Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM3718

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-04-2010
Datum publicatie
07-05-2010
Zaaknummer
08-5395 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag op grond van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking anders dan wegens ziekten of gebreken. De Raad is van oordeel dat de ongeschiktheid van appellant voor de door hem beklede functie door het college op voldoende objectieve gronden is vastgesteld. Geen bijzondere omstandigheden. Niet in strijd met bepalingen van het EVRM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/5395 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20 augustus 2008, 07/2765 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: college)

Datum uitspraak: 22 april 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 maart 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. H. Halfers, advocaat te Rotterdam. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. Cevik en S. Slappendel, beiden werkzaam bij de gemeente Rotterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is vanaf 1 november 1997 werkzaam geweest als toezichthouder bij de Maastunnel voor fietsers en voetgangers. Gedurende het dienstverband van appellant hebben collega’s en leidinggevenden regelmatig melding gemaakt van incidenten, waarbij appellant zich bedreigend en agressief heeft opgesteld. Uiteindelijk heeft dit ertoe geleid dat het college bij besluit van 29 juni 2005 aan appellant op grond van artikel 91, eerste lid, van het Ambtenarenreglement (AR) ontslag heeft verleend op grond van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking anders dan wegens ziekten of gebreken. Het college heeft dit besluit na, gemaakt bezwaar, bij het bestreden besluit van 27 juni 2007 gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

3.1. Volgens vaste rechtspraak van de Raad moet ongeschiktheid - zich uitend in het ontbreken van eigenschappen, mentaliteit en instelling die voor het op goede wijze vervullen van de functie vereist zijn - worden aangetoond aan de hand van concrete gedragingen van de ambtenaar. In het dossier bevindt zich een groot aantal verklaringen en rapportages betreffende incidenten, waarbij appellant zich ten aanzien van zijn collega’s en andere medewerkers van de dienst bijzonder agressief en bedreigend heeft opgesteld. Hetgeen appellant hierover heeft aangevoerd doet, ook al zou in een enkel geval de toedracht niet geheel juist zijn weergegeven, niet af aan het algemene beeld dat uit de verklaringen en rapportages naar voren komt omtrent de onheuse wijze waarop appellant zijn collega’s en leidinggevenden kan bejegenen in gevallen waarin de zaken hem niet zinnen.

3.2. Om tot het ontslagbesluit te komen heeft het college advies gevraagd aan de psychiater R.P. Ruimschotel, verbonden aan het Delta Instituut Arbeid en Organisatie. Na een uitgebreid psychiatrisch onderzoek van appellant heeft deze in zijn rapport aan-gegeven dat appellant niet over de vereiste eigenschappen beschikt om in een teamver-band te kunnen samenwerken met anderen. De psychiater Ruimschotel heeft dit in een gesprek op 20 september 2004 nog verder toegelicht en als zijn mening gegeven dat appellant in principe ongeschikt is voor zijn functie omdat hij altijd met collega’s zal moeten samenwerken. Nu gelet op de aard van het werk van toezichthouder, waarbij juist ook in bijzondere (nood)situaties die zich tijdens de uitvoering van de werkzaamheden kunnen voordoen, samenwerking met collega’s van essentieel belang is, is de Raad van oordeel dat de ongeschiktheid van appellant voor de door hem beklede functie door het college op voldoende objectieve gronden is vastgesteld en onderbouwd.

3.3. Appellant heeft aangevoerd dat zijn gedragingen voortkomen uit ziekte en hij heeft in dat kader aan de Raad verzocht om alsnog een psychiatrisch onderzoek door een onafhankelijk deskundige in te doen stellen. Nu deze grond in hoger beroep aan de orde kan worden gesteld, behoeft de stelling van appellant dat de rechtbank deze zelfde, bij haar ingediende, beroepsgrond, als te laat aangevoerd, wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing heeft gelaten, geen bespreking.

Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen (CRvB 25 februari 1999, LJN ZB8297 en TAR 1999, 71) is onderzoek naar het bestaan van een eventuele medische oorzaak van de ongeschiktheid aangewezen in die gevallen waarin aanwijzingen voorhanden zijn dat de ongeschiktheid van een ambtenaar (mede) voortkomt uit of samenhangt met een ziekte of gebrek of waarin gerede twijfel bestaat of het onvoldoende functioneren van een ambtenaar wordt veroorzaakt door eigenschappen van karakter, geest of gemoed dan wel door ziekten of gebreken. De Raad ziet dergelijke aanwijzingen hier niet en heeft ook geen gerede twijfel in deze zin. In het hiervoor genoemde rapport van de psychiater Ruimschotel wordt zonder voorbehoud gesteld dat er bij appellant geen sprake is van psychopathologie in engere zin. Van de zijde van appellant is hiertegenover geen enkel concreet gegeven van medische aard ingebracht, dat kan wijzen op de aanwezigheid van een psychische ziekte of gebrek. De omstandigheid waarop appellant wijst, dat hij in het eerste jaar van zijn dienstverband zonder problemen gefunctioneerd heeft en dat het daarna bergafwaarts is gegaan, wordt door de Raad niet beschouwd als een aanwijzing dat sprake moet zijn geweest van het op enig moment intreden van een ziekte. Voor het alsnog instellen van een psychiatrisch onderzoek ziet de Raad dan ook geen aanleiding.

4. Naar vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 6 januari 2005, LJN AS2575) zal van eervol ontslag wegens ongeschiktheid voor het vervullen van de functie anders dan wegens ziekte of gebreken in het algemeen niet eerder sprake kunnen zijn dan nadat de ambtenaar door het bevoegd gezag op zijn functioneren of gedrag is aangesproken en in de gelegenheid is gesteld dit te verbeteren. Appellant is, zoals uit de gedingstukken blijkt, herhaaldelijk op zijn gedrag aangesproken en terechtgewezen. Ook in het functioneringsgesprek van 16 september 2003 is hieraan onder het hoofdstuk: sociale vaardigheden, uitdrukkelijk aandacht besteed. Niettemin zijn er ook daarna - zoals hiervoor is vastgesteld - nog weer de nodige incidenten voorgevallen.

5. Het college was niet op grond van enige wettelijke bepaling verplicht een herplaat-singsonderzoek te verrichten alvorens over te gaan tot ontslag wegens ongeschiktheid. Naar het oordeel van de Raad hebben zich in het geval van appellant ook geen bijzondere omstandigheden voorgedaan die aanleiding zouden moeten geven om desalniettemin op zorgvuldigheidsgronden een verplichting tot het ondernemen van herplaatsingspogingen aan te nemen. Overigens is door het college nog wel bij een aantal diensten nagegaan of er een geschikte functie voor appellant voorhanden was, doch dit heeft niets opgeleverd.

6. Door appellant is ten slotte nog aangevoerd dat de door het college gevolgde procedure in een aantal opzichten in strijd was met bepalingen van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). In het bijzonder heeft appellant zich beroepen op het beginsel van “fair trial”, als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. Reeds omdat er in het onderhavige geval geen sprake is van een “criminal charge” is van een schending van de in het EVRM verankerde waarborgen geen sprake en gaat dit argument niet op. De Raad heeft evenmin kunnen vaststellen dat het college bij het voorbereiden en het nemen van het ontslagbesluit gehandeld heeft in strijd met in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde procedurevoorschriften.

7. Gelet op het vorenoverwogene treft het hoger beroep geen doel en moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.

8. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en A.A.M. Mollee als leden, in tegenwoordigheid van M. Lammerse als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 april 2010.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) M. Lammerse.

HD