Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM3612

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-03-2010
Datum publicatie
06-05-2010
Zaaknummer
08-6593 WVG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing (herhaalde) aanvraag bruikleenauto. Het College bij de beoordeling van de aanvraag ten onrechte is uitgegaan van de geschiktheid van een scootmobiel als vervoermiddel voor de korte afstand. Appellant is juist wel aangewezen op gesloten buitenvervoer. Op de door appellant in bezwaar overgelegde verklaringen van reumatoloog Hulsmans van 19 juli 2006 en 28 februari 2007 is bij besluit van 12 april 2007 niet gericht ingegaan. Het College heeft volstaan met verwijzing naar de rapportages van Van der Ham en Breeden, terwijl op basis van die rapportages niet zonder twijfel de in bezwaar aangevoerde gronden kunnen worden weerlegd. Onjuiste feitelijke grondslag; geen zorgvuldig onderzoek; ondeugdelijke motivering. Het College dient bij het nieuw te nemen besluit acht te slaan op de op dat moment relevante feiten en omstandigheden, waartoe onder meer te rekenen zijn de door appellant overgelegde medische verklaringen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/6593 WVG

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 3 oktober 2008, 07/3568 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College)

Datum uitspraak: 31 maart 2010.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.H.W. Spoelstra, advocaat te 's-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 februari 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Spoelstra. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door J.A. Bogaards, werkzaam bij de gemeente 's-Gravenhage.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, geboren op 4 september 1956, is sedert 1985 bekend met een ernstige vorm van poli-articulaire jicht. In verband met de beperkingen die appellant als gevolg van zijn aandoeningen bij het zich verplaatsen ondervindt heeft het College appellant bij besluit van 3 mei 2000 in aanmerking gebracht voor een voorziening op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet voorzieningen gehandicapten (hierna: Wvg) in de vorm van een gesloten buitenwagen (hierna: canta).

1.2. Bij besluit van 26 augustus 2002 heeft het College de aanvraag van appellant voor een voorziening op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wvg in de vorm van een bruikleenauto afgewezen. Bij besluit van 7 februari 2003 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 26 augustus 2002 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft bij uitspraak van 19 januari 2004 het beroep tegen het besluit van 7 februari 2003 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het College zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat appellant gebruik kan maken van het Collectief aanvullend vervoer en voor de korte afstanden is aangewezen op een scootmobiel. De rechtbank heeft daarbij opgemerkt dat het College appellant in aanmerking heeft gebracht voor een canta, die aan de vader van appellant was toegekend, omdat de vader van appellant niet meer in staat was deze canta te gebruiken.

1.3. Bij besluit van 11 mei 2004 heeft het College een nieuwe aanvraag van appellant voor een voorziening op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wvg in de vorm van een bruikleenauto afgewezen. Aan dit besluit ligt een beoordeling van Argonaut-arts A.M.P. van der Ham van 7 april 2004 ten grondslag. Van der Ham heeft onder meer geconcludeerd dat betrokkene bij hevige kou moeilijk buiten kan verblijven. Hij is dan aangewezen op gesloten buitenvervoer. Strikt genomen kan hij ook nu nog gebruik maken van een scootmobiel, mits hij daarnaast kan beschikken over gesloten vervoer (CAV) bij slecht weer. Met betrekking tot de bij appellant in gebruik zijnde canta merkt hij op dat appellant deze als te krap ervaart. Appellant heeft nauwelijks bewegingsvrijheid en zit gedwongen langdurig in een houding. Naar de mening van Van der Ham is er voor appellant geen medische contra-indicatie voor gebruik van de canta.

1.4. Bij besluit van 10 augustus 2004 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 11 mei 2004 ongegrond verklaard.

1.5. Appellant heeft op 5 juli 2006 bij het College wederom een aanvraag op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wvg (onder meer) voor een vervoersvoorziening in de vorm van een bruikleenauto ingediend.

1.6. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft Argonaut Advies BV bij rapportage van 5 oktober 2006 het College van advies gediend. Verzekeringsarts R.A. Breeden heeft daartoe dossierstudie verricht en heeft appellant tijdens een spreekuurcontact lichamelijk onderzocht. Ten tijde van dit onderzoek is vastgesteld dat een aanpassing in medicatiegebruik geleid heeft tot verandering in de medische toestand. Voor het overige wordt verwezen naar de rapportage van 7 april 2004. Geconcludeerd wordt dat appellant nog steeds is aangewezen op gesloten buitenvervoer.

1.7. Bij besluit van 5 februari 2007 heeft het College de aanvraag van appellant afgewezen op de grond dat er geen medische indicatie bestaat voor een bruikleenauto en dat de huidige canta voor appellant voldoet. Appellant heeft tegen het besluit van 5 februari 2007 bezwaar gemaakt. Appellant stelt zich op het standpunt dat de canta voor hem te klein is, hij kan na verloop van tijd zijn linkerarm niet meer gebruiken. Voorts betwist hij de geschiktheid van het collectief aanvullend vervoer. In een Taxibus heeft hij te weinig beenruimte. Bovendien moet appellant zich geregeld strekken. Het collectief aanvullend vervoer is daarop niet ingericht. Naar de mening van appellant zijn er ten onrechte geen inlichtingen ingewonnen bij zijn specialist. Appellant wijst er op dat zijn aandoening niet stationair is, maar progressief. Ter toelichting wijst appellant op de verklaringen van reumatoloog Hulsmans van 19 juli 2006 en 28 februari 2007.

1.8. Bij besluit van 12 april 2007 heeft het College het tegen het besluit van 5 februari 2007 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Het College heeft daartoe verwezen naar het medische advies van Argonaut. Het College stelt zich op het standpunt dat alle in bezwaar gemaakte bemerkingen bij de adviesvorming zijn betrokken en niet zodanig zijn bevonden om tot de slotsom te komen dat appellant geen gebruik zou kunnen maken van de voorziening in de vorm van de taxibus. Voorts heeft het College geen medische redenen aanwezig geacht waarom appellant zou moeten beschikken over gesloten buitenvervoer.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 12 april 2007 ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is appellant er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat hij niet in staat kan worden geacht met het collectief aanvullend vervoer te reizen. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat het College zijn besluit heeft gebaseerd op het medisch advies van Argonaut en dat appellant geen feiten en omstandigheden heeft genoemd waaruit zou blijken dat het medisch advies onjuist is dan wel op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Voor wat betreft het wettelijk kader verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.

4.2. Ter zitting van de Raad heeft de vertegenwoordiger van het College opgemerkt dat het College bij de beoordeling van de aanvraag van appellant ten onrechte is uitgegaan van de geschiktheid van een scootmobiel als vervoermiddel voor de korte afstand. Anders dan het besluit op bezwaar vermeldt, is appellant juist wel aangewezen op gesloten buitenvervoer. Onder verwijzing naar de rapportages van Van der Ham van 10 april 2004 en Breeden van 5 oktober 2006 handhaaft het College het standpunt dat appellant gebruik kan maken van de ter beschikking gestelde canta en van het collectief aanvullend vervoer. Aan de in hoger beroep overgelegde verklaringen van reumatoloog H.M.J. Hulsmans van 7 april 2008, huisartsenmaatschap Wuister, Roosemalen en Verhage van 9 april 2008 en fysiotherapeut P.C.W. Swaanenburg van 31 maart 2008 moet naar de mening van het College worden voorbijgegaan, nu de aandoening van appellant progressief is en deze verklaringen dateren van na de datum in geding.

4.3. De Raad stelt vast dat appellant op medische gronden bezwaar heeft gemaakt tegen het oordeel van het College dat hij gebruik zou kunnen maken van een scootmobiel, de hem ter beschikking gestelde canta en van het collectief aanvullend vervoer. Op de door appellant in bezwaar overgelegde verklaringen van reumatoloog Hulsmans van 19 juli 2006 en 28 februari 2007 is bij besluit van 12 april 2007 niet gericht ingegaan. Het College heeft volstaan met verwijzing naar de rapportages van Van der Ham en Breeden, terwijl op basis van die rapportages niet zonder twijfel de in bezwaar aangevoerde gronden kunnen worden weerlegd. Naast de onder 4.1 genoemde onjuiste feitelijke grondslag komt het besluit van 12 april 2007 ook wegens strijd met het vereiste van zorgvuldig onderzoek, als bepaald in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en wegens ondeugdelijke motivering, als bepaald in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb voor vernietiging in aanmerking.

4.4. Uit het onder 4.3. overwogene vloeit voort dat het besluit van 12 april 2007 niet in stand kan blijven. De rechtbank heeft dit niet onderkend zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep tegen het besluit van 12 april 2007 gegrond verklaren en dit besluit vernietigen. Met in achtneming van deze uitspraak dient het College opnieuw op het bezwaar van appellant te beslissen. De Raad merkt hierbij op dat het College bij het nieuw te nemen besluit acht dient te slaan op de op dat moment relevante feiten en omstandigheden, waartoe onder meer te rekenen zijn de door appellant overgelegde medische verklaringen.

5. De Raad ziet aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. Deze worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep wegens verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 12 april 2007 gegrond;

Vernietigt het besluit van 12 april 2007;

Bepaalt dat het College een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het College in de kosten van appellant tot een bedrag van € 1288,--;

Bepaalt dat het College aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 146,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.C.P. Venema, in tegenwoordigheid van J. Waasdorp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2010.

(get.) H.C.P. Venema.

(get.) J. Waasdorp.

BvW