Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM3673

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-04-2010
Datum publicatie
07-05-2010
Zaaknummer
07-5565 VALYS + 08-6066 VALYS
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag van een hoog persoonlijk kilometerbudget onder de overweging dat betrokkene ondanks haar chronische medische beperkingen op het perron en in de trein kan verblijven en dat een groot deel van de psychische problemen kunnen worden ondervangen door zich te laten vergezellen door een begeleider.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/5565 VALYS

08/6066 VALYS

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante)

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 22 augustus 2007, 06/1905 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen

appellante

en

Argonaut Advies B.V. (hierna: Argonaut)

Datum uitspraak: 21 april 2010.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.D. van Alphen, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Argonaut heeft een verweerschrift ingediend.

Door appellante zijn medische stukken ingezonden.

Het geding is behandeld op de zitting van 21 januari 2009, waar appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Alphen. Argonaut heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.P. Matze, advocaat te ’s-Gravenhage en de arts drs. E.C.M. Molijn, die werkzaam is bij Argonaut.

De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst in afwachting van de resultaten van een in maart 2009 gepland neuropsychologisch onderzoek.

Bij brief van 16 oktober 2009 heeft appellante een (ongedateerd) rapport van de neuropsycholoog dr. R.B. Huitema, die verbonden is aan het Universitair Medisch Centrum Groningen, ingezonden.

Het geding is opnieuw behandeld ter zitting van 10 maart 2010. Voor appellante is mr. Van Alphen verschenen. Argonaut heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. Stové en de arts dr. E.C.M. Molijn.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Bij appellante, geboren in 1974, is op 2 jarige leeftijd een neuro-oncologische aandoening geconstateerd waarvoor zij is geopereerd en behandeld. Als gevolg daarvan is sprake van een endocriene disfunctie, rug- en gewrichtspijn, doorbloedingproblemen van de benen, neurologische klachten en een ernstig beperkt gezichtsvermogen. In verband met de endocriene disfunctie is haar reactie op stress verstoord. Appellante ontvangt een Wajong uitkering en aan haar is per 1 oktober 2001 een vervoersvoorziening toegekend in de vorm van collectief aanvullend vervoer.

1.2. Op 2 december 2005 heeft appellante bij Argonaut een hoog persoonlijk kilometerbudget (hierna: pkb) aangevraagd.

1.3. De ergonomisch adviseur P. Zimmerman, verbonden aan Argonaut, heeft in een rapport van 13 februari 2006 onder meer geconcludeerd dat appellante in staat is om met begeleiding op de perrons te komen, te verblijven en zich te (laten) verplaatsen, in het treinportaal te komen en aldaar te verblijven tijdens de reis.

1.4. Argonaut heeft de aanvraag van 2 december 2005 bij besluit van 21 februari 2006 afgewezen.

1.5. Naar aanleiding van het tegen het besluit van 21 februari 2006 gemaakte bezwaar heeft de verzekeringsarts S. Heemstra (hierna: Heemstra), werkzaam bij Argonaut, in een rapport van 13 juni 2006 onder meer geconcludeerd dat appellante ondanks haar chronische medische beperkingen op het perron en in de trein kan verblijven en dat een groot deel van de psychische problemen kunnen worden ondervangen door zich te laten vergezellen door een begeleider.

1.6. Bij besluit van 26 juni 2006 heeft Argonaut onder verwijzing naar het rapport van Heemstra van 13 juni 2006 het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Argonaut stelt zich op het standpunt dat er medische noch ergonomische redenen zijn om van haar eerdere standpunt af te wijken.

1.7. Bij besluit van 12 september 2006 heeft Argonaut het besluit van 26 juni 2006 ingetrokken en het bezwaar van appellante tegen het besluit van 21 februari 2006 opnieuw - onder verwijzing naar het rapport van de arts Heemstra van 13 juni 2006 - ongegrond verklaard. Naast de in het besluit van 26 juni 2006 verwoorde afwijzingsgronden is in het besluit van 12 september 2006 overwogen dat geen sprake is van een uitzonderlijke situatie die afwijking van de criteria in het Protocol inzake de afhandeling van indicatieaanvragen hoog pkb Bovenregionaal Vervoer Gehandicapten (hierna: Protocol) rechtvaardigt.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 26 juni 2006 niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit van 12 september 2006 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat Argonaut zich terecht op het standpunt stelt dat appellante met gebruikmaking van hulpmiddelen en/of begeleiding met de trein kan reizen en dat zij om die reden niet in aanmerking komt voor een hoog pkb. Voorts heeft zij geoordeeld dat er geen reden is om af te wijken van de in het Protocol neergelegde criteria.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover daarin het beroep tegen het besluit van 12 september 2006 ongegrond is verklaard. Appellante heeft onder meer aangevoerd dat zij wegens een stressbeperking niet in staat is om met de trein te reizen.

4. De Raad - zich beperkende tot het in hoger beroep naar voren gebrachte geschilpunt - komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt bij zijn beoordeling voorop dat de in het Protocol neergelegde toekenningscriteria de grenzen van de redelijke beleidsbepaling niet te buiten gaan.

4.2. Daarvan uitgaande moet worden beoordeeld of appellante op grond van objectieve medische en ergonomische reden in staat is om al dan niet met begeleiding met de trein te reizen.

4.3. De Raad is van oordeel dat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting niet aannemelijk is geworden dat appellante op medische gronden - in het bijzonder haar stressstooornis - geen gebruik zou kunnen maken van de trein. Hij kent voor dat oordeel - evenals de rechtbank dat heeft gedaan - doorslaggevende betekenis toe aan het rapport van Heemstra van 13 juni 2006. In dat rapport is op basis van gericht medisch onderzoek geconcludeerd dat appellante met een begeleider in de trein kan verblijven en dat haar niet adequate reactie op stress - indien een begeleider aanwezig is - genoegzaam kan worden ondervangen. In het in hoger beroep door appellante ingebrachte verslag van een op 13 juli 2009 bij appellante verricht neuropsychologisch onderzoek vindt de Raad geen aanknopingspunten om tot een ander oordeel te komen. Uit dit verslag blijkt dat appellante op emotioneel en gedragsmatig gebied minder goed functioneert, maar dat op cognitief gebied geen afwijkingen zijn gevonden en dat haar geheugen, tempo van informatieverwerking, gerichte en verdeelde aandacht, verbale fluency, executieve functies en sociale cognitie geheel intact zijn. Naar het oordeel van de Raad kan uit het verslag niet worden geconcludeerd dat appellante niet in staat is al dan niet met begeleiding in de trein te verblijven.Voorts wijst de Raad er op dat appellante ondanks haar stressproblematiek in staat is gedurende enige uren per week als vrijwilligster te functioneren en dat zij in staat is om zonder begeleiding te reizen met het collectief taxivervoer. Naar het oordeel van de Raad kunnen zich ook daarbij stressituaties voordoen. Ten slotte kent de Raad betekenis toe aan de verklaring die appellante bij de mondelinge behandeling van de rechtbank op 4 mei 2007 heeft afgelegd, inhoudende dat zij eenmaal per drie maanden met de trein van Leeuwarden naar Zwolle reist.

4.4. Hetgeen is overwogen in 4.2 en 4.3 betekent dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

4.5. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J. Waasdorp als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 april 2010.

(get.) R.M. van Male.

(get.) J. Waasdorp.

BvW