Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM3537

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-04-2010
Datum publicatie
06-05-2010
Zaaknummer
08-1292 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het bestuursorgaand is bevoegd de vergoeding van het sportschoolbezoek in het kader van de bijzondere bijstandsverlening zodanig te normeren dat appellant daarmee in staat moet worden geacht de goedkoopst mogelijke adequate voorziening te treffen. Het recht op bijstandsverlening gedurende de voorbereidingsperiode als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Bbz 2004 is uitsluitend bedoeld voor personen die algemene bijstand ontvangen. Nu vaststaat dat appellant met ingang van 1 januari 2007 geen recht meer heeft op algemene bijstand ingevolge de WWB, is een van de voorwaarden voor voortzetting van het recht op bijstandsverlening gedurende de voorbereidingsperiode komen te vervallen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/1292 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 4 december 2007, 07/276 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het Dagelijks Bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst van de gemeenten Aa en Hunze, Assen en Tynaarlo (hierna: Dagelijks Bestuur).

Datum uitspraak: 22 april 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. van Asperen, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het Dagelijks Bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 maart 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Asperen. Het Dagelijks Bestuur heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant heeft op 10 oktober 2006 bij het Dagelijks Bestuur een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) voor kosten training bij een sportschool op grond van medische indicatie.

1.2. Bij besluit van 11 december 2006 heeft het Dagelijks Bestuur aan appellant bijzondere bijstand ingevolge de WWB in de gevraagde kosten toegekend tot een bedrag van maximaal € 80,-- per kwartaal op declaratiebasis.

1.3. Bij besluit van 21 december 2006 heeft het Dagelijks Bestuur de bijstandsverlening aan appellant in de voorbereidingsperiode als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) beëindigd met ingang van 1 januari 2007.

1.4. Bij besluit van 11 januari 2007 heeft het Dagelijks Bestuur de bijstand ingevolge de WWB van appellant en zijn toenmalige partner [A.] (verder: [A.]) met ingang van 1 januari 2007 beëindigd (lees: ingetrokken) op de grond dat zij over voldoende middelen beschikken.

1.5. Bij besluit van 9 maart 2007 heeft het Dagelijks Bestuur de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 11 december 2006, 21 december 2006 en 11 januari 2007 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 9 maart 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd, voor zover de rechtbank heeft geoordeeld over de besluiten aangaande de toekenning van de bijzondere bijstand en de beëindiging van de voorbereidingsperiode als zelfstandige.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Met betrekking tot de aan appellant verleende bijzondere bijstand overweegt de Raad als volgt.

4.2. In artikel 35, eerste lid, van de WWB is bepaald dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn.

4.3. De Raad stelt vast dat op basis van de rapportage van de GGD-arts P.H. Seldenrath van 5 december 2006, waarin deze stelt dat het regelmatig doen van rompspierversterkende oefeningen voor appellant medisch is geïndiceerd, is geconcludeerd dat appellant tweemaal per week (rompspieren) moet kunnen trainen bij een sportschool. Met betrekking tot het recht op bijzondere bijstand voor de voornoemde kosten is tussen partijen uitsluitend de hoogte van het bedrag van de toegekende bijstand in geschil.

4.4. Het Dagelijks Bestuur is naar het oordeel van de Raad bevoegd de vergoeding van het sportschoolbezoek in het kader van de bijzondere bijstandsverlening zodanig te normeren dat appellant daarmee in staat moet worden geacht de goedkoopst mogelijke adequate voorziening te treffen. De Raad kan appellant daarom niet volgen in zijn visie dat het Dagelijks Bestuur gehouden is de kosten van het bezoek aan de door hem voorafgaand aan de aanvraag om bijzondere bijstand reeds bezochte sportschool te vergoeden. In dit verband wijst de Raad er op dat er geen medische informatie in het geding is gebracht waaruit kan worden afgeleid dat appellant vanwege zijn rugklachten een specifieke training dient te volgen bij de door appellant reeds bezochte sportschool. De Raad merkt daarbij op dat hij voorbijgaat aan de verklaring van appellant ter zitting dat het contract bij de reeds door hem bezochte sportschool niet zonder opzegtermijn kon worden beëindigd, nu deze stelling tardief is ingebracht en bovendien onvoldoende is onderbouwd.

4.5. Bij de vaststelling van de hoogte van de noodzakelijk te achten en voor de bijzondere bijstand in aanmerking komende kosten van het sportschoolbezoek is het Dagelijks Bestuur gekomen tot een bedrag van € 80,-- per kwartaal, welk bedrag was gebaseerd op gegevens van sportscholen in Assen waar appellant de voor hem noodzakelijk geachte trainingen kan volgen. In hetgeen appellant heeft aangevoerd heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om dit standpunt van het Dagelijks Bestuur voor onjuist te houden.

4.6. Met betrekking tot de beëindiging van de voorbereidingsperiode als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Bbz 2004 overweegt de Raad als volgt.

4.7. In artikel 2, derde lid, van het Bbz 2004, voor zover in dit geding van belang, is bepaald dat bijstandsverlening aan een persoon die algemene bijstand ontvangt, die voornemens is een bedrijf of zelfstandig beroep te beginnen en zich in verband hiermee niet beschikbaar stelt voor arbeid in dienstbetrekking, gedurende een voorbereidingsperiode van ten hoogste 12 maanden kan worden voortgezet.

4.8. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank, en de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd, dat het recht op bijstandsverlening gedurende de voornoemde voorbereidingsperiode uitsluitend is bedoeld voor personen die algemene bijstand ontvangen. Nu vaststaat dat appellant met ingang van 1 januari 2007 geen recht meer heeft op algemene bijstand ingevolge de WWB, is een van de voorwaarden voor voortzetting van het recht op bijstandsverlening gedurende de voorbereidingsperiode komen te vervallen. De enkele omstandigheid dat appellant de voorbereidingen om als zelfstandige te gaan werken ten tijde van belang reeds in gang had gezet kan niet leiden tot een andersluidende conclusie. De Raad komt tot de slotsom dat het Dagelijks Bestuur niet bevoegd was appellant met ingang van 1 januari 2007 bijstand te verlenen gedurende de in artikel 2, derde lid, van het Bbz 2004 bedoelde voorbereidingsperiode, zodat de bijstandsverlening terecht is beëindigd.

4.9. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en R. Kooper en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 april 2010.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) R.L.G. Boot.

NK