Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM3582

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-05-2010
Datum publicatie
07-05-2010
Zaaknummer
06/3497 WAO + 06/3498 WAO + 07/1829 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering uitkering ingevolge de WAO. Besluit 1: voldoende medische grondslag. Juistheid van de voor appellant aangenomen beperkingen. De geschiktheid van de functies voor appellant is met de medische en arbeidskundige rapportages voldoende toegelicht, zowel wat de psychische als de fysieke belastbaarheid van appellant betreft. Besluiten 2 en 3: Juiste grondslag. In het rapport van bezwaarverzekeringsarts Carere is naar het oordeel van de Raad afdoende en inzichtelijk gereageerd op de rapportages van verzekeringsarts Hagenbeek. Redelijke termijn: de langere termijn in de rechterlijke fase is in dit geval geoorloofd. Afwijzing verzoek om schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/3497 WAO, 06/3498 WAO en 07/1829 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraken van de rechtbank Arnhem van 11 mei 2006, 04/3206 en 05/2971 (hierna: aangevallen uitspraak I) en van 2 maart 2007, 06/2078 (hierna: aangevallen uitspraak II)

in de gedingen tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 4 mei 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is tegen de aangevallen uitspraken I en II hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.

Bij brieven van 19 september 2006, 7 januari 2008, 10 juni 2008, 5 juni 2009 heeft appellant nadere informatie verstrekt.

Desgevraagd heeft het Uwv de Raad bij brief van 14 december 2007 nieuwe gegevens toegestuurd.

Bij brief van 24 juni 2009 heeft het Uwv een rapport van de bezwaarverzekeringsarts M. Carere van 23 juni 2009 doen toekomen.

Bij brieven van 3 maart 2010, 12 maart 2010 en 19 maart 2010, respectievelijk 16 maart 2010 hebben partijen onder toezending van nadere stukken over en weer gereageerd op elkaars standpunten.

Het onderzoek ter zitting in de onderhavige zaken heeft gevoegd plaatsgevonden op 24 maart 2010 waar appellant is verschenen, bijgestaan door mr. M.C. Frissart-Kallenbach en zijn zus [naam zus van appellant]. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. Smid.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant heeft zich per 7 april 2003 met psychische klachten ten gevolge van een arbeidsconflict ziek gemeld vanuit zijn baan als fulltime productiemedewerker. Tijdens de wachttijd heeft hij op 28 mei 2003 een motorongeluk gekregen waarna een periode van operaties en revalidatie volgde. Nadat appellant uit het ziekenhuis was ontslagen, is hij onder behandeling van GGz Nijmegen gekomen, waar op 10 september 2003 een intakegesprek plaatsvond. Per einde wachttijd was er bij appellant met name sprake van psychische klachten en voorts van enkel- en knieklachten.

2.1. Bij besluit van 27 mei 2004 heeft het Uwv geweigerd aan appellant met ingang van 4 april 2004 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) te verlenen, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant minder dan 15% werd geacht. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 24 november 2004 (hierna: bestreden besluit 1) ongegrond verklaard.

2.2. Bij besluit van 20 januari 2005 heeft het Uwv geweigerd om appellant per de datum gelegen vier weken na 29 juni 2004 een WAO-uitkering toe te kennen, omdat appellant vanaf 29 juni 2004 niet toegenomen arbeidsongeschikt was. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 28 juni 2005 (hierna: bestreden besluit 2) ongegrond verklaard.

2.3. De rechtbank heeft bij aangevallen uitspraak I het door appellant ingediende beroep gegrond verklaard wat betreft bestreden besluit 1, dat besluit vernietigd en de rechtsgevolgen daarvan geheel in stand gelaten. Wat betreft bestreden besluit 2 heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard. Voorts heeft de rechtbank het verzoek om schadevergoeding afgewezen en bepalingen gegeven over de proceskosten en het griffierecht.

2.4. Aangevallen uitspraak I berust op de overweging dat bestreden besluit 1 weliswaar op een voldoende medische grondslag berust maar dat de motivering voor de passendheid van de aan appellant voorgehouden functies eerst in beroep is gegeven. Ten aanzien van bestreden besluit 2 is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat er geen redenen zijn om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van het Uwv dat de medische beperkingen van appellant per 29 juni 2004 niet zijn toegenomen.

3.1. Bij besluit van 13 december 2005 heeft het Uwv geweigerd appellant per 28 februari 2005 een WAO-uitkering toe te kennen, omdat per die datum geen toegenomen arbeidsongeschiktheid aanwezig wordt geacht. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 16 maart 2006 (hierna: bestreden besluit 3) ongegrond verklaard.

3.2. Bij aangevallen uitspraak II is het beroep van appellant tegen bestreden besluit 3 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft in dat verband overwogen dat er geen grond is voor het oordeel dat het Uwv zich niet op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat per 28 februari 2005 geen sprake was van toegenomen arbeidsongeschiktheid.

4. Bestreden besluit 1.

4.1. Appellant heeft in hoger beroep - kort samengevat - aangevoerd dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn klachten. Naar zijn mening is hij zowel in fysiek als in psychisch opzicht duidelijk meer beperkt dan het Uwv heeft aangenomen en hij heeft in dat verband gedurende de loop van de gehele procedure meerdere malen nadere (medische) informatie overgelegd, als laatste het rapport gedateerd 3 maart 2010 van de door appellant geraadpleegde bedrijfsarts F. Michon en diens op 19 maart 2010 bij de Raad ingekomen reactie op het rapport van bezwaarverzekeringsarts Carere van 16 maart 2010. Ten onrechte zijn volgens appellant zijn individuele klachten niet beoordeeld naar het negatieve effect dat deze klachten hadden op zijn totale motoriek. De bedrijfsarts Michon heeft in dit kader aangegeven dat ten onrechte de klachten aan de rug, de heup en de schouder niet zijn meegenomen bij de bepaling van de relevante beperkingen van appellant en dat er in april 2004 bij het einde van de wachttijd nog geen sprake was van een medische eindtoestand. Wat de psychische component betreft is namens appellant ter zitting naar voren gebracht dat nog steeds niet bekend is wat er met appellant aan de hand is. De behandelend psychiater is nog steeds doende een juiste diagnose te stellen. Appellant heeft tevens naar voren gebracht dat de hem voorgehouden functies niet vallen binnen de voor hem te stellen belastbaarheidsgrenzen en dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van bestreden besluit 1 in stand heeft gelaten.

4.2. Het Uwv stelt zich op het standpunt dat met de psychische en fysieke klachten van appellant per einde wachttijd voldoende rekening is gehouden, zoals blijkt uit de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 8 maart 2004. Ter ondersteuning daarvan heeft het Uwv met name gewezen op het rapport van bezwaarverzekeringsarts J.P.M. Joosten van 22 november 2004 en voorts alle rapportages van bezwaarverzekeringsarts M. Carere.

4.3. De Raad kan zich vinden in de overwegingen van de rechtbank die betrekking hebben op bestreden besluit 1 en het daarop gebaseerde oordeel met betrekking tot de medische grondslag van dat besluit. Deze overwegingen maakt de Raad tot de zijne. De in hoger beroep ingebrachte nadere medische informatie, waaronder die van de bedrijfsarts Michon, doet de Raad niet twijfelen aan de juistheid van de voor appellant aangenomen beperkingen zoals die blijken uit de FML. Voor het aannemen van meer of verdergaande beperkingen voor appellant ziet de Raad op grond van de beschikbare informatie geen aanleiding. In het geheel van de rapportages van de (bezwaar)verzekeringsartsen R. Weijers, Joosten en Carere, met name in de rapporten van 8 maart 2004, 22 november 2004 en 23 juni 2005, is afdoende en inzichtelijk ingegaan op de van belang zijnde aspecten met betrekking tot de gezondheidssituatie van appellant op 4 april 2004, de datum hier in geding. Daarbij is rekening gehouden met alle informatie die werd verkregen, ook uit de behandelend sector. Vast staat dat de verzekeringsarts Weijers en de bezwaarverzekeringsarts Joosten de psychische klachten van appellant hebben onderkend, echter op grond van hun bevindingen en de hen ter beschikking staande overige medische informatie hebben zij niet de conclusie kunnen trekken dat er sprake was van ernstige depressieve klachten. De Raad is gebleken, naar aanleiding van hetgeen namens appellant ter zitting is verklaard, dat vanuit psychiatrisch oogpunt tot op heden nog steeds geen duidelijke diagnose is gesteld. Voorts beschikten de (bezwaar)verzekeringsartsen over de medische informatie die betrekking heeft op het verdere verleden toen appellant tengevolge van vooral psychische klachten en voorts onder andere schouderklachten een WAO-uitkering ontving tot 2 juli 1998. De Raad kan de bedrijfsarts Michon niet volgen in zijn stelling dat bij het bepalen van de relevante beperkingen voor appellant per 4 april 2004 door verzekeringsarts Weijers ten onrechte rug-, linker heup- en linker schouderklachten niet in de beschouwing zijn betrokken. In dit kader merkt de Raad op dat blijkens de FML voor appellant meerdere beperkingen zijn aangenomen, onder andere voor duwen en trekken, tillen of dragen, frequent zware lasten hanteren tijdens het werk, lopen, trappenlopen, klimmen, knielen of hurken, staan en geknield of gehurkt actief zijn. Bovendien stelt de Raad vast dat appellant de door Michon bedoelde klachten met betrekking tot het verleden, in het kader van de onderhavige besluitvorming van het Uwv, tegenover de (bezwaar)verzekeringsartsen niet als actuele klachten heeft aangevoerd. Bedrijfsarts Michon heeft ook geen onomwonden (medisch onderbouwd) antwoord gegeven op de vraag over psychische beperkingen van appellant. In zijn rapport van 3 maart 2010 merkt hij slechts op dat er medisch gezien op grond van zijn eigen bevindingen en dossieronderzoek een andere interpretatie van de klachten van appellant mogelijk is. De Raad wijst in dit verband naar de opmerking van Michon dat de door hem waargenomen toename van klachten - zoals cognitieve stoornissen, herbelevingen, beperkt spectrum voor gevoelens, beperkte toekomstverwachting een aanhoudende symptomen van verhoogde prikkelbaarheid – eerder passen bij de post traumatische stress door het ongeval in 2003 en minder bij die van persoonlijkheidsproblemen zoals de bezwaarverzekeringsarts die vaststelt. Deze klachten, zo vervolgt Michon, kunnen het rechtstreeks gevolg zijn van ziekte.

4.4. Naar het oordeel van de Raad heeft in bezwaar een heroverweging plaatsgevonden, mede op basis van het rapport van de bezwaarverzekeringsarts Joosten van 22 november 2004, die voldoet aan de daaraan op grond van artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te stellen eisen. De desbetreffende grief van appellant wordt dan ook verworpen.

4.5. De Raad acht zich met betrekking tot de situatie van appellant op de datum in geding voldoende voorgelicht, hieraan doet niet af diens mededeling dat op dit moment wordt onderzocht of appellant lijdt aan een niet aangeboren hersenletsel en dat het volgens de bedrijfsarts Michon niet uit te sluiten is dat er sprake is van PTSS.

Onder de gegeven omstandigheden ziet de Raad geen aanleiding om aan het verzoek van appellant te voldoen het onderzoek te heropenen teneinde een medisch deskundige om advies te vragen.

4.6. Uitgaand van de juistheid van de bij appellant in de FML vastgestelde medische beperkingen, is de Raad voorts niet gebleken dat appellant de geduide functies op de in geding zijnde datum 4 april 2004 niet zou kunnen vervullen. De geschiktheid van deze functies voor appellant is met de zich onder de gedingstukken bevindende medische en arbeidskundige rapportages voldoende toegelicht, zowel wat de psychische als de fysieke belastbaarheid van appellant betreft.

4.7. Uit het vorenstaande volgt dat moet worden geoordeeld dat het Uwv bij bestreden besluit 1 terecht de weigering om aan appellant met ingang van 4 april 2004 een uitkering ingevolge de WAO te verlenen, heeft gehandhaafd. De aangevallen uitspraak I, voor zover aangevochten, komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

5. Bestreden besluiten 2 en 3.

5.1. Wat deze bestreden besluiten betreft, is appellant van mening dat het Uwv ten onrechte heeft geconcludeerd dat er per 29 juni 2004, respectievelijk per 28 februari 2005 geen sprake was van toegenomen arbeidsongeschiktheid. In dit verband heeft appellant gewezen op hetgeen hij tegen bestreden besluit 1 heeft aangevoerd en op het feit dat de verzekeringsarts Hagenbeek (oordelend in kader van de Ziektewet: hierna ZW) in zijn reacties van 6 en 14 september 2004 heeft gesteld dat appellant zijn eigen werk niet kan doen. Appellant trekt hieruit de conclusie dat hij volledig arbeidsongeschikt was te achten en derhalve per 29 juni 2004, respectievelijk 28 februari 2005 toegenomen arbeidsongeschikt was, althans dat de bij de ZW- en de WAO-zaak betrokken (bezwaar)verzekeringsartsen tegengestelde conclusies hebben getrokken wat dit betreft.

5.3. De Raad komt, gelet op het geheel aan beschikbare medische informatie over appellant en gezien ook hetgeen hierboven met betrekking tot bestreden besluit 1 is overwogen, tot het oordeel dat de bestreden besluiten 2 en 3 op een juiste grondslag berusten. De Raad stelt vast dat de bezwaarverzekeringsarts Carere bij haar oordeelsvorming ook de beschikking had over de rapportages van verzekeringsarts Hagenbeek van 6 en 14 september 2004 die betrekking hebben op de ZW-uitkering per september 2004. Een aanknopingspunt om de voor appellant in relatie tot de data hier in geding aangenomen beperkingen voor onjuist te moeten houden, ontbreekt. De Raad wijst daarbij op hetgeen met betrekking tot bestreden besluit 1 is overwogen en op de overwegingen van de rechtbank in de aangevallen uitspraken 1 en 2. In het rapport van bezwaarverzekeringsarts Carere van 23 juni 2005, dat betrekking heeft op de in geding zijnde datum 29 juni 2004, is naar het oordeel van de Raad afdoende en inzichtelijk gereageerd op de rapportages van verzekeringsarts Hagenbeek. Uit het rapport van bezwaarverzekeringsarts Carere van 28 februari 2006 blijkt, gezien de uitvoerige weergave van de beschikbare informatie, dat ook uitdrukkelijk melding is gemaakt van de rapportages van verzekeringsarts Hagenbeek. Ook met betrekking tot de in geding zijnde datum 28 februari 2005 heeft de bezwaarverzekeringsarts dit punt onderkend. De Raad merkt in dit verband - nogmaals - op dat ten aanzien van appellant ook thans nog geen diagnose op psychiatrisch terrein is gesteld. Dat de verzekeringsarts Hagenbeek bij zijn beoordeling op grond van de ZW in september 2004 appellant op dat moment voorshands niet geschikt achtte voor zijn arbeid leidt niet tot het oordeel dat appellant op 29 juni 2004, respectievelijk 28 februari 2005 toegenomen arbeidsongeschikt was als bedoeld in artikel 43a, eerste lid, van de WAO.

5.4. Gelet op het vorenstaande onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank dat het Uwv terecht heeft geweigerd om appellant per de twee data hier in geding in aanmerking te brengen voor een WAO-uitkering. De aangevallen uitspraken komen derhalve wat betreft de bestreden besluiten 2 en 3 voor bevestiging in aanmerking.

6.1. Tenslotte is namens appellant ter zitting verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), in verband met de lange duur van de procedure wat betreft de rechterlijke fase, met name de duur van het hoger beroep.

6.2. De vraag of de redelijke termijn, bedoeld in artikel, 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden, moet worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de complexiteit van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van betrokkene gedurende de procesgang en de aard van het besluit en het daardoor getroffen belang van betrokkene, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) naar voren komt.

6.3. Voor de wijze van beoordeling van dit verzoek verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 26 ja-nuari 2009 (LJN BH1009). Daarin heeft de Raad onder meer overwogen dat in een procedure in drie instanties in zaken zoals deze het bezwaar ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar mag duren, terwijl doorgaans geen sprake zal zijn van een te lange behandelingsduur in de rechter-lijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De onder 6.2. genoemde criteria kunnen onder omstandigheden aanleiding geven overschrijding van deze behan-delingsduren gerechtvaardigd te achten.

6.4. Voor het geding met nummer 06/3497 WAO betekent dit het volgende. Sinds de ontvangst van het bezwaarschrift op 30 juni 2004 tot aan deze uitspraak zijn vijf jaar en ruim tien maanden verstreken. De Raad stelt vast het Uwv de hem toekomende behandelingsduur niet heeft over-schreden, nu bestreden besluit 1 dateert van 24 november 2004. De rechterlijke fase is aangevan-gen met de ontvangst van het beroepschrift op 28 december 2004 en heeft tot aan deze uitspraak vijf jaar en ruim vier maanden geduurd. De fase bij de rechtbank heeft geduurd van 28 december 2004 tot 11 mei 2006, derhalve één jaar en ruim vier maanden. De fase bij de Raad is aangevangen op 20 juni 2006. De Raad ziet echter aanleiding in dit geding een langere behandelingsduur in de rechterlijke fase, en dan met name de fase bij de Raad, gerechtvaardigd te achten.

6.5. De Raad stelt vast dat de gemachtigde van appellant in haar brief van 7 januari 2008 de Raad dringend heeft verzocht de zaak naar aanleiding van aangevallen uitspraak I nog niet op zitting te behandelen, omdat eerst door dr. Van Dijk van het Roessingh een expertise zal worden verricht en rapport uitgebracht. Eerst op 5 juni 2009 heeft de gemachtigde van appellant de Raad meegedeeld dat genoemde arts geen rapport zal uitbrengen. In haar desbetreffende brief van 5 juni 2009 heeft de gemachtigde tevens vermeld dat appellant zich heeft gewend tot drs. H.S. Beeker om te rappor-teren. Bij brief van 3 maart 2010 heeft de gemachtigde bericht dat de bedrijfsarts F. Michon is ver-zocht om onderzoek te doen en diens rapport van eveneens 3 maart 2010 is daarbij overgelegd. Een rapport van drs. Beeker als aangekondigd heeft de Raad niet ontvangen. Gebleken is dat naar aanleiding van de brieven van de gemachtigde van appellant van 7 januari 2008 en 5 juni 2009 geen agendering van de onderhavige zaken heeft plaatsgevonden en verdere behandeling van de zaak van appellant heeft gewacht totdat van de zijde van appellant een nader medisch rapport zou zijn ingebracht. Dit laatste is gebeurd op 3 maart 2010.

6.6. De Raad ziet, gezien 6.5, aanleiding de nog als redelijk aan te merken behandelingsduur in de rechterlijke fase te verlengen met twee jaar en (afgerond) twee maanden, derhalve in totaal vijf jaar en acht maanden. Nu uit 6.4. blijkt dat de rechterlijke fase vijf jaar en ruim vier maanden heeft ge-duurd volgt hieruit dat geen sprake is van een te lange behandelingsduur in deze fase.

6.7. Met betrekking tot de gedingen 06/3498 WAO en 07/1829 WAO stelt de Raad vast dat, gezien hetgeen is overwogen in 6.4 en 6.5, evenmin sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase, en in het bijzonder de fase bij de Raad.

7. De Raad acht geen termen aanwezig het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraken, wat betreft aangevallen uitspraak I voor zover aangevochten;

Wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2010.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) I. Mos.

CVG