Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM3685

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-04-2010
Datum publicatie
07-05-2010
Zaaknummer
08-7088 AW + 10-1430 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opschorting loonbetaling. Ontslag wegens ongeoorloofde afwezigheid. Besluit 1: Vaststaat dat appellante, nadat zij zich op 3 april 2007 had ziekgemeld en deze ziekmelding niet was geaccepteerd, op 4 april 2007 en ook nadien niet is verschenen op haar werk, ondanks dat zij was gesommeerd dat wel te doen. Aldus is appellante ongeoorloofd afwezig geweest. Zij heeft daarvoor geen geldige reden opgegeven. Appellante heeft geen enkel (medisch) stuk in geding gebracht waaruit zou kunnen worden afgeleid dat zij niet in staat was tot hervatting van haar werk. Besluit 2: Door de bedrijfsarts èn UWV is vastgesteld dat appellante medisch gezien geschikt was voor haar eigen functie als medewerkster bedrijfsbureau. Het standpunt van appellante dat zij daartoe niet geschikt was is niet met medische gegevens onderbouwd zodat aan dat standpunt geen overwegende betekenis wordt gehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/7088 AW en 10/1430 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20 november 2008, 07/2946 en 08/598 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van Rotterdam (hierna: college)

Datum uitspraak: 22 april 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 maart 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. A. Rhijnsburger, advocaat te Rotterdam. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Konijnendijk en P. de Vriend, beiden werkzaam bij de gemeente Rotterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante was werkzaam bij de gemeente Rotterdam als medewerkster bedrijfsbureau. Vanaf februari 2004 was zij frequent afwezig wegens ziekte. In het kader van re-integratie is zij vanaf juni 2005 tot maart 2007 werkzaam geweest in de botanische tuin van Diergaarde Blijdorp. Op 19 maart 2007 heeft appellante het spreekuur van de bedrijfsarts bezocht, die haar geschikt achtte voor de functie van medewerker bedrijfsbureau. Daarop is appellante meegedeeld dat zij zich op 2 april 2007 diende te melden om aan het werk te gaan in haar eigen functie. Appellante is op die datum op haar werk verschenen. Op 3 april 2007 heeft appellante zich ziekgemeld, welke ziekmelding niet is geaccepteerd. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) heeft in een zogenoemd deskundigenoordeel verklaard dat appellante op 3 april 2007 wel arbeids-ongeschikt was, welke ongeschiktheid enkele dagen heeft geduurd. Met ingang van 10 april 2007 heeft de bedrijfsarts appellante weer geschikt geacht voor haar eigen werk. Appellante heeft niet hervat.

1.2. Bij besluit van 25 mei 2007 heeft het college appellante meegedeeld dat haar loonbetaling met ingang van 7 april 2007 is opgeschort. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 11 juli 2007, met dien verstande dat als ingangdatum van de loonopschorting maandag 10 april 2007 is genomen (hierna: besluit 1).

1.3. Bij besluit van 14 september 2007 is appellante met ingang van 15 september 2007 ontslag verleend wegens ongeoorloofde afwezigheid gedurende drie of meer achtereenvolgende dienstdagen. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 18 januari 2008 (hierna: besluit 2).

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen besluiten 1 en 2 gegrond verklaard en die besluiten vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank heeft de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand gelaten.

3. Appellante heeft hoger beroep ingesteld voor zover bij de aangevallen uitspraak de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand zijn gelaten.

4. Naar aanleiding van hetgeen partijen naar voren hebben gebracht, overweegt de Raad als volgt.

4.1. besluit 1

4.1.1. Ingevolge artikel 56b, eerste lid, aanhef en onder h, van het Ambtenarenreglement van de gemeente Rotterdam (AR) wordt doorbetaling van de bezoldiging gestaakt, indien en voor zolang de ambtenaar zijn arbeid verzuimt te hervatten op het door de arbodienst bepaalde tijdstip en in de door deze dienst bepaalde mate, indien hem dit is opgedragen, tenzij hij daarvoor een door de arbodienst als geldig erkende reden heeft opgegeven.

4.1.2. Vaststaat dat appellante, nadat zij zich op 3 april 2007 had ziekgemeld en deze ziekmelding niet was geaccepteerd, op 4 april 2007 en ook nadien niet is verschenen op haar werk, ondanks dat zij was gesommeerd dat wel te doen. In verband met het deskundigenoordeel van het UWV dat appellante op 3 april 2007 en enige dagen daarna ziek was, heeft het college de loonopschorting laten ingaan op 10 april 2007. Aldus is appellante met ingang van die datum ongeoorloofd afwezig geweest. Zij heeft daarvoor geen geldige reden opgegeven. Appellante heeft immers geen enkel (medisch) stuk in geding gebracht waaruit zou kunnen worden afgeleid dat zij niet in staat was tot hervatting van haar werk. Hieruit volgt dat het college zich terecht bevoegd heeft geacht toepassing te geven aan de in 4.1.1 weergegeven - dwingend geformuleerde - bepaling. Het hoger beroep kan in zoverre niet slagen.

4.2. besluit 2

4.2.1. Ingevolge artikel 95, eerste lid, aanhef en onder c, van het AR kan aan de ambtenaar ontslag worden verleend wegens ongeoorloofde afwezigheid gedurende drie of meer achtereenvolgende dienstdagen.

4.2.2. Vaststaat dat appellante ten tijde van de ontslagverlening meer dan drie dienstdagen ongeoorloofd afwezig was. Het college was dus bevoegd toepassing te geven aan deze bepaling.

Hoewel aan appellante kan worden toegegeven dat tot maart 2007 een re-integratietraject liep dat steeds gericht was op de terugkeer van appellante in ander werk dan het eigen, te weten “in het groen”, kan er niet aan voorbij worden gezien dat van de zijde van het college op enig moment is besloten dat het al vele jaren lopende re-integratietraject niet tot een definitieve tewerkstelling van appellante leidde en dat de tijd was gekomen om dit traject te beëindigen. Voorts is door de bedrijfsarts èn UWV vastgesteld dat appellante medisch gezien geschikt was voor haar eigen functie als medewerkster bedrijfsbureau. Het standpunt van appellante dat zij daartoe zeker niet geschikt was is niet met medische gegevens onderbouwd zodat aan dat standpunt geen overwegende betekenis wordt gehecht.

4.2.3. Dat de koerswijziging voor appellante onverwacht kwam en dat zij op 2 april 2007 mogelijk onheus is bejegend door haar leidinggevende vormt geen blijvende legitimatie voor het niet hervatten door appellante. Nu appellante in september 2007 nog immer niet had hervat kan niet staande gehouden worden dat het college op dat moment niet in redelijkheid kon overgaan tot ontslagverlening.

5. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd voor zover aangevochten. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker als voorzitter en H.G. Rottier en K.J. Kraan als leden, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 april 2010.

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) W. Altenaar.

HD