Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM3515

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-03-2010
Datum publicatie
06-05-2010
Zaaknummer
09-1660 AWBZ + 09-2230 AWBZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De vaststelling van de eigen bijdrage AWBZ voor in een bepaalde periode genoten thuiszorg, zoals in dit geval in de eerste periode van vier weken van 2006, is een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Ingevolge de artikelen 3:46 en 7:12, eerste lid, van de Awb dient een besluit respectievelijk een besluit op bezwaar deugdelijk te worden gemotiveerd. In het besluit tot vaststelling van de eigen bijdrage dient dan ook inzichtelijk te worden gemaakt hoe de eigen bijdrage is berekend. Bezwaar ten onrechte (kennelijk) niet-ontvankelijk verklaard. In het kader van de finale geschilbeslechting verklaart de Raad het bezwaar ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/1660 AWBZ

09/2230 AWBZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 18 februari 2009, 08/419 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen

appellant

en

Delta Lloyd Zorgverzekering N.V., gevestigd te ‘s-Gravenhage, (hierna: Delta Lloyd)

Datum uitspraak: 24 maart 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Delta Lloyd heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben daarna nog enkele stukken ingestuurd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2010, waar appellant is verschenen en Delta Lloyd zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. S.A.M. Clijsen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant ontving ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna: AWBZ) in 2006 zorg zonder verblijf (hierna: thuiszorg).

1.2. Bij besluit van 6 maart 2006 heeft het Centraal Administratie Kantoor Bijzondere Zorgkosten b.v. (hierna: CAK) de maximale eigen bijdrage die appellant voor deze thuiszorg is verschuldigd, vastgesteld op € 104,68 per periode van vier weken.

1.3. Bij factuur van eveneens 6 maart 2006 heeft CAK appellant € 60,-- aan eigen bijdrage in rekening gebracht voor 5 uur thuiszorg, verleend in periode 1 van 2006.

1.4. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de vaststelling van de maximale eigen bijdrage en tegen de factuur van 6 maart 2006. Appellant maakt onder meer bezwaar tegen het ontbreken van een specificatie van de uren zorg per dag(deel), als gevolg waarvan hij de in het weektotaal opgenomen uren niet kan controleren.

1.5. Op 10 april 2006 heeft CAK appellant een correctiefactuur toegestuurd, waarbij de maximale eigen bijdrage voor thuiszorg is gesteld op € 16,40 per periode van vier weken in 2006. Dit resulteert erin dat appellant voor periode 1 van 2006 € 16,40 aan eigen bijdrage is verschuldigd in plaats van de eerder vermelde € 60,--.

1.6. Op 25 januari 2008 heeft de Centrale Adviescommissie Eigen Bijdrage Thuiszorg (hierna: de adviescommissie) advies uitgebracht. Het specificeren van de uren zorg merkt de adviescommissie aan als een feitelijke handeling en niet als een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). De adviescommissie adviseert Delta Lloyd daarom het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren.

1.7. Bij besluit van 17 maart 2008, namens Delta Lloyd ondertekend door [H.], is het bezwaar van appellant onder verwijzing naar het advies van de adviescommissie van 25 januari 2008 niet-ontvankelijk verklaard. Terzijde is opgemerkt dat het CAK uitsluitend de aard van de verleende zorg per week kan specificeren. Voor informatie over het aantal uren verleende zorg per dag(deel) dient door appellant contact opgenomen te worden met de zorginstelling.

2.1. Appellant heeft tegen het besluit van 17 maart 2008 beroep ingesteld. Hij heeft aangevoerd dat dit besluit onbevoegd is genomen en dat het bezwaar de vaststelling van de hoogte van de eigen bijdrage betreft. Appellant kan deze vaststelling niet controleren, nu het aantal zorguren niet naar dag(deel) op de facturen is gespecificeerd. Voorts heeft appellant aangevoerd dat hij ten onrechte niet is gehoord.

2.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met een bepaling over het griffierecht - het beroep gegrond verklaard, het besluit van 17 maart 2008 vernietigd en Delta Lloyd opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar van appellant te nemen. Aan de vernietiging van het besluit ligt ten grondslag dat naar het oordeel van de rechtbank niet is komen vast te staan dat het bestreden besluit bevoegd is genomen. De rechtbank is voorts van oordeel dat Delta Lloyd het bezwaar van appellant terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, nu het specificeren van uren per week niet is gericht op rechtsgevolg. Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat terecht geen hoorzitting heeft plaatsgevonden, nu het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is.

3. Appellant heeft in hoger beroep de aangevallen uitspraak bestreden, voor zover daarbij een oordeel is gegeven over de ontvankelijkheid van het bezwaar en het horen van appellant in de bezwaarprocedure. Zijn bezwaar was gericht tegen de factuur van CAK, die als een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb moet worden aangemerkt. Zijn bezwaar is ten onrechte kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, zodat ook ten onrechte ervan is afgezien om hem te horen.

3.1. Bij besluit van 10 maart 2009 heeft mr. M. van Hassel namens Delta Lloyd het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk verklaard. De inhoud van het besluit is gelijk aan het besluit van 17 maart 2008.

3.2. Appellant betwist dat Van Hassel bevoegd was om namens Delta Lloyd te beslissen op zijn bezwaar, omdat het mandaatbesluit van 20 januari 2009 - waarop die bevoegdheid zou berusten - is getekend door [L.] in de hoedanigheid van voorzitter van de Raad van bestuur van Delta Lloyd, terwijl [v.d. M.] blijkens het polisblad van 31 oktober 2009 (nog steeds) voorzitter van de Raad van bestuur van Delta Lloyd zou zijn. Appellant stelt schade te hebben geleden door deze herhaalde fouten in de bevoegdheid en hij verzoekt om toekenning van een - symbolische - schadevergoeding.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Het hoger beroep van appellant is gericht tegen de oordelen van de rechtbank over de ontvankelijkheid van zijn bezwaar en over de vraag of hij in de bezwaarprocedure gehoord had moeten worden.

Ontvankelijkheid

4.2. De vaststelling van de eigen bijdrage AWBZ voor in een bepaalde periode genoten thuiszorg, zoals in dit geval in de eerste periode van vier weken van 2006, is een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Ingevolge de artikelen 3:46 en 7:12, eerste lid, van de Awb dient een besluit respectievelijk een besluit op bezwaar deugdelijk te worden gemotiveerd. In het besluit tot vaststelling van de eigen bijdrage dient dan ook inzichtelijk te worden gemaakt hoe de eigen bijdrage is berekend. Aangezien voor de vaststelling van de eigen bijdrage voor thuiszorg van belang is hoeveel uren zorg in die periode is geboden, behoort de vermelding van het aantal uren zorg tot de motivering van het besluit tot vaststelling van de eigen bijdrage. Delta Lloyd heeft in het primaire besluit volstaan met een vermelding van het aantal genoten uren zorg per week. Nu appellant in bezwaar ter controle van de hoogte van de opgelegde eigen bijdrage gevraagd heeft om een nadere specificatie per dag(deel), kon Delta Lloyd er niet mee volstaan appellant voor inlichtingen te verwijzen naar de zorgverlener, maar behoorde zij in het besluit op bezwaar te vermelden om welke uren zorg het gaat, waarbij een specificatie van uren zorg per dag(deel) en zorgverlenende instantie noodzakelijk is. Het bezwaar van appellant betreft, gelet op het voorgaande, niet een verzoek om feitelijke verstrekking van een specificatie die los kan worden gezien van het besluit tot vaststelling van de eigen bijdrage, maar de grief dat het besluit tot vaststelling van de eigen bijdrage onvoldoende is gemotiveerd. Nu dit bezwaar is gericht tegen het besluit van 6 maart 2006, en op grond van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb mede gericht moet worden geacht tegen het besluit van 10 april 2006, heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat Delta Lloyd het bezwaar tegen die besluiten terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard op de grond dat het bezwaar niet is gericht tegen een besluit in de zin van artikel 1:3 de Awb.

Horen

4.3. Het voorgaande impliceert dat er ook geen sprake is van een situatie van kennelijk niet-ontvankelijk verklaren als bedoeld in artikel 7:3, aanhef en onder a, van de Awb, zodat op die grond niet van het horen van appellant mocht worden afgezien.

Conclusie in het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak

4.4. Hetgeen is overwogen in 4.2 en 4.3 houdt in dat de gronden die appellant heeft aangevoerd tegen de aangevallen uitspraak juist zijn. Deze uitspraak komt daarom, voor zover aangevochten, voor vernietiging in aanmerking.

Beoordeling besluit op bezwaar van 10 maart 2009

4.5.1. Op 10 maart 2009 heeft Delta Lloyd ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank een nieuw besluit op bezwaar genomen. De Raad merkt dit besluit aan als een besluit dat op de voet van de artikelen 6:18, 6:19, eerste lid en 6:24 van de Awb mede in de beoordeling moet worden betrokken.

4.5.2. In dit nieuwe besluit heeft Delta Lloyd het bezwaar wederom - en op dezelfde grond als in het besluit van 1 maart 2008 - kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Zoals uit 4.2 en 4.3 volgt, is dit niet juist. Het beroep tegen dit besluit is gegrond en het besluit komt voor vernietiging in aanmerking.

Finale geschilbeslechting

4.6. De Raad zal onderzoeken of er termen aanwezig zijn om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit van 10 maart 2009 in stand zullen blijven.

4.6.1. Ter zitting heeft appellant meegedeeld dat hij in de periode waar het geding over gaat, de eerste vier weken van 2006, niet heeft bijgehouden hoeveel zorg hij heeft gekregen. Er kwam naar zijn zeggen elke dag een zorgverlener, die tien minuten tot een kwartier per keer zorg bood, wellicht was dit volgens appellant zelfs twee keer per dag het geval. Dit komt globaal genomen overeen met ten minste het aantal van vijf uur dat op de factuur van 10 april 2006 staat vermeld.

4.6.2. Het uurtarief voor de thuiszorg in 2006 bedroeg € 12,-- en de maximale eigen bijdrage voor appellant in de eerste periode van vier weken in 2006 bedroeg blijkens het besluit van 10 april 2006 € 16,40. Dit heeft tot gevolg dat, wanneer er in die periode van vier weken meer uren zorg dan in totaal één uur en 22 minuten aan appellant is verleend, dit geen invloed meer heeft op de hoogte van de eigen bijdrage die appellant over die periode verschuldigd is. Dat hij minder dan één uur en 22 minuten zorg ontvangen heeft in de periode van vier weken die hier in geding is, is gelet op hetgeen appellant daarover zelf heeft meegedeeld (zie 4.6.3), onaannemelijk. De Raad is dan ook van oordeel dat het bezwaar van appellant niet tot een ander besluit dan dat van 10 april 2006 kan leiden, zodat het bezwaar tegen dat besluit ongegrond wordt verklaard.

Schade en proceskosten

4.7. De Raad wijst het verzoek om een (symbolische) schadevergoeding af, nu dit geenszins is onderbouwd.

4.8. De Raad ziet aanleiding om Delta Lloyd te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op op € 34,44 in hoger beroep voor reiskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het besluit op bezwaar van 10 maart 2009 gegrond;

Vernietigt het besluit op bezwaar van 10 maart 2009;

Verklaart het bezwaar van appellant tegen het besluit van 6 maart 2006 niet-ontvankelijk;

Verklaart het bezwaar van appellant tegen het besluit van 10 april 2006 ongegrond;

Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af;

Veroordeelt Delta Lloyd in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 34,44;

Bepaalt dat Delta Lloyd aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 149,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en G.M.T. Berkel-Kikkert en H.C.P. Venema als leden, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2010.

(get.) R.M. van Male.

(get.) M. Pijper.

BvW