Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM3610

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-05-2010
Datum publicatie
07-05-2010
Zaaknummer
08-7210 WW + 08-7211 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering WW-uitkering wegens werkzaamheden. Appellant heeft echter de diverse besluiten waarbij zijn aanspraken op WW-uitkering zijn vastgesteld niet aangevochten, zodat deze in rechte vaststaan. Dat de berekening die de rechtbank heeft gemaakt op basis van die niet aangevochten besluiten en de uitgebreide, door het Uwv in beroep overgelegde specificatie, onjuist zijn, is door appellant niet gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/7210 WW

08/7211 AW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 6 november 2008, 06/1564 en 06/1565,

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: minister).

Datum uitspraak: 6 mei 2010.

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 maart 2010. Appellant is verschenen. Namens het Uwv is mr. F.H.M.A. Swarts verschenen. Namens de minister is H.A.L. Knoben verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant was in het genot van een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). In verband met het verrichten van werkzaamheden in het onderwijs in 2003 heeft het Uwv bij diverse besluiten de omvang van het WW-recht van appellant herzien. Dit leidde vervolgens tot een besluit van 4 april 2005 waarbij een voorschot en hetgeen onverschuldigd aan WW-uitkering was betaald over de periode van juli tot en met december 2003 van in totaal € 4.740,55 van appellant is teruggevorderd. Appellant heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 2 juni 2006 (bestreden besluit) is dat bezwaar ongegrond verklaard.

2. Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat het bestreden besluit slechts betrekking had op de WW-uitkering van appellant en dat de minister geen partij in het geding was. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat het teruggevorderde bedrag onjuist was bepaald en heeft een nieuwe berekening gemaakt. Die berekening leidde tot een bedrag van € 4.701,97 dat naar het oordeel van de rechtbank van appellant kon worden teruggevorderd. De rechtbank heeft om die reden het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het besluit van 4 april 2005 herroepen en bepaald dat het terug te vorderen bedrag wordt vastgesteld op € 4.701,97.

3. De Raad overweegt als volgt.

3.1. De stellingen van appellant in hoger beroep komen er op neer dat de herziening van zijn WW-uitkering onjuist is en dat de door hem gewerkte uren een ander gevolg moeten hebben voor zijn recht op WW-uitkering dan door het Uwv is vastgesteld. Appellant heeft echter de diverse besluiten waarbij zijn aanspraken op WW-uitkering zijn vastgesteld niet aangevochten, zodat deze in rechte vaststaan. Dat de berekening die de rechtbank heeft gemaakt op basis van die niet aangevochten besluiten en de uitgebreide, door het Uwv in beroep overgelegde specificatie, onjuist zijn, is door appellant niet gesteld. Met partijen onderschrijft de Raad het oordeel dat de minister geen partij is in dit geding.

3.2. Zoals de rechtbank terecht heeft geoordeeld, is het Uwv bevoegd om het onverschuldigd betaalde voorschot gebruteerd terug te vorderen en mag van appellant worden gevergd dat hij de administratieve handelingen verricht die een verrekening met de fiscus mogelijk maken.

3.3. Het hoger beroep slaagt derhalve niet.

Er is geen aanleiding voor een veroordeling van het Uwv of de minister in de proceskosten op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2010.

(get.) H.G. Rottier.

(get.) P. Boer.

BvW