende toetsing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/4992 MAW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 9 juli 2008, 07/5073, (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Commandant Zeestrijdkrachten (hierna: commandant)

Datum uitspraak: 22 april 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De commandant heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 maart 2010. Appellant is niet verschenen. De commandant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.C.H. Pot en mr. R. Hurks, beiden werkzaam bij het ministerie van Defensie.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant heeft in april 2003 tijdens de sollicitatieprocedure naar een functie als officier bij het Korps Mariniers zijn scheenbeen gebroken. Hij werd ter beschikking gesteld van de SMDKM. Per 13 augustus 2003 werd hij aangesteld als adelborst der Mariniers in de stand van marinier der 1e klasse.

1.2. Appellant werd met ingang van 20 september 2004 vanuit de SMDKM in het kader van zijn re-integratie tijdelijk tewerkgesteld op de afdeling Juridische Zaken van de Marinestaf, waar hij tot het einde van zijn tewerkstelling op 1 november 2005 werkzaamheden van een beleidsmedewerker heeft verricht.

1.3. Appellant had op 16 juni 2005 verzocht om een besluit, waarbij hij overeenkomstig artikel 25 van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR) met de volledige waarneming van de functie van beleidsmedewerker wordt belast met de daarbij behorende waarnemingstoelage. De rechtsvoorganger van de commandant heeft bij brief van 14 juli 2005 appellant geïnformeerd over de procedure betreffende de waarneming van een functie en aangegeven dat het initiatief om iemand te belasten met de waarneming van een functie niet bij de militair ligt, maar in veel gevallen bij de plaatsingscommandant. Appellant heeft aan zijn aanvraag geen vervolg gegeven.

1.4. Bij koninklijk besluit van 11 oktober 2006 werd appellant op zijn verzoek als luitenant ter zee van speciale diensten der 2e klasse van het beroepspersoneel voor onbepaalde tijd met ingang van 15 oktober 2006 eervol ontslag verleend.

1.5. Appellant heeft bij brief van 12 november 2006 verzocht om toekenning van een waarnemingstoelage over de periode van 20 september 2004 tot 1 november 2005. Dit verzoek is afgewezen bij besluit van 20 februari 2007, zoals na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 27 juni 2007. Overwogen is dat appellant heeft berust in de situatie zoals deze tot 15 oktober 2006 bestond, zodat de afwijzing van zijn verzoek op één lijn ligt met een weigering terug te komen van in rechte onaantastbaar geworden besluiten. Nu van nieuwe feiten en of omstandigheden niet is gebleken zag de commandant geen reden het verzoek van appellant alsnog in te willigen.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

3.1. In het licht van zijn uitspraak van 17 maart 2005, LJN AT3205, is de Raad van oordeel dat de afwijzing van het verzoek van appellant van 12 november 2006 op één lijn ligt met een weigering terug te komen van in rechte onaantastbaar geworden besluiten. Ten tijde van het ontslag van appellant lag immers vast dat hem over de periode van zijn tewerkstelling geen waarnemingstoelage was toegekend. Hierbij tekent de Raad aan dat het appellant, gezien zijn onder 1.3 genoemde verzoek van 16 juni 2005, bekend was dat de, door hem veronderstelde, waarneming van de functie van beleidsmedewerker in de zin van artikel 25 van het AMAR geen rechtsfeit was. Zo ver is het ook niet gekomen, nu het bevoegd gezag naar aanleiding van het verzoek van appellant van 16 juni 2005 ten gevolge van het onder 1.3 vastgestelde stilzitten van appellant geen besluit betreffende waarneming als bedoeld in artikel 23 van de Beleidsregel aanstelling, functietoewijzing en bevordering defensie heeft genomen. Appellant heeft hierin kennelijk berust.

3.2. Dit betekent dat, zoals ook de rechtbank heeft overwogen, het bestreden besluit, waarbij de afwijzing van het verzoek van 12 november 2006 is gehandhaafd, terughoudend moet worden getoetst.

3.3. De Raad stelt eerst vast dat appellant bij zijn verzoek van 12 november 2006 geen nieuwe feiten en of omstandigheden naar voren heeft gebracht.

Voorts heeft appellant geen argumenten aangevoerd die de Raad leiden tot het oordeel dat de commandant desondanks niet in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen. De Raad deelt dan ook het oordeel van de rechtbank dat het bestreden besluit de terughoudende rechterlijke toetsing kan doorstaan.

4. Het hoger beroep slaag niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. De Raad ziet geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en A.A.M. Mollee als leden, in tegenwoordigheid van M. Lammerse als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 april 2010.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) M. Lammerse.

HD