Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM3438

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-04-2010
Datum publicatie
06-05-2010
Zaaknummer
08-3172 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Volgens vaste rechtspraak van de Raad ligt het, indien een lopende bijstandsuitkering is ingetrokken, in geval van een nieuwe aanvraag, gericht op het verkrijgen van een periodieke bijstandsuitkering met ingang van een later gelegen datum, op de weg van de aanvrager om aannemelijk te maken dat sprake is van een relevante wijziging in de omstandigheden, in die zin dat hij nu wel voldoet aan de vereisten om voor bijstand in aanmerking te komen. Betrokkene is hierin niet geslaagd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/3172 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 25 april 2008, 07/3522 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant

Datum uitspraak: 20 april 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. G.L. Gijsberts, advocaat te ’s-Gravenhage, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 maart 2010. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. Catakli, werkzaam bij de gemeente ’s-Gravenhage. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Gijsberts.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene en zijn echtgenote, T. [A.] (hierna: [A.]), staan ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie van de gemeente ’s-Gravenhage op het adres [adres]. Zij ontvingen sedert 23 oktober 2003 bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Appellant heeft bij besluit van 8 juli 2005 de bijstand met ingang van 1 juni 2005 beëindigd (lees: ingetrokken). Voorts heeft appellant bij besluit van 18 juli 2005 de bijstand over de periode van 1 juni 2004 tot en met 31 mei 2005 ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand over deze periode teruggevorderd. Bij besluit van 16 maart 2006 heeft appellant de bezwaren tegen voormelde besluiten ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 2 april 2007 heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 16 maart 2006 ongegrond verklaard.

1.3. De Raad heeft bij uitspraak van 1 juli 2008 (reg. nr. 07/2900 WWB) de uitspraak van de rechtbank van 2 april 2007 vernietigd, het beroep tegen het besluit van 16 maart 2006 gegrond verklaard, het besluit vernietigd voor zover dat ziet op de intrekking en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het besluit in stand blijven. De Raad heeft vastgesteld dat betrokkene vanaf 1 juni 2004 zijn woonplaats in Breda had en niet in de gemeente ’s-Gravenhage. Daarbij is doorslaggevende betekenis toegekend aan een verklaring die betrokkene op 14 juni 2005 heeft afgelegd. Volgens deze verklaring verblijven zijn kinderen bij zijn dochter in Breda, hield ook hij daar aanvankelijk twee weken per maand verblijf en gaat het sinds een jaar slechter met hem en [A.] als gevolg waarvan zij sinds een jaar zeker drie weken per maand in Breda verblijven. Aldus is het besluit van 16 maart 2006, dat berust op het standpunt dat door schending van de inlichtingenverplichting niet kan worden vastgesteld of betrokkene jegens appellant recht op bijstand heeft, ondeugdelijk gemotiveerd. De Raad heeft evenwel aanleiding gezien om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het besluit van 16 maart 2006, in stand te laten op de grond dat betrokkene vanaf 1 juni 2004 geen recht op bijstand jegens appellant heeft en betrokkene de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden, zodat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan.

1.4. Appellant heeft bij besluit van 3 maart 2006 een aanvraag om bijstand van betrokkene en [A.] van 22 december 2005 afgewezen, omdat zij geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren hebben gebracht op grond waarvan kan worden geoordeeld dat zij nu recht op bijstand hebben. Bij besluit van 18 juli 2006 heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van 3 maart 2006 ongegrond verklaard.

1.5. Betrokkene en [A.] hebben op 7 december 2006 opnieuw bij appellant een aanvraag om bijstand ingediend. Naar aanleiding van deze aanvraag hebben twee medewerkers van de gemeente ’s-Gravenhage op 29 december 2006 een onaangekondigd bezoek aan de woning aan de [adres] te ’s-Gravenhage gebracht. Op aanbellen werd niet opengedaan en bij telefonisch contact met betrokkene werd aangegeven dat hij op dat moment in Rotterdam was. Op 5 januari 2007 is een onaangekondigd huisbezoek in de woning afgelegd, waar op dat moment alleen betrokkene aanwezig was. Betrokkene heeft tijdens dat huisbezoek verklaard dat [A.] de avond tevoren met een zoon naar Breda was vertrokken, omdat twee van hun kinderen daar naar school gaan.

1.6. Bij besluit van 15 januari 2007 heeft appellant de aanvraag van 7 december 2006 afgewezen.

1.7. Bij besluit van 2 april 2007 heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van 15 januari 2007 ongegrond verklaard. Daaraan ligt ten grondslag dat betrokkene er niet in is geslaagd voldoende aannemelijk te maken dat hij en zijn gezin feitelijk hun hoofdverblijf hebben op het door hen opgegeven adres te ’s-Gravenhage.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 2 april 2007 gegrond verklaard, het besluit vernietigd omdat het niet zorgvuldig tot stand is gekomen en appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen. De rechtbank heeft - kort gezegd - overwogen dat de bevindingen van de (huis)bezoeken van 29 december 2006 en 5 januari 2007 onvoldoende aanleiding geven te concluderen dat betrokkene en [A.] niet op het door hen opgegeven adres te ’s-Gravenhage wonen. Bij het huisbezoek op 5 januari 2007 is ten onrechte als uitgangspunt genomen dat in de woning ook twee kinderen van betrokkene en [A.] zouden moeten verblijven. Nu bij dat huisbezoek wel enige bezittingen van betrokkene en [A.] zijn aangetroffen, had appellant niet zonder nader onderzoek mogen concluderen dat zij niet op het adres wonen. Voorts bevatten de ingeleverde bankafschriften over het jaar 2006 geen aanwijzingen dat betrokkene in Breda geld heeft gepind. Daarnaast is onduidelijk waarom appellant de door betrokkene overgelegde betaal- en gebruiksgegevens van elektriciteit en gas over november 2006 met betrekking tot de woning in ’s-Gravenhage, die ook volgens appellant onmiskenbaar op bewoning duiden, niet heeft meegewogen.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Volgens vaste rechtspraak van de Raad ligt het, indien een lopende bijstandsuitkering is ingetrokken, in geval van een nieuwe aanvraag, gericht op het verkrijgen van een periodieke bijstandsuitkering met ingang van een later gelegen datum, op de weg van de aanvrager om aannemelijk te maken dat sprake is van een relevante wijziging in de omstandigheden, in die zin dat hij nu wel voldoet aan de vereisten om voor bijstand in aanmerking te komen. Dit betekent dat betrokkene, nu hij en [A.] bijstand naar de norm voor gehuwden hebben aangevraagd, aannemelijk dient te maken dat zij beiden vanaf 7 december 2006 hun hoofdverblijf niet in Breda, maar op het door hen opgegeven adres te ’s-Gravenhage hadden.

4.2. Met appellant is de Raad van oordeel dat betrokkene daarin niet is geslaagd. De Raad acht in dit verband van belang dat [A.] bij beide huisbezoeken niet in de woning te ’s-Gravenhage aanwezig was en dat op de hoorzitting bij appellant van 14 maart 2007 is verklaard dat [A.] al een tijd bij familie logeerde. De verklaring van betrokkene tijdens het huisbezoek van 5 januari 2007 dat [A.] de avond tevoren naar Breda was vertrokken, strookt daarmee niet. Verder acht de Raad van belang dat betrokkene tijdens dat huisbezoek niet meer dan enkele stukken uit zijn administratie en verder slechts enkele en met name gedragen kledingstukken van hem heeft kunnen tonen. Betrokkene heeft geen andere broek kunnen laten zien dan de broek die hij op dat moment droeg.

4.3. Naar het oordeel van de Raad heeft betrokkene de aldus bestaande onduidelijkheid over de woonsituatie van betrokkene en [A.] met het indienen van de energierekening niet kunnen wegnemen. Deze rekening levert weliswaar een indicatie voor verblijf in de woning te ’s-Gravenhage op, maar maakt onvoldoende aannemelijk dat betrokkene en [A.] beiden daar hun hoofdverblijf hadden. Ook uit de ingediende afschriften van de bankrekening van betrokkene en [A.] blijkt het hoofdverblijf niet.

4.4. Het voorgaande brengt de Raad tot de conclusie dat appellant de aanvraag terecht heeft afgewezen.

4.5. De rechtbank heeft hetgeen hiervoor is overwogen niet onderkend. De Raad zal de aangevallen uitspraak dan ook vernietigen. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het besluit van 2 april 2007 ongegrond verklaren.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en J.M.A. van der Kolk-Severijns en E.J.M. Heijs als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 april 2010.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) N.M. van Gorkum.

EK