Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM3557

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-04-2010
Datum publicatie
06-05-2010
Zaaknummer
09-32 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering bijstand. Gezamenlijke huishouding. Schending inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/32 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 november 2008, 07/1816 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 27 april 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H. Loth, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 maart 2010. Appellant is, zoals tevoren bericht, niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.A. Ahmed, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. [Betrokkene] (hierna: betrokkene) heeft in de periode van 1 maart 1996 tot en met 30 september 1999 bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet ontvangen, berekend naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.2. In juni 2001 ontving het College een melding van de opsporingsdienst van het Gemeenschappelijk Administratiekantoor (GAK) dat tijdens een strafrechtelijk onderzoek inzake appellant, waarbij appellant is verhoord en bij een doorzoeking van de woning van betrokkene administratieve bescheiden en foto’s in beslag zijn genomen, het vermoeden was ontstaan dat appellant en betrokkene vanaf 1996 samenwonen op het adres van betrokkene.

1.3. Naar aanleiding van deze melding heeft de sociale recherche van de gemeente Amsterdam een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan betrokkene verleende bijstand. In dat kader heeft betrokkene een verklaring afgelegd en zijn getuigen gehoord.

1.4. De bevindingen van dit onderzoek, neergelegd in een rapport van 5 september 2001, waren voor het College aanleiding bij besluit van 28 juli 2004 de bijstand van betrokkene in te trekken over de periode van 1 juli 1997 tot en met 30 september 1999 op de grond dat zij gedurende die periode een gezamenlijke huishouding met appellant heeft gevoerd. Bij dat besluit heeft het College tevens de over die periode gemaakte kosten van bijstand, tot een bedrag van € 27.725,73, van betrokkene teruggevorderd.

1.5. Bij afzonderlijk besluit van 28 juli 2004, dat op 9 november 2006 naar appellant is verzonden, heeft het College het hiervoor genoemd bedrag mede van appellant teruggevorderd. Bij besluit van 20 maart 2007 heeft het College het bezwaar van appellant tegen het besluit van 28 juli 2004 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

20 maart 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant betwist dat hij in de periode in geding een gezamenlijke huishouding met betrokkene heeft gevoerd.

4. De Raad komt, zich beperkend tot het onderwerp van geschil, tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 59, tweede lid, van de Wet werk en bijstand (WWB), voor zover van belang, kunnen de kosten van bijstand, indien de bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven omdat de belanghebbende de inlichtingenverplichting niet of niet behoorlijk is nagekomen, mede worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden.

4.2. Uit hetgeen de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 21 april 2005, LJN AT4385 volgt dat het College vanaf 1 januari 2004 aan artikel 59 van de WWB zijn bevoegdheid ontleent om tot medeterugvordering over te gaan ook voor zover de gemaakte kosten van bijstand betrekking hebben op de periode vóór de (inwerkingtreding van de) WWB.

4.3. Voor de vaststelling dat appellant de persoon is als bedoeld in artikel 59, tweede lid, van de WWB is vereist dat appellant in de periode van 1 juli 1997 tot en met 30 september 1999 met betrokkene een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd.

4.4. Bij uitspraak van de Raad van 18 maart 2008, LJN BC7150, in het geding tussen betrokkene en het College, heeft de Raad geoordeeld dat betrokkene gedurende de periode van 1 juli 1997 tot en met 30 september 1999 een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met appellant en dat zij daarvan in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting aan het College geen mededeling heeft gedaan.

4.5.1. Hetgeen appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht werpt geen ander licht op het onder 4.4 vermelde oordeel, zodat de Raad ook in dit geding tot het oordeel komt dat appellant en betrokkene in de periode in geding een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd.

4.5.2. Appellant heeft aangevoerd dat hij door de politierechter voor hetzelfde feitencomplex is vrijgesproken. Volgens vaste rechtspraak van de Raad is de bestuursrechter in het kader van een bestuursrechtelijke procedure in het algemeen niet gebonden aan het oordeel van de strafrechter, omdat in een strafrechtelijke procedure een ander toetsingskader voorligt en een ander bewijsrecht van toepassing is. De Raad ziet geen bijzondere redenen om hierover in dit geval anders te oordelen. Anders dan appellant meent, zijn de door de getuigen afgelegde verklaringen consistent en eenduidig en hebben zij in de strafrechtelijke procedure niet wezenlijk anders verklaard.

4.5.3. Voorts heeft appellant aangevoerd dat uit de omstandigheid dat hij aan betrokkene giften heeft gedaan omdat zij diep in de schulden zat en haar woning onbewoonbaar was en hij de kosten van de vakanties heeft voldaan niet kan worden afgeleid dat sprake was van wederzijdse zorg. De Raad is evenwel van oordeel dat ook aan het criterium van wederzijdse zorg is voldaan. Appellant heeft niet alleen geholpen met de verbouwing van de woning van betrokkene, maar ook de kosten van deze verbouwing (voor een groot deel) betaald. Uit de tijdens het huisbezoek aan de woning van betrokkene in beslag genomen rekeningen en facturen blijkt dat appellant en betrokkene in de periode van maart 1996 tot medio november 1999 voor een bedrag van circa fl. 118.000,-- hebben uitgegeven aan bouwmaterialen, apparatuur en sieraden. Voorts is gerapporteerd dat uit de tijdens het huisbezoek in beslag genomen foto’s blijkt dat appellant en betrokkene gezamenlijk diverse vakanties in het buitenland hebben doorgebracht, waaronder in de Verenigde Staten van Amerika, Suriname, Italië, Frankrijk en Spanje. Voor de stelling van appellant dat hij de kosten van de gezamenlijke vakanties voor zijn rekening heeft genomen is in de gedingstukken geen steun te vinden, waarbij de Raad in het midden laat of deze stelling niet eerder een bevestiging vormt voor de zorg die appellant voor betrokkene heeft gedragen.

4.6. Gelet op het vorenstaande is de Raad met de rechtbank van oordeel dat appellant en betrokkene in de periode in geding een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd, dat de bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend en dat betrokkene door hiervan aan het College geen mededeling te doen haar inlichtingenverplichting heeft geschonden. Het College was dan ook bevoegd onder toepassing van artikel 59, tweede lid, van de WWB de gemaakte kosten van bijstand mede van appellant terug te vorderen.

4.7. Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 april 2010.

(get.) J.F. Bandringa.

(get.) C. de Blaeij.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

NG