Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM3471

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-04-2010
Datum publicatie
06-05-2010
Zaaknummer
08-1430 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hernieuwde aanvraag bijstandsuitkering afgewezen op de grond dat appellant niet heeft kunnen aantonen dat hij zijn hoofdverblijf ten tijde in geding wel op het door hem opgegeven adres had. Daarmee voldeed appellant niet aan de vereisten om voor bijstand in aanmerking te komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/1430 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 31 januari 2008, 07/1354 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Winterswijk (hierna: College)

Datum uitspraak: 20 april 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F.J.M. Kobossen, advocaat te Apeldoorn, hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met dat in de zaak met het reg. nr. 08/1331 WWB en 09/6352 WWB, plaatsgevonden op 9 maart 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Kobossen. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving vanaf 8 november 1996 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Bij besluit van 23 november 2006, zoals nadien gewijzigd en voor zover van belang, is de bijstand met ingang van 8 november 1996 ingetrokken op de grond dat appellant niet daadwerkelijk woonachtig is en was op de door hem aan het College opgegeven adressen waardoor het recht op bijstand vanaf 8 november 1996 niet kan worden vastgesteld. Bij zijn uitspraak van heden in het geding met het reg. nr. 08/1331 WWB en 09/6352 WWB heeft de Raad de intrekking van de bijstand in rechte gehandhaafd.

1.2. Op 26 januari 2007 heeft appellant een aanvraag om bijstand ingevolge de WWB ingediend. Bij besluit van 23 februari 2007 heeft het College deze aanvraag afgewezen.

1.3. Het tegen het besluit van 23 februari 2007 gemaakte bezwaar heeft het College bij besluit van 2 augustus 2007 ongegrond verklaard, met verwijzing naar artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen over het griffierecht en de proceskosten, het beroep tegen het besluit van 2 augustus 2007 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.

3. Appellant heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover daarbij is bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Volgens vaste rechtspraak van de Raad bestrijkt de te beoordelen periode in geval van een aanvraag om bijstand in beginsel de periode vanaf de datum van de aanvraag tot en met de datum van het primaire besluit. Dat betekent dat in dit geval de te beoordelen periode loopt van 26 januari 2007 tot en met 23 februari 2007.

4.2. Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen ligt het, indien een periodieke bijstanduitkering is beƫindigd of ingetrokken, in geval van een aanvraag gericht op het verkrijgen van bijstand met ingang van een later gelegen datum, op de weg van de aanvrager om aan te tonen dat er sprake is van een wijziging in de omstandigheden in die zin dat hij nu wel voldoet aan de vereisten om voor bijstand in aanmerking te komen.

4.3. Appellant is daarin naar het oordeel van de Raad niet geslaagd. Appellant heeft blijkens de stukken bij het indienen van zijn aanvraag bij het Centrum voor Werk en Inkomen aangegeven dat zijn omstandigheden niet anders zijn dan in november 2006, toen het besluit tot intrekking van de bijstand werd genomen. In het rapport van 20 februari 2007, dat is opgemaakt naar aanleiding van een gesprek met appellant op 14 februari 2007 omtrent zijn aanvraag om bijstand, is vermeld dat appellant inmiddels een koelkast en een slaapbank heeft aangeschaft. Naar het oordeel van de Raad is daarmee niet aangetoond dat appellant zijn hoofdverblijf ten tijde in geding wel had op het door hem opgegeven adres en voldeed aan de vereisten om voor bijstand in aanmerking te komen. De aanvraag om bijstand is dan ook terecht afgewezen.

4.4. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en J.M.A. van der Kolk-Severijns en E.J.M. Heijs als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 april 2010.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) N.M. van Gorkum.

IJ