Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM3447

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-05-2010
Datum publicatie
06-05-2010
Zaaknummer
10 - 1814 AW-VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening. Verzoeker geeft blijk van een instelling die niet past bij de bijzondere functie van een politieambtenaar. Verbeterkans was niet zinvol omdat bij verzoeker de grondhouding ontbreekt om de functie op de gewenste wijze te vervullen. Ook acht de voorzieningenrechter van belang dat verzoeker is gewaarschuwd om niet meer voortijdig de dienst te verlaten. Dit heeft er echter niet toe geleid dat verzoeker niet nogmaals de dienst voortijdig heeft verlaten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/1814 AW-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van:

[verzoeker], wonende te [woonplaats], (hierna: verzoeker),

in verband met het hoger beroep van:

verzoeker

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 20 oktober 2009, 09/1832, (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

verzoeker

en

de Korpsbeheerder van de politieregio Gelderland-Midden (hierna: korpsbeheerder)

Datum uitspraak: 3 mei 2010

I. PROCESVERLOOP

Zowel verzoeker als de korpsbeheerder hebben hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft de korpsbeheerder op 16 december 2009 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.

Verzoeker heeft een verzoek om voorlopige voorziening gedaan ten aanzien van dat besluit.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 april 2010. Verzoeker is ter zitting verschenen, bijgestaan door mr. S.G. Volbeda, advocaat te Arnhem. De korpsbeheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.G. Haverkamp, werkzaam bij de politieregio Gelderland-Midden.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Verzoeker was werkzaam bij de politieregio Gelderland-Midden, laatstelijk als medewerker basis politiezorg A. Naar aanleiding van geruchten over het tegen betaling informeren van criminelen is een onderzoek gestart naar mogelijk door verzoeker gepleegde strafbare feiten. Daarnaast is de korpsbeheerder een disciplinair onderzoek gestart naar vermoedelijk door verzoeker gepleegd plichtsverzuim.

1.2. Bij brief van 3 juni 2008 heeft de korpsbeheerder het voornemen aan verzoeker kenbaar gemaakt hem wegens plichtsverzuim de straf van ontslag op te leggen. Verzoeker heeft hiertegen een zienswijze naar voren gebracht. Daarbij heeft verzoeker verklaringen van derden gevoegd. In verband daarmee is door de korpsbeheerder een nader onderzoek ingesteld. Bij besluit van 12 september 2008 heeft de korpsbeheerder verzoeker per die datum op grond van artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, van het Besluit algemene rechtspositie politie (hierna: Barp) de straf van ontslag opgelegd.

1.3. Bij besluit van 24 maart 2009 heeft de korpsbeheerder het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van verzoeker tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de korpsbeheerder opdracht gegeven om een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. De rechtbank heeft daartoe - kort samengevat - overwogen dat verzoeker zich wel schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim, maar dat niet sprake is geweest van een plichtsverzuim van zodanige aard of ernst dat verzoeker niet meer als politieman kan worden gehandhaafd. Verzoeker en de korpsbeheerder hebben tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld.

2.1. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft de korpsbeheerder bij besluit van 16 december 2009 het bezwaar tegen het besluit van 12 september 2008 wederom ongegrond verklaard. De korpsbeheerder heeft verzoeker per dezelfde datum opnieuw ontslag verleend, dit keer op grond van artikel 94, eerste lid, aanhef en onder g, van het Barp wegens ongeschiktheid anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken. De korpsbeheerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat verzoeker niet blijkt te beschikken over eigenschappen, mentaliteit en instelling die nodig zijn voor het uitoefenen van de functie van politieambtenaar. Verzoeker kan zich ook met dit besluit niet verenigen en heeft hiertegen beroep ingesteld. In verband daarmee heeft hij het verzoek gedaan tot het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek strekt ertoe de werking van het besluit van 16 december 2009 te schorsen, tot het moment waarop door de Raad in de hoofdzaak uitspraak is gedaan.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen naar voren hebben gebracht, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

3.1. Ingevolge artikel 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Ook indien, zoals in dit geval, in een aanhangig hoger beroep met overeenkomstige toepassing van artikel 6:19 van de Awb - naar alle waarschijnlijkheid - mede betrokken zal worden een ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen nieuw besluit waarmee niet is tegemoetgekomen aan het bezwaar van de belanghebbende, kan ter zake van dat besluit de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen.

3.2. Het besluit van 16 december 2009 is genomen ter uitvoering van de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak dient, nu ter zake geen schorsende werking is verzocht, bij de beoordeling van het onderhavige verzoek als een gegeven te worden beschouwd. Ter beoordeling staat dan of het in redelijke mate waarschijnlijk is dat het nieuwe besluit in rechte geen stand houdt. Daarbij wordt opgemerkt dat het oordeel hierover een voorlopig karakter draagt en niet bindend is voor de uitspraak van de Raad in de hoofdzaak.

3.3. Gelet op de (financiële) situatie van verzoeker is de voorzieningenrechter van oordeel dat sprake is van voldoende spoedeisend belang.

3.4. Verzoeker heeft aangevoerd dat de aangevallen uitspraak geen ruimte laat voor het nemen van een nieuw ontslagbesluit. De voorzieningenrechter kan dit standpunt van verzoeker niet volgen. Dat de rechtbank het strafontslag onevenredig achtte brengt, anders dan verzoeker meent, niet mee dat ter uitvoering van die uitspraak slechts zou kunnen worden besloten tot een lichtere disciplinaire straf dan ontslag en dat niet meer op een andere grond tot ontslag zou kunnen worden overgegaan. Ook verzoekers standpunt dat niet van dezelfde ontslagdatum mag worden uitgegaan, volgt de voorzieningenrechter niet. Volgens vaste rechtspraak is het in principe geoorloofd om de oorspronkelijke ingangsdatum van het ontslag te handhaven, indien die handhaving de toetsing aan het geschreven en ongeschreven recht kan doorstaan, waarbij met name valt te denken aan de beginselen van rechtszekerheid en zorgvuldigheid. Nu verzoeker sinds eind 2007 geen werkzaamheden meer heeft verricht voor de korpsbeheerder en hij nergens uit heeft kunnen afleiden dat het dienstverband zou worden hersteld, is de voorzieningenrechter van oordeel dat, indien het ongeschiktheidsontslag op voldoende gronden berust, de oorspronkelijke ontslagdatum mocht worden gehandhaafd (CRvB 25 mei 2006, LJN AX8564 en TAR 2006/151).

3.5. Volgens vaste rechtspraak van de Raad moet ongeschiktheid - zich uitend in het ontbreken van eigenschappen, mentaliteit en instelling die voor het op goede wijze vervullen van de functie vereist zijn - worden aangetoond aan de hand van concrete gedragingen van de ambtenaar. De korpsbeheerder heeft ter zitting van de voorzieningenrechter toegelicht dat hier met name van belang is geacht het door verzoeker verstrekken van informatie aan derden, het gebruiken van de politietransponder voor privédoeleinden en het naar eigen inzicht de dienst verlaten.

3.6. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter mag van een politieambtenaar worden verwacht dat hij vertrouwelijke informatie niet zal openbaren aan anderen dan aan hen, aan wie hij volgens de wet of ambtshalve tot mededeling verplicht is. Systemen die de politie ter beschikking staan ter uitoefening van de dienst mogen dan ook niet worden aangewend voor privézaken of derden. Uit de stukken blijkt niettemin dat verzoeker vertrouwelijke informatie heeft verstrekt aan derden. In het geval van ex-collega Nuyten heeft verzoeker dit ook toegegeven. Verzoeker is van mening dat hem dit niet kan worden aangerekend, nu hij in de veronderstelling verkeerde dat [naam] nog werkzaam was als politieambtenaar. Deze verklaring acht de voorzieningenrechter, gelet op het gegeven dat zij goede bekenden waren en [naam] sinds 2004 niet meer als politieambtenaar werkzaam is, niet geloofwaardig. Ook uit het verstrekken van informatie aan de heer Aati blijkt dat verzoeker niet heeft gehandeld conform de richtlijnen. Verder is komen vast te staan dat verzoeker ook veelvuldig de politiesystemen voor privédoeleinden heeft aangewend. Dit blijkt onder andere uit het zoeken op de term “waterverkeer”. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter moet verzoeker beseffen dat een behoorlijk functionerend politieambtenaar dit behoort na te laten. De verklaring van verzoeker dat hij met zijn waterscooter wel eens ‘bekenden’ van de politie tegenkomt die hij dan met het oog op lopende zaken natrekt in het politiesysteem, is daarvoor ontoereikend.

3.7. Uit de stukken blijkt voorts dat verzoeker de politietransponder heeft gebruikt om met eigen auto voor privédoeleinden de afgesloten binnenstad van Arnhem in te rijden. Verzoeker heeft ook toegegeven dat hij de transponder daarvoor enkele keren heeft gebruikt. Duidelijk is dat verzoeker nooit toestemming heeft gekregen om de transponder onder zich te houden dan wel om deze privé te gebruiken. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter had verzoeker moeten weten dat transponders uitsluitend mogen worden ingezet voor politiediensten en dat privégebruik slechts bij hoge uitzondering is toegestaan. Dat een collega daarvoor wel gebruik heeft gemaakt van een transponder, maakt dit niet anders nu deze collega aan zijn leidinggevende om toestemming heeft gevraagd en de transponder direct na gebruik heeft teruggebracht. De verklaring van verzoeker dat hij ook om andere redenen toegang tot de binnenstad heeft en daarvoor ook een pasje van een vriend kon gebruiken, doet aan de handelwijze van verzoeker niet af.

3.8. Voorts is de voorzieningenrechter van oordeel dat uit de diverse verklaringen voldoende naar voren is gekomen dat verzoeker naar eigen inzicht de dienst heeft verlaten. Wat er ook zij van de verklaring van verzoeker dat hij tijdens het theedrinken thuis zijn helm heeft gerepareerd, duidelijk is dat hij zonder toestemming daarvoor tijdens de dienst het werkgebied heeft verlaten. Dat verzoeker het voorstel om tijdens de dienst buiten het werkgebied een auto te gaan bekijken niet heeft doorgezet kan zo zijn, maar reeds het doen van dit voorstel laat zien hoe verzoeker omgaat met zijn taak als politieambtenaar. Dat blijkt te meer uit het verlaten van de dienst in de nacht van 17 op 18 november 2007. Uit de stukken komt duidelijk naar voren dat verzoeker al voorafgaand aan de dienst voornemens was de dienst eerder te verlaten omdat hij plannen had om uit te gaan in Nijmegen. Ook blijkt dat verzoeker geen andere dienst wilde draaien. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter bevestigt dit het beeld van een politieambtenaar die zelf uitmaakt hoe hij zijn werk wil invullen. Dat het naar eigen inzicht de dienst verlaten niet is toegestaan, was verzoeker bekend nu hij naar aanleiding van het verlaten van de dienst in juni 2007 al een waarschuwing had ontvangen.

3.9. De korpsbeheerder heeft ter zitting van de voorzieningenrechter nog toegelicht dat verzoeker vaak uitgaat in horecagelegenheden in Arnhem, waarbij het niet altijd duidelijk is of hij daarvoor entree betaalt. De voorzieningenrechter onderschrijft het standpunt van de korpsbeheerder dat daarbij de vraag kan worden gesteld of het verstandig is om als politieambtenaar uit te gaan in cafés en discotheken in het eigen werkgebied en daar mogelijk geen entree voor te betalen.

3.10. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de korpsbeheerder, gelet op voornoemde gedragingen, voldoende feitelijk heeft onderbouwd dat verzoeker blijk geeft van een instelling die niet past bij de bijzondere functie van een politieambtenaar. Van een dergelijke functionaris moet en kan namelijk verwacht worden dat de integriteit boven elke twijfel verheven is. Nu verzoeker door zijn handelwijze daar onvoldoende rekenschap van heeft gegeven, heeft de korpsbeheerder kunnen concluderen dat verzoeker niet beschikt over de eigenschappen, mentaliteit en instelling die nodig zijn voor een politieambtenaar, zodat sprake is van ongeschiktheid in de zin van artikel 94, eerste lid, aanhef en onder g, van het Barp.

3.11. Een ontslag wegens ongeschiktheid is in het algemeen niet mogelijk als de ambtenaar niet in de gelegenheid is gesteld het functioneren te verbeteren. Dit is anders indien de ambtenaar dusdanig blijk heeft gegeven niet over de vereiste eigenschappen, mentaliteit of instelling te beschikken dat gesteld kan worden dat het bieden van een verbeterkans niet zinvol is (CRvB 6 juni 2008, LJN BD5395 en TAR 2009, 8). De voorzieningenrechter is met de korpsbeheerder van oordeel dat gelet op voornoemde feiten en omstandigheden een verbeterkans niet zinvol was, omdat bij verzoeker de grondhouding ontbreekt om de functie op de gewenste wijze te vervullen. Dat verzoeker goede functioneringsgesprekken heeft gehad, leidt niet tot een ander oordeel. Uit de stukken blijkt dat de leidinggevende van verzoeker pas op het moment van het disciplinair onderzoek bekend is geworden met het gedrag van verzoeker. Ook acht de voorzieningenrechter van belang dat verzoeker al in juni 2007 is gewaarschuwd om niet meer voortijdig de dienst te verlaten. Dit heeft er echter niet toe geleid dat verzoeker niet nogmaals de dienst voortijdig heeft verlaten.

4. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het dan ook in redelijke mate waarschijnlijk dat het besluit van 16 december 2009 in stand zal blijven. Dit betekent dat het verzoek om dit besluit hangende de hoger beroepprocedure te schorsen moet worden afgewezen.

5. De voorzieningenrechter acht voorts geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van de proceskosten.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 mei 2010.

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) I. Mos.

35

RW