Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM3721

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-04-2010
Datum publicatie
07-05-2010
Zaaknummer
08-5040 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om inschaling in de bij de groepsfunctie behorende salarisschaal. Het (...) duale leertraject was blijkens het voorgaande ten tijde van het nemen van de primaire besluiten nog niet ingevoerd. Anders dan de minister veronderstelt kan de nieuwe werkwijze reeds hierom geen grondslag bieden om de inschaling van appellant in de bij de functie behorende salarisschaal - in afwijking van de (...) hoofdregel en anders dan in de uitspraak van de Raad van 11 mei 2006 is overwogen - (ook) afhankelijk te stellen van het functioneren van appellant in de praktijk. Dat appellant nog (duidelijk) onvoldoende geschikt of bekwaam was om de werkzaamheden behorende tot groepsfunctie E te verrichten, acht de Raad tot slot niet aannemelijk gemaakt. De enkele omstandigheid dat de minister om hem moverende redenen appellant tijdens de inwerkperiode slechts de helft van de gebruikelijke omvang van de werk-zaamheden heeft opgedragen, is daartoe bepaald onvoldoende.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2011/60
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/5040 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 25 juli 2008, 08/88 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Financiën als rechtsopvolger van de Staatssecretaris van Financiën (hierna: minister)

Datum uitspraak: 22 april 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 maart 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. J. Choufoer-van der Wel, advocaat te ’s-Gravenhage. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door R.H. Laurs en I.W. Vonk, werkzaam bij de Belastingdienst.

II. OVERWEGINGEN

1. In dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd ten name van de Staatssecretaris van Financiën, is in verband met een wijziging van taken voortgezet ten name van de minister. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van minister, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de Staatssecretaris van Financiën.

2. Onder verwijzing overigens naar het in de aangevallen uitspraak gegeven overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden volstaat de Raad met het volgende.

2.1. Appellant was werkzaam bij de Belastingdienst, laatstelijk als bakhouder, groepsfunctie C. Appellant is met ingang van 24 mei 2005 benoemd tot behandelfunctionaris, groepsfunctie E. Aan appellant is meegedeeld dat deze benoeming in beginsel geen gevolgen heeft voor zijn salaris en dat inschaling in de bij de groepsfunctie E behorende salarisschaal zal plaatsvinden met ingang van het eerste moment dat sprake is van volledige functievervulling en waarbij blijkt van voldoende geschiktheid en bekwaamheid, gerelateerd aan de werkzaamheden behorende tot fase 1 in groepsfunctie E. Of aan deze vereisten is voldaan kan pas worden beoordeeld nadat de startopleiding voor E-functionarissen is afgerond en er gedurende een periode van 6 maanden in de praktijk is gefunctioneerd, aldus de minister.

2.2. In juni 2006 heeft appellant zijn startopleiding voor E-functionarissen met goed gevolg afgerond. Met ingang van 19 juni 2006 is appellant feitelijk gestart met werkzaamheden in groepsfunctie E. Bij brief van 16 oktober 2006 heeft appellant verzocht hem met ingang van 19 juni 2006 te plaatsen in de bij de groepsfunctie E behorende salarisschaal.

2.3. Bij besluit van 10 mei 2007 (hierna: besluit 1) heeft de minister appellant meegedeeld dat zijn functioneren per 1 november 2006 inschaling in de bij de groepsfunctie E behorende salarisschaal rechtvaardigt. Bij besluit van 7 juni 2007 (hierna: besluit 2) heeft de minister de onder 2.2 vermelde aanvraag van appellant afgewezen. Bij besluit van 29 november 2007 (hierna: bestreden besluit) heeft de minister de bezwaren van appellant tegen besluit 1 en besluit 2 ongegrond verklaard.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe, samengevat weergegeven, overwogen dat het in het benoemingsbesluit vermelde tijdpad niet in strijd is met artikel 1.2.3.2 van hoofdstuk 4 van het Reglement Personeelsvoorschriften Belastingdienst (RPvB) en in rechte vaststaat, nu appellant daartegen geen bezwaar heeft gemaakt. Verder is overwogen dat appellant tijdens de inwerkperiode slechts de helft van de gebruikelijke omvang van de werkzaamheden - een zogenoemde halve bak - is opgedragen, zodat niet kan worden gezegd dat appellant reeds toen de functie in volle omvang heeft verricht. De rechtbank heeft onvoldoende grond gevonden voor het oordeel dat de minister met ingang van een eerdere datum dan 1 november 2006 tot de conclusie had moeten komen dat appellant een hele bak kon worden opgedragen. De rechtbank heeft daarbij laten wegen dat de leidinggevende van appellant in een over de periode van 23 mei 2005 tot en met 31 oktober 2006 opgemaakte beoordeling aantoonbaar en gemotiveerd heeft aangegeven dat appellant ten tijde van het opdragen van de feitelijke werkzaamheden nog niet voldoende geschikt en bekwaam was als bedoeld in onderdeel 1.2.3.2 van hoofdstuk 4 van het RPvB.

4.1. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat de werkzaamheden die hem op 19 juni 2006 na de beëindiging van zijn opleiding zijn opgedragen en die hij feitelijk heeft verricht, van het niveau van groepsfunctie E waren, zodat inschaling in de bij de groepsfunctie E behorende salarisschaal per 19 juni 2006 dient plaats te vinden. Appellant ziet voor zijn opvatting steun in de uitspraak van de Raad van 11 mei 2006, LJN AX6544.

4.2. De minister heeft gemotiveerd verweer gevoerd en zich geschaard achter de aangevallen uitspraak.

5. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

5.1. Zoals uit de vaste rechtspraak van de Raad blijkt (zie bijvoorbeeld CRvB 8 mei 2008, LJN BD2846, TAR 2008, 167) is met artikel 5, tweede lid, van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 als hoofdregel gegeven dat een ambtenaar behoort te worden ingepast in de bij zijn functie behorende salarisschaal, met een beperkte afwijkingsmogelijkheid, namelijk in gevallen waarin sprake is van een duidelijk nog niet voldoende functioneren.

5.2. In de onder 4.1 genoemde uitspraak van 11 mei 2006 heeft de Raad, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:

“Blijkens de bestreden besluiten zijn appellanten vanaf 5 juni 2002, na beëindiging van de startopleiding, werkzaamheden behorende tot de groepsfunctie E opgedragen en zijn zij deze ook feitelijk gaan verrichten. Dat hun inzetbaarheid daarbij wellicht nog was beperkt - in die zin, dat zij door meer ervaren collega’s werden begeleid - neemt niet weg dat deze werkzaamheden, gezien de onderverdeling in drie fasen als vermeld in 5.1., ten minste behoren tot fase 1 van de groepsfunctie E. Dit betekent dat appellanten vanaf 5 juni 2002 hebben voldaan aan het vereiste van volledige functievervulling als bedoeld in onderdeel 1.2.3.2, onder 3, van het RPvB. Dat appellanten vanaf 5 juni 2002 nog onvoldoende geschikt of bekwaam waren om die werkzaamheden behorende tot groepsfunctie E te verrichten, is niet gesteld. (…)

Uit het vorenstaande volgt dat de Staatssecretaris appellanten ten onrechte eerst per 1 december 2002 heeft ingeschaald in de bij de groepsfunctie E behorende salarislijn.”

5.3. Namens de minister is erop gewezen dat de uitspraak van de Raad van 11 mei 2006 inmiddels heeft geleid tot een andere werkwijze die in februari 2008 is neergelegd in onderdeel 1.1.2 van hoofdstuk 12 van het RPvB. De opleiding voor een groepsfunctie heeft de vorm gekregen van een duaal leertraject, bestaande uit een theoretisch en een praktisch gedeelte. Pas wanneer met inachtneming van een zogenoemd toetskader is vastgesteld dat sprake is van voldoende resultaten in theorie én praktijk is benoeming mogelijk in de betrokken groepsfunctie en worden de bij deze functie behorende werkzaamheden fase 1 opgedragen. De geschiktheid en bekwaamheid van een kandidaat is binnen de nieuwe structuur dus reeds tijdens de startopleiding aangetoond. Bij volledige functievervulling zal de betrokken medewerker in de bij de functie behorende salarisschaal worden ingeschaald; is de geschiktheid voor de nieuwe groepsfunctie niet gebleken, dan wordt de betrokken medewerker niet benoemd in de nieuwe groepsfunctie, aldus de minister.

5.4. Uit de gedingstukken blijkt dat in de overlegvergadering met het Georganiseerd Overleg Belastingdienst (GOBD) van 13 december 2006 is afgesproken dat de tot de wervingsronde 2006 behorende kandidaten voor de groepsfuncties E, F en I direct na het positief afronden van de startopleiding worden benoemd en ingeschaald in de bij de groepsfunctie behorende salarisschaal. Voorts is in de overlegvergadering met het GOBD van 15 augustus 2007 afgesproken om in de toekomst voor de kandidaten voor de groepsfuncties C, E en F de benoeming en inschaling in de bij de groepsfunctie behorende salarisschaal te doen plaatsvinden direct na het succesvol afronden van het duale leertraject van de startopleiding.

5.5. Het hiervoor genoemde duale leertraject was blijkens het voorgaande ten tijde van het nemen van de primaire besluiten nog niet ingevoerd. Anders dan de minister veronderstelt kan de nieuwe werkwijze reeds hierom geen grondslag bieden om de inschaling van appellant in de bij de functie behorende salarisschaal - in afwijking van de onder 5.1 uiteengezette hoofdregel en anders dan in de uitspraak van de Raad van 11 mei 2006 is overwogen - (ook) afhankelijk te stellen van het functioneren van appellant in de praktijk. Dat appellant nog (duidelijk) onvoldoende geschikt of bekwaam was om de werkzaam-heden behorende tot groepsfunctie E te verrichten, acht de Raad tot slot niet aannemelijk gemaakt. De enkele omstandigheid dat de minister om hem moverende redenen appellant tijdens de inwerkperiode slechts de helft van de gebruikelijke omvang van de werk-zaamheden heeft opgedragen, is daartoe bepaald onvoldoende.

5.6. Uit het vorenstaande volgt dat de minister appellant ten onrechte pas per 1 november 2006 heeft ingeschaald in de bij de groepsfunctie E behorende salarisschaal.

6. Het hier overwogene leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt evenals de aangevallen uitspraak waarbij dat besluit in stand is gelaten. De minister zal een nieuwe beslissing moeten nemen op de bezwaren van appellant met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

7. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding de minister op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.288,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Draagt de minister op een nieuwe beslissing te nemen op de bezwaren tegen de besluiten 1 en 2 met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt de minister in de proceskosten van appellant tot een bedrag groot € 1.288,-;

Bepaalt dat de minister aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 359,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en A. Beuker-Tilstra en G.F. Walgemoed als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 april 2010.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) P.W.J. Hospel.

HD