Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM3578

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-04-2010
Datum publicatie
06-05-2010
Zaaknummer
08-697 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en (bruto) terugvordering bijstand op de grond dat appellante geen mededeling heeft gedaan van de door haar ontvangen WAO- en ZW-uitkeringen. De Raad ziet in hetgeen appellante heeft gesteld omtrent haar psychische gesteldheid en haar opname in Vijverdal in de maand oktober 2003 noch in de door appellante verstrekte medische gegevens aanleiding voor een ander oordeel. Het College heeft aangetoond dat er voorafgaand aan de terugvordering van de ten onrechte verleende bijstand geen verrekening tussen het College en UWV Cadans/Gak heeft plaatsgevonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/697 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 20 december 2007, 07/415 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Sittard-Geleen (hierna: College)

Datum uitspraak: 22 april 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.W. Rauh, advocaat te Hoensbroek, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 maart 2010. Appellante is, met bericht vooraf, niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Y.J.P Pozun, werkzaam bij de gemeente Sittard-Geleen.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1 Appellante ontving sinds 29 januari 2003 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2 Bij besluit van 10 maart 2006, zoals gewijzigd bij besluit van 11 september 2006, voor zover van belang, heeft het College de bijstand van appellante over de periode van 29 januari 2003 tot en met 29 februari 2004 herzien op de grond dat appellante geen mededeling heeft gedaan van de door haar ontvangen uitkeringen ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en de Ziektewet (ZW) en de hiermee verband houdende kosten van bijstand tot een bedrag van € 14.064,60 bruto van appellante teruggevorderd.

1.3. Bij besluit van 9 februari 2007, voor zover van belang, heeft het College het hiertegen gerichte bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 9 februari 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) en artikel 17, eerste lid, van de WWB, voor zover van belang, doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.

4.2. Vaststaat dat appellante in de periode van 29 januari 2003 tot en met 29 februari 2004 inkomsten heeft genoten uit een aan haar toegekende ZW- en WAO-uitkering en dat zij hiervan geen melding heeft gemaakt.

4.3. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat appellante redelijkerwijs had moeten begrijpen dat de door haar ontvangen WAO- en ZW-uitkeringen voor de (voortzetting van de) verlening van bijstand van belang waren. De Raad ziet in hetgeen appellante heeft gesteld omtrent haar psychische gesteldheid en haar opname in Vijverdal in de maand oktober 2003 noch in de door appellante verstrekte medische gegevens aanleiding voor een ander oordeel. Appellante heeft ook niet anderszins aannemelijk gemaakt dat zij gedurende de periode in geding redelijkerwijs niet aan haar inlichtingenverplichting heeft kunnen voldoen. Voorts is niet aannemelijk geworden dat appellante het College al had ingelicht over de door haar ontvangen WAO- en ZW-uitkeringen.

4.4. Aangezien als gevolg van schending van de inlichtingenverplichting over de periode van 29 januari 2003 tot en met 29 februari 2004 tot een te hoog bedrag bijstand is verleend, was het College bevoegd de bijstand van appellante met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB te herzien. Het College heeft daarbij gehandeld in overeenstemming met het ter zake van herziening gehanteerde beleid. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College, met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), van het beleid had moeten afwijken.

4.5. Aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is eveneens voldaan, zodat het College bevoegd was tot terugvordering van de ten onrechte en tot een te hoog bedrag verleende bijstand. Het College heeft daarbij gehandeld in overeenstemming met het ter zake van terugvordering gehanteerde beleid. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College, met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb, van het beleid had moeten afwijken.

4.6. Appellante heeft aangevoerd dat de door het College toegepaste verrekening niet inzichtelijk is. Het College heeft in dit verband genoegzaam aangetoond dat er voorafgaand aan de terugvordering van de ten onrechte verleende bijstand geen verrekening tussen het College en UWV Cadans/Gak heeft plaatsgevonden. Voort blijkt uit de brief van het College van 1 oktober 2007 dat vanwege een verhoging van de WAO-uitkering met ingang van 19 oktober 2003 het UWV een nabetaling heeft gedaan van € 1.630,23, welk bedrag op het terugvorderingbedrag in mindering is gebracht, waardoor een bedrag van € 12.434,37 resteert. Voor het oordeel dat meer of anders had moeten worden verrekend, heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden.

4.7. Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en R. Kooper en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 april 2010.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) R.L.G. Boot.

NK