Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM3593

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-04-2010
Datum publicatie
07-05-2010
Zaaknummer
09/1091 WW + 09/1270 TW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering WW-uitkering. De Raad acht door het Uwv aannemelijk gemaakt dat appellant in de periode van 26 januari tot 6 maart 2006 tenminste 30 uren per week heeft gewerkt, en geen 5 halve dagen van 4 uur per week, zoals appellant heeft verklaard. Uwv heeft geen toeslag aan appellant betaald. Er wordt dus ten onrechte melding gemaakt van intrekking van de toeslag. Vernietiging uitspraak. Vernietigt het bestreden besluit en herroept het primaire besluit van 8 mei 2007, voor zover die besluiten betrekking hebben op de toeslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/1091 WW

09/1270 TW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 13 januari 2009, 08/1475 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 29 april 2010.

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 maart 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. M.J. Hüsen, advocaat te Rotterdam. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. T.J. van Beek.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Op grond van een door het Westland Interventieteam opgesteld Rapport werknemersfraude (hierna: frauderapport) heeft het Uwv geconcludeerd dat appellant gedurende een langere periode en meer uren per dag dan bij het Uwv bekend was, als uitzendkracht bij [naam Uitzendgroep] werkzaam is geweest in de kas van [naam inlener] te [vestigingsplaats].

1.2. Bij besluit van 8 mei 2007 heeft het Uwv appellants uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) herzien in die zin dat de uitkering over de periode van

26 januari 2006 tot en met 5 maart 2006 met 30 uur per week wordt gekort en dat deze met ingang van 6 maart 2006 met 37,5 uur per week wordt gekort, zodat er vanaf laatstgenoemde datum geen recht meer zal zijn op een WW-uitkering. Voorts wordt met ingang van 26 januari 2006 de toeslag ingevolge de Toeslagenwet (TW) ingetrokken .

1.3. Bij besluit van 11 mei 2007 heeft het Uwv de betaalde WW-uitkering tot een bedrag van € 4.282,46 van appellant teruggevorderd.

1.4. Bij besluit van 26 februari 2008 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen de besluiten van 8 en 11 mei 2007 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank mocht het Uwv uitgaan van de juistheid van het op ambtseed opgemaakte frauderapport, ook al zijn de bijlagen bij dat rapport door het Uwv niet overgelegd. Hetgeen appellant daar tegenover heeft gesteld, met name dat uit de arbeidsovereenkomst met [Uitzendgroep], uit de werkbriefjes en uit de loonstroken van appellant zou blijken dat hij pas vanaf 26 februari 2006 en niet meer dan 4 uur per dag en 20 uur per week heeft gewerkt, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om de conclusies van het frauderapport, waar deze gegevens bij zijn betrokken, onjuist te achten.

3. In hoger beroep heeft appellant, kort samengevat, gesteld dat het frauderapport geen afdoende en inzichtelijke onderbouwing van het bestreden besluit vormt. Hij heeft opnieuw gewezen op de arbeidsovereenkomst, de werkbriefjes en de loonstroken. Het Uwv heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Zoals ook de rechtbank terecht heeft vooropgesteld, gaat het bij besluiten tot intrekking en terugvordering van sociale zekerheidsuitkeringen als hier aan de orde om belastende besluiten waarbij het aan het bestuursorgaan is om de nodige kennis omtrent de relevante feiten te vergaren. Die last om informatie te vergaren brengt mee dat het in een geval als het onderhavige aan het Uwv is om de feiten aan te dragen aan de hand waarvan het aannemelijk is dat appellant werkzaamheden heeft verricht waardoor hij een te hoog bedrag aan uitkering heeft ontvangen.

4.2. De Raad merkt vervolgens op dat het Uwv heeft nagelaten de bijlagen bij het frauderapport, die onder meer processen-verbaal van de verhoren bevatten, aan de rechtbank over te leggen. Het ontbreken van de achterliggende processen-verbaal vormde in dit geval, met het oog op de kenbaarheid van de motivering van het bestreden besluit, een gebrek waarover appellant terecht heeft geklaagd. Nu dat gebrek eerst in hoger beroep is hersteld, is er reeds om die reden aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant.

4.3. De Raad acht op basis van het frauderapport en de processen-verbaal door het Uwv voldoende aannemelijk gemaakt dat appellant zijn werkzaamheden bij [Uitzendgroep] (niet later dan) 26 januari 2006 is aangevangen. Daarbij acht de Raad in het bijzonder van belang dat appellant tijdens het verhoor op 14 maart 2007, nadat hij eerst had gesteld dat hij in februari 2006 voor [Uitzendgroep] was begonnen, vervolgens, nadat hij was geconfronteerd met urenlijsten waarop achter zijn sofinummer reeds vanaf de eerste week van januari gewerkte uren stonden vermeld, heeft aangegeven dat hij denkt dat hij op de laatste donderdag van januari is begonnen met werken. Dat appellant al in januari is aangevangen wordt voorts met stelligheid bevestigd in de verklaring van [v.d. B.], mede-eigenaar van [naam inlener], die heeft aangegeven dat appellant “voor 100% zekerheid” tijdens de op de bovengenoemde urenlijsten vermelde weken heeft gewerkt. [v.d. B.] heeft daarbij nog beklemtoond dat hij van appellant zeker weet dat hij gewerkt heeft omdat hij Nederlands spreekt en hij nog wel eens een praatje met hem maakte.

4.4. Mede op basis van de verklaring van [v.d. B.] acht de Raad voorts door het Uwv aannemelijk gemaakt dat appellant in de periode van 26 januari tot 6 maart 2006 tenminste 30 uren per week heeft gewerkt, en geen 5 halve dagen van 4 uur per week, zoals appellant heeft verklaard. [v.d. B.] heeft verklaard dat halve dagen werken niet de werkwijze is, en dat hij het ook nooit goed zou vinden dat de ene dag fulltime wordt gewerkt en de andere dag niet. Voorts heeft hij verklaard dat in januari en februari nog niet zoveel uren worden gemaakt, “zeg maar 30 uren in de week”, maar dat later in het jaar meer uren worden gewerkt.

Voorts is uit deze verklaring, en uit die van mede-eigenaar [v.d. B.], af te leiden dat de mensen van [Uitzendgroep] allen in beginsel dezelfde werktijden hadden, en opgehaald en weggebracht werden met dezelfde bus.

4.5. Gelet op die gelijke werktijden, bezien in samenhang met de verklaringen van appellants toenmalige collega’s [A.] en [B.] die op 6 maart 2006 voor [Uitzendgroep] zijn gaan werken bij [naam inlener] en spreken over werktijden van (zeker) 7,5 uur per dag, acht de Raad aannemelijk, dat ook appellant in ieder geval vanaf 6 maart 2006 tenminste 37,5 uur per week heeft gewerkt.

4.6. Hetgeen appellant tegenover de door het Uwv aangedragen feiten heeft gesteld acht de Raad onvoldoende onderbouwing voor de stelling dat de door het Uwv getrokken conclusies onjuist zijn. Aan de gegevens, dat de arbeidsovereenkomst op afroepbasis tussen [Uitzendgroep] en appellant vermeldt dat appellant op 20 februari 2006 voor gemiddeld 20 uur per week in dienst treedt, en dat ook de door [Uitzendgroep] verstrekte loonstroken 20 uur per week vermelden, kent de Raad geen betekenis toe. Blijkens het frauderapport hebben [A.] en [B.] immers verklaard dat zij loonstroken en een contract hebben verkregen waaruit (ten onrechte) zou moeten blijken dat zij slechts 20 uur per week werkten. Het Uwv heeft daaraan de conclusie mogen verbinden dat ook de op appellant betrekking hebbende arbeidsovereenkomst, loonstroken en werkbriefjes geen getrouw beeld geven van de werkelijk gewerkte uren.

4.7. Uit het vorenstaande volgt, dat het bestreden besluit, althans voor wat betreft de herziening en terugvordering van de WW-uitkering, in rechte stand houden.

4.8. Wat betreft de mede in het primaire besluit van 8 mei 2007 vervatte intrekking van de toeslag ingevolge de TW, welke intrekking bij het bestreden besluit van 26 februari 2008 mede is gehandhaafd, is namens het Uwv ter zitting van de Raad verklaard dat het Uwv geen toeslag aan appellant heeft betaald. Er wordt dus ten onrechte melding gemaakt van intrekking van de toeslag. De Raad ziet hierin aanleiding de aangevallen uitspraak te vernietigen. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigen voor zover dat intrekkingsbesluit in stand is gelaten en het primaire besluit van 8 mei 2007 herroepen. De Raad stelt daarbij vast dat namens het Uwv ter zitting is toegezegd, dat alsnog zal worden beslist op de TW-aanvraag van appellant.

5. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de kosten van appellant in bezwaar tot een bedrag van € 644,-, in beroep tot een bedrag van € 644,- en in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-, aan kosten van rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit en herroept het primaire besluit van 8 mei 2007, voor zover die besluiten betrekking hebben op de toeslag;

Veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 1932,-;

Bepaalt dat het Uwv aan appellant het door hem betaalde griffierecht van in totaal € 146,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en H.G. Rottier en K.J. Kraan als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 april 2010.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) T.J. van der Torn.

JvS