Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM3596

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-05-2010
Datum publicatie
07-05-2010
Zaaknummer
09-4583 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. De Raad verenigt zich geheel met de overwegingen van de rechtbank en verwijst hiernaar. Geen reden om een deskundige te raadplegen. Van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies overweegt de Raad dat overtuigend is beargumenteerd dat appellant de functies kan verrichten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4583 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 6 juli 2009, 08/5519 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 6 mei 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 maart 2010. Appellant is verschenen in persoon. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. W.P.F. Oosterbos.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant was werkzaam als timmerman en heeft zich op 20 november 1998 arbeidsongeschikt gemeld vanwege klachten aan zijn achillespezen. Voorafgaande aan de hier in geding zijnde herbeoordeling ontving hij een WAO-uitkering berekenend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

2.1. Bij besluit van 19 augustus 2008 heeft het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid per 20 oktober 2008 vastgesteld op 35 tot 45%.

2.2. Bij besluit op bezwaar van 21 oktober 2008 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen ingediende bezwaar ongegrond verklaard.

3.1. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak geoordeeld dat op grond van de beschikbare medische gegevens moet worden aangenomen dat de verzekeringsartsen van het Uwv niet te geringe medische beperkingen hebben vastgesteld. Deze waren op de hoogte van de door appellant gestelde klachten, waaronder de chronische tendinitis van de achillespezen beiderzijds, aspecifieke rugklachten en nekpijn. De rechtbank gaat dan ook uit van de medische beperkingen die zijn neergelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 16 oktober 2008.

3.2. Wat betreft de arbeidskundige beoordeling constateert de rechtbank dat in de FML verborgen beperkingen en andere beperkingen staan die hadden moeten leiden tot een toelichting van de (bezwaar)arbeidsdeskundige over de geschiktheid van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies. De hiervoor genoemde beperkingen zijn alsnog door een bezwaararbeidsdeskundige bij rapportage van 2 april 2009 en door de gemachtigde van het Uwv ter zitting van de rechtbank toegelicht. De rechtbank is gelet op deze toelichting voldoende overtuigd dat appellant voor de functies geschikt is te achten. Het betreffen fysiek lichte functies, waarbij door een bezwaararbeidsdeskundige bij rapportage van 17 oktober 2008 is gemotiveerd dat in geen van de functies wordt vereist dat in een van de acht werkuren één uur aaneengesloten zittend werken voorkomt en uit de werkomschrijving blijkt dat naar eigen inzicht kan worden vertreden. Hiermee is naar het oordeel van de rechtbank de door de bezwaarverzekeringsarts gesignaleerde spanning tussen het niet lang aaneengesloten kunnen zitten maar wel aangewezen zijn op voornamelijk zittend werk opgelost, zodat een urenbeperking niet aan de orde is. De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd omdat het Uwv pas in beroep de medische geschiktheid van appellant voor de functies voldoende heeft toegelicht, maar heeft de rechtsgevolgen van dit besluit in stand gelaten omdat de functies terecht aan de schatting ten grondslag zijn gelegd.

4. In hoger beroep heeft appellant zijn gronden in beroep ten aanzien van de medische beoordeling herhaald. Hij stelt zich op het standpunt dat zijn fysieke toestand in de loop van de jaren steeds slechter is geworden en zijn artsen hem duidelijk hebben gemaakt dat herstel niet meer mogelijk is en hij wordt behandeld om te pogen de pijn te bestrijden. Appellant acht het handelen van de rechtbank onzorgvuldig omdat zij geen medisch deskundige heeft benoemd en verzoekt de Raad om alsnog een deskundige te benoemen.

5.1. De Raad overweegt als volgt.

5.2. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd bevat, in vergelijking met zijn stellingname in eerste aanleg, geen nieuwe gezichtspunten ten aanzien van de datum in geding en heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank. De Raad verenigt zich geheel met de overwegingen van de rechtbank en verwijst hiernaar. Daarnaast verwijst de Raad naar de rapportage van 10 december 2009 van bezwaarverzekeringsarts P.M.I.E. van Thillo-Nadels waarin een reactie wordt gegeven op de door appellant overgelegde informatie van onderzoeken door radioloog E. Sanders op 5 augustus 2009 en arts- assistente revalidatie geneeskunde E. Hoefman op 14 augustus 2009. Deze onderzoeken zien volgens de bezwaarverzekeringsarts niet op de datum in geding en geven geen aanleiding tot het innemen van een ander standpunt ten aanzien van de belastbaarheid van appellant op 20 oktober 2008. Ten aanzien van de bij brieven van appellant van 11 februari 2010 en 7 maart 2010 aangegeven toegenomen klachten heeft de bezwaarverzekeringsarts in de ter zitting overgelegde rapportage van 18 maart 2010 aangegeven dat appellant zich toegenomen arbeidsongeschikt kan melden.

5.3. De Raad ziet dus ook geen reden om een deskundige te raadplegen.

5.4. Wat betreft de medische geschiktheid van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies overweegt de Raad dat in de rapportages van de bezwaararbeidsdeskundige van 2 april 2009 en 15 mei 2009 overtuigend is beargumenteerd dat appellant deze functies kan verrichten.

5.5. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2010.

(get.) I.M.J. Hilhorst-Hagen.

(get.) T.J. van der Torn.

TM