Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM3575

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-05-2010
Datum publicatie
06-05-2010
Zaaknummer
08-1385 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag buiten behandeling gelaten: niet binnen de termijn de gevraagde gegevens overgelegd. Appellant heeft naar voren gebracht dat hij dakloos is en in die zin geen feitelijke verblijfplaats heeft. Zoals de Raad eerder al heeft uitgesproken (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 10 april 2007, LJN BA2870) betekent dit niet dat appellant geen mededeling zou behoeven te doen van zijn feitelijke verblijfplaats of dat appellant anderszins zou zijn ontheven van de in artikel 17, eerste lid, van de WWB neergelegde inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/1385 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 17 januari 2008, 07/5702 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem (hierna: College)

Datum uitspraak: 4 mei 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.G. Fischer, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 13 april 2010. Beide partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant heeft zich op 20 december 2006 gemeld voor het doen van een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Appellant heeft daarbij meegedeeld dat hij dakloos is. Naar aanleiding van deze aanvraag is appellant uitgenodigd voor een gesprek op 19 januari 2007 en is appellant verzocht hierbij diverse gevraagde gegevens te overleggen, waaronder een volledig ingevulde verklaring omtrent zijn feitelijke woon- of verblijfplaats. Nu de door appellant ingevulde verklaring zeer summier was, is hij verzocht vóór 2 februari 2007 alsnog een volledig ingevulde verklaring in te leveren.

1.2. Bij brief van 2 februari 2007 is appellant, omdat hij niet of niet volledig heeft voldaan aan de verzoeken van 20 december 2006 en 19 januari 2007, wederom verzocht de gevraagde gegevens, waaronder een volledig ingevulde verklaring omtrent zijn feitelijke woon- of verblijfplaats, op 16 februari 2007 in te leveren. Daarbij is appellant gewaarschuwd dat, in het geval dat hij de gevraagde informatie niet of niet volledig verstrekt, kan worden besloten de aanvraag niet verder te behandelen met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

1.3. Appellant heeft vervolgens wederom een summier ingevulde verklaring omtrent zijn feitelijke woon- of verblijfplaats ingeleverd.

1.4. Bij besluit van 1 maart 2007 heeft het College appellant meegedeeld dat is besloten zijn aanvraag van 20 december 2006 niet te behandelen. Bij besluit van 12 juli 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 1 maart 2007 ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellant niet binnen de in de brief van 2 februari 2007 gegeven termijn de daarin bedoelde informatie heeft verstrekt. Uit de door appellant overgelegde verklaringen omtrent zijn feitelijke woon- of verblijfplaats is volgens het College niet af te leiden waar hij feitelijk verbleef.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 12 juli 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling gaat het bij een onvolledige of ongenoegzame aanvraag onder meer om het onvoldoende verstrekken van gegevens of bescheiden om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Daarbij gaat het, gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

4.2. Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB doet de belanghebbende aan het College op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Op grond van artikel 53a, eerste lid, van de WWB bepaalt het College welke gegevens ten behoeve van de verlening van bijstand dan wel de voortzetting daarvan door de belanghebbende in ieder geval worden verstrekt en welke bewijsstukken worden overgelegd, alsmede de wijze en het tijdstip waarop de verstrekking van gegevens plaatsvindt.

4.3. Voor de beantwoording van de vraag of appellant recht heeft op bijstand en naar welke norm de bijstand dan dient te worden vastgesteld, zijn controleerbare gegevens over de feitelijke woon- en leefsituatie van appellant van doorslaggevend belang. Appellant heeft naar voren gebracht dat hij dakloos is en in die zin geen feitelijke verblijfplaats heeft. Zoals de Raad eerder al heeft uitgesproken (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 10 april 2007, LJN BA2870) betekent dit niet dat appellant geen mededeling zou behoeven te doen van zijn feitelijke verblijfplaats of dat appellant anderszins zou zijn ontheven van de in artikel 17, eerste lid, van de WWB neergelegde inlichtingenverplichting. Het College heeft dan ook, nu appellant geen adres heeft opgegeven, terecht aan appellant gevraagd waar hij zijn feitelijke verblijfplaats in de gemeente Haarlem heeft.

4.4. De Raad volgt appellant niet in zijn standpunt dat hij, nu hij steeds heeft aangegeven dat hij in Haarlem verblijft, daarmee heeft voldaan aan het in de brief van 2 februari 2007 neergelegde verzoek. Van de door appellant ingeleverde verklaringen kan, vanwege het summiere karakter ervan, niet worden gezegd dat hij aan dat verzoek heeft voldaan. Daarnaast heeft hij geen briefadres opgegeven en heeft hij pas op 21 januari 2006, in verband met het indienen van een klacht, een postadres in Amstelveen opgegeven.

4.5. De Raad komt evenals het College tot de conclusie dat appellant niet binnen de daartoe gestelde termijn de gevraagde informatie heeft verstrekt. Het College was dus bevoegd om de op 20 december 2006 gedane aanvraag met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb niet te behandelen. In hetgeen appellant heeft aangevoerd is geen grond gelegen voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot het buiten behandeling laten van de aanvraag.

4.6. Daarnaast is de Raad, met de rechtbank, van oordeel dat nu appellant in de gemeente Haarlem heeft verzocht om bijstand er voor het College geen reden was de aanvraag door te zenden naar de gemeente Amstelveen. Ook kan de Raad appellant niet in zijn standpunt volgen dat het College eerst bijstand aan appellant had moeten verstrekken en vervolgens had moeten nagaan of hij al dan niet woonachtig was in Haarlem dan wel in Amstelveen.

4.7. Uit het vorenstaande volgt dat het besluit van 12 juli 2007 in rechte stand houdt. De Raad zal daarom de aangevallen uitspraak bevestigen.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2010.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) E. Heemsbergen.

IA