Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM3513

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-04-2010
Datum publicatie
06-05-2010
Zaaknummer
08-657 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenningsbesluit met vermogensvaststelling is op rechtsgevolg gericht; nadere vermogensvaststelling voor bezwaar/ beroep vatbaar indien niet eerder aangevochten; oorspronkelijke vermogensvaststelling vertrekpunt.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand 34
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2010, 137
RSV 2010/170
AB 2010/196
USZ 2010/177
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/657 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 14 december 2007, 07/1148 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Leudal (hierna: College)

Datum uitspraak: 27 april 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.A.W.M. Vogels, advocaat te Roermond, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 maart 2010. Voor appellant is verschenen mr. Vogels. Het College heeft zich, met voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Aan appellant is bij besluit van 24 mei 2005 met ingang van 2 mei 2005 algemene bijstand toegekend ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Bij datzelfde besluit is het vermogen van appellant vastgesteld op € 849,45. Tegen dat besluit heeft appellant geen bezwaar gemaakt.

1.2. Op 25 oktober 2006 heeft appellant uit een nalatenschap een bedrag van € 62.422,09 ontvangen. Het College heeft hierin aanleiding gevonden bij besluit van 6 februari 2007 de bijstand van appellant met ingang van 1 januari 2007 te beëindigen (lees: in te trekken), de bijstand over de periode van 25 oktober 2006 tot en met 31 december 2006 in te trekken en de gemaakte kosten van bijstand over die periode tot een bedrag van € 2.457,21 van hem terug te vorderen. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellant ten tijde in geding beschikte over een vermogen dat de grens van het vrij te laten vermogen te boven ging.

1.3. Bij besluit van 6 juli 2007 heeft het College de tegen het besluit van 6 februari 2007 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat het eerder vastgestelde vermogen van € 849,45 op 25 oktober 2006 is toegenomen tot € 63.271,54. Voorts is op dat bedrag in mindering gebracht een - door de kantonrechter vastgestelde - vordering van € 5.667,32 alsmede het resterende bedrag aan vrij te laten vermogen van € 4.330,55, zodat een in aanmerking te nemen vermogen resteert van € 53.273,67.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 6 juli 2007 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank onder meer overwogen dat de terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand dient te worden gebaseerd op artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd. Daartoe is - samengevat - aangevoerd dat de vermogensvaststelling in 2005 niet onherroepelijk is, dat het College de vermogensvaststelling zelf in 2006 heeft herzien, dat de gestelde schulden voldoende aannemelijk zijn gemaakt en dus hadden moeten worden gesaldeerd en dat de bijstand ten onrechte is ingetrokken en teruggevorderd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt eerst, ambtshalve, vast dat de rechtbank haar oordeel heeft gebaseerd op een door het College niet aan het besluit van 6 juli 2007 ten grondslag gelegde terugvorderingsgrond. Naar vaste rechtspraak van de Raad verdraagt het zich niet met de in artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde afbakening van de omvang van het geding dat de bestuursrechter in het kader van de toetsing van het in beroep bestreden besluit de grondslag van dat besluit uitbreidt. Voor zover de rechtbank heeft beoogd aldus toepassing te geven aan artikel 8:69, tweede lid, van de Awb, wijst de Raad erop dat deze bepaling ziet op het ambtshalve aanvullen van de rechtsgronden van het beroep en dus niet op (de motivering van) het in beroep bestreden besluit. De Raad ziet hierin, mede gelet op het gegeven dat artikel 8:69, eerste lid van de Awb van openbare orde is, aanleiding de aangevallen uitspraak te vernietigen en te doen wat de rechtbank zou behoren te doen.

4.2. De Raad stelt voorop dat het besluit van 24 mei 2005, waarbij aan appellant met ingang van 2 mei 2005 algemene bijstand is toegekend en waarin tevens het vermogen van appellant op € 849,45 is vastgesteld, op rechtsgevolg is gericht. Uit deze vermogensvaststelling vloeit enerzijds voort dat geen beletsel voor bijstandsverlening aanwezig is, anderzijds vormt deze vermogensvaststelling bij eventuele vermogenstoeval in de toekomst - tijdens dezelfde ononderbroken bijstandsperiode - het vertrekpunt bij de beantwoording van de vraag of en in hoeverre dat eventueel later nog te ontvangen vermogen wordt vrijgelaten. In dit geval is dat beperkt tot het verschil tussen € 849,45 en de toentertijd toepasselijke vermogensgrens.

4.3. Anders dan de rechtbank en het College is de Raad verder, in lijn met zijn uitspraak van 30 september 2009, LJN BJ7053, van oordeel dat degene die, na een eerste vaststelling van het vermogen op een bedrag beneden de vermogensgrens, voor bijstand in aanmerking wordt gebracht - en op dat moment dus slechts een relatief belang heeft bij het aanvechten van de precieze vaststelling van dat vermogen -, en die geen bezwaar heeft gemaakt tegen het toekenningsbesluit waarin de vermogensvaststelling is neergelegd, niet het recht kan worden ontzegd op een later tijdstip wanneer het vermogen toeneemt en het belang van de vermogensvaststelling manifest wordt, in bezwaar en beroep de nieuwe vermogensvaststelling ten volle aan de orde te laten stellen, zonder tegengeworpen te krijgen dat hij niet eerder tegen de vermogensvaststelling bezwaar heeft gemaakt. De Raad overweegt daartoe dat het, in aanmerking genomen het relatieve belang van de bijstandsgerechtigde om op te komen tegen de eerdere vermogensvaststelling tegenover het belang van de rechtszekerheid van het bestuursorgaan, niet met een evenwichtige en zorgvuldige belangenafweging verenigbaar is dat aan degene de omstandigheid dat hij voor kortere of langere tijd erin heeft berust dat de vermogensvaststelling niet of niet geheel juist was ook voor de toekomst blijvend zou kunnen worden tegengeworpen.

4.4. Uit het voorgaande vloeit voort dat indien het College - na eerdere vaststelling van het vermogen - op een later moment, dan in het besluit waarin wordt vastgesteld dat het vermogen beneden de in acht te nemen vermogensgrens ligt en waarin algemene bijstand wordt toegekend, het vermogen op een ander bedrag vaststelt of het vastgestelde vermogen handhaaft, ook die vaststelling of handhaving ter toetsing aan de bestuursrechter kan worden voorgelegd. Daarbij ligt het naar het oordeel van de Raad wel in de rede de oorspronkelijke vaststelling van de vermogenspositie van de betrokkene als uitgangspunt te nemen, en ligt het dus in beginsel op de weg van betrokkene aannemelijk te maken dat deze vaststelling onjuist is.

4.5. Toegepast op de situatie van appellant betekent dit het volgende. Het College heeft bij de nieuwe vermogensvaststelling als uitgangspunt genomen het bij besluit van 24 mei 2005 vastgestelde bedrag van € 849,45 en een inmiddels vastgestelde schuld van € 5.667,32. Appellant stelt dat hij een veel groter negatief vermogen had. De Raad deelt het standpunt van het College dat van andere in aanmerking te nemen schulden of negatieve vermogensbestanddelen niet is gebleken. Voor zover appellant heeft willen betogen dat ten onrechte een bedrag van € 125.000,-- niet is meegenomen, kan de Raad hem niet volgen. Appellant is immers in gebreke gebleven zijn stellingen dienaangaande met objectieve verifieerbare gegevens te onderbouwen. Zo ontbreekt een akte of overeenkomst ten aanzien van de gestelde leenschulden, is de identiteit van de gestelde geldleners niet bekend gemaakt, is geen bewijs geleverd van ter hand gestelde of overgemaakte bedragen en evenmin van gestelde terugbetalingen op 16 respectievelijk 23 november 2006 van bedragen van € 15.500,-- respectievelijk € 40.000,--. Het College was derhalve gerechtigd na de vermogenstoeval uit hoofde van een nalatenschap bij de vaststelling van het vermogen uit te gaan van € 849,45, daarbij op te tellen het bedrag van € 62.422,09 (als aandeel in de nalatenschap) en daarop in mindering te brengen de door de kantonrechter vastgestelde vordering van € 5.667,32 alsmede het resterend bedrag aan vrij te laten vermogen. Een en ander betekent dat appellant in de hier ter beoordeling staande periode van 25 oktober 2006 tot en met 6 februari 2007, de datum van het primaire intrekkingsbesluit, beschikte over een vermogen dat de grens van het vrij te laten vermogen ruimschoots te boven ging.

4.6. Het College was derhalve bevoegd met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder b, van de WWB over te gaan tot intrekking van de bijstand met ingang van 25 oktober 2006. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid tot intrekking van de bijstand heeft kunnen besluiten.

4.7. Daarmee is tevens voldaan aan de voorwaarde voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB, zodat het College de bevoegdheid toekwam de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 25 oktober 2006 tot en met 31 december 2006 van appellant terug te vorderen. In hetgeen door appellant is aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van de bevoegdheid gebruik heeft gemaakt om over te gaan tot volledige terugvordering.

4.8. Het voorgaande betekent dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd en dat het beroep tegen het besluit van 6 juli 2007 op andere gronden ongegrond dient te worden verklaard.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond;

Bepaalt dat het College het door appellant in hoger beroep betaalde griffierecht van € 106,-- aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en R.H.M. Roelofs en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 april 2010.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) C. de Blaeij.

NG