Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM3427

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-05-2010
Datum publicatie
06-05-2010
Zaaknummer
09-5232 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Zorgvuldig onderzoek deskundige. De deskundige heeft de medische grondslag en de geschiktheid in medisch opzicht van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies van het bestreden besluit onderschreven. Vernietiging uitspraak. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/5232 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 16 september 2009, 07/1421 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 4 mei 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 maart 2010. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door M. van Leeuwen. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door haar moeder.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.2. Betrokkene, werkzaam als voedingsassistente gedurende 32 uur per week, is op 3 januari 2000 uitgevallen voor haar arbeid met linkerschouderklachten als nasleep van een auto-ongeluk in 1996. Voorts was er sprake van energieverlies, concentratiestoornissen, hoofdpijn, nek- en linkerarmklachten. Na het verstrijken van de wachttijd is haar ingaande 28 december 2000 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35% en mede gebaseerd op een (medische) urenbeperking van 24 uur per week.

1.3. In het kader van een herbeoordeling is betrokkene op 26 oktober 2005 door de verzekeringsarts S. Ramkisoen gezien. Deze arts heeft in de na het onderzoek opgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 28 oktober 2005 tot uitdrukking gebracht dat betrokkene in staat was om, met inachtneming van een aantal beperkingen ten aanzien van onder meer zwaar tillen/dragen, linkszijdig bovenhandse activiteiten verrichten, langdurige statische nekbelasting, repeterende handelingen en verdelen en concentreren van de aandacht, hele dagen te werken. Nadat de arbeidsdeskundige met behulp van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem functies had geselecteerd waarmee betrokkene 18,18% minder inkomen zou kunnen verwerven dan haar maatmaninkomen, heeft het Uwv bij besluit van 3 januari 2006 de WAO-uitkering met ingang van 22 februari 2006 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Het daartegen ingediende bezwaar is bij besluit van 31 juli 2006 ongegrond verklaard.

1.4. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 31 juli 2006 bij uitspraak van 6 april 2007, 06/2075, gegrond verklaard en dat besluit vernietigd, met de opdracht aan appellant om een nieuw besluit te nemen. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het Uwv onvoldoende zorgvuldig heeft gehandeld door geen nadere informatie in te winnen bij de behandelend reumatoloog dr. F. Eggelmeijer.

1.5. Ter uitvoering van deze uitspraak heeft de bezwaarverzekeringsarts S.G. van Wageningen nadere informatie ingewonnen bij voornoemde reumatoloog en in haar rapport van 17 juli 2007 aangegeven, dat deze informatie geen aanleiding vormt om de belastbaarheid van betrokkene aan te scherpen. Voorts heeft zij opgemerkt dat er geen redenen zijn om ten aanzien van betrokkene als gevolg van ernstige energetische beperkingen, verminderde beschikbaarheid (door therapie) of een ernstig psychiatrisch ziektebeeld een (medische) urenbeperking aan te nemen. Bij het besluit op bezwaar van 19 juli 2007, hierna: bestreden besluit, heeft appellant betrokkene meegedeeld dat haar WAO-uitkering met ingang van 22 februari 2006 onveranderd blijft gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

1.6. Betrokkene heeft beroep ingesteld en daarbij aangegeven dat de door de reumatoloog dr. Eggelmeijer verstrekte informatie door appellant onjuist is geïnterpreteerd. De rechtbank heeft de reumatoloog dr. M. Janssen als deskundige benoemd en deze heeft de rechtbank met een rapport van 19 november 2008 van verslag en advies gediend. Hij heeft geconcludeerd dat betrokkene als gevolg van een postwhiplashsyndroom en een chronische supraspinatuspees tendinitis beperkingen ondervindt, stemt in met de beperkingen zoals weergegeven in de FML van 28 oktober 2005 en is van oordeel dat betrokkene rekening houdend met deze beperkingen in staat was de aan de schatting ten grondslag gelegde functies te vervullen. Betrokkene heeft hierop bij schrijven van 6 april 2009 commentaar geleverd en hiermee geconfronteerd door de rechtbank heeft de deskundige bij brief van 14 mei 2009 gereageerd en zijn conclusie gehandhaafd.

2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak geoordeeld dat, in lijn met de vaste jurisprudentie, het oordeel van de deskundige wordt gevolgd, met uitzondering van zijn standpunt dat betrokkene op de datum in geding in staat moet worden geacht om 40 uur per week te werken. De rechtbank heeft daartoe, met verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 6 juli 2009, LJN BJ2140, overwogen dat bij het laten vervallen van een urenbeperking bij een ongewijzigd medisch beeld de belastbaarheid van een betrokkene deugdelijk moet worden onderbouwd en dat de FML daarvan een juist beeld dient te geven. De rechtbank is van oordeel, met inachtneming van hetgeen betrokkene en haar moeder ter zitting van de rechtbank naar voren hebben gebracht, dat de verzekeringsarts het activiteitenniveau van betrokkene te rooskleurig heeft ingeschat. De rechtbank heeft bij dit oordeel betrokken dat de bezwaarverzekeringsarts G.P.J. de Kanter bij een eerdere beoordeling in zijn rapport van 13 mei 2005 heeft aangegeven waarom een urenbeperking van maximaal 24 uur per week moet worden gehanteerd. De rechtbank vindt zowel in het rapport van de deskundige als in het oordeel van dr. Eggelmeijer aanwijzingen om aan te sluiten bij het rapport van bezwaarverzekeringsarts De Kanter. Dit heeft de rechtbank tot de slotsom gebracht dat het bestreden besluit, voor zover het betreft het laten vervallen van de medische urenbeperking, onvoldoende is onderbouwd en derhalve voor vernietiging in aanmerking komt. De rechtbank heeft tevens aanleiding gezien het primaire besluit te herroepen, nu dit op diezelfde ondeugdelijk medische grondslag berust.

3.1. Appellant heeft hoger beroep ingesteld en aangevoerd dat de rechtbank geheel is voorbij gegaan aan het verslag van het overleg op 17 augustus 2005 tussen de bezwaarverzekeringsarts De Kanter en de stafverzekeringsarts H.R. van der Wiel, zoals opgemaakt door deze stafverzekeringsarts. In een commentaar van de bezwaarverzekeringsarts S.G. van Wageningen van 30 september 2009 concludeert zij dat er geen reden is voor een (medische) urenbeperking en dat de standaard ’urenbeperking’ -bedoeld zal zijn: verminderde arbeidsduur- correct is gehanteerd.

3.2. Betrokkene heeft in haar verweerschrift aangegeven dat uit voornoemd verslag van 17 augustus 2005 niet kan worden opgemaakt dat de bezwaarverzekeringsarts De Kanter zijn eerder standpunt heeft verlaten. Voorts heeft zij opgemerkt dat voornoemd commentaar van de bezwaarverzekeringsarts Van Wageningen op een ondeugdelijke medische grondslag berust.

4.1. De Raad oordeelt als volgt.

4.2. In de vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te volgen. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt in dit geval van dat uitgangspunt af te wijken is de Raad niet gebleken.

4.3. Met name doet zich niet de situatie voor dat uit de reactie van die deskundige op een andersluidend oordeel van een door een partij ingeschakelde medicus blijkt dat de deskundige zijn eigen oordeel niet serieus heeft heroverwogen. De Raad is van oordeel dat het door de deskundige verrichte onderzoek volledig en zorgvuldig is. De Raad stelt voorts vast dat de deskundige desgevraagd in zijn schrijven van 14 mei 2009 naar behoren heeft gereageerd op de kritiek van betrokkene op zijn rapport van 19 november 2008. Betrokkene heeft geen nadere, van (behandelende) artsen afkomstige, medische informatie naar voren gebracht die een ander licht werpt op haar medische situatie. De Raad voegt daaraan toe dat op grond van het arbeidsongeschiktheidscriterium van de WAO de eigen opvatting van een verzekerde dat hij of zij niet meer (volledig) kan werken niet beslissend is.

4.4. Uit de onder 1.6 genoemde rapporten van de deskundige dr. Janssen blijkt dat hij zich kan verenigen met de belastbaarheid van betrokkene zoals die blijkt uit de FML van 28 oktober 2005 en met het standpunt van het Uwv dat er geen reden is voor een medische urenbeperking. Voorts heeft de deskundige de (medische) geschiktheid van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies onderschreven.

4.5. De medische onderbouwing door de (bezwaar)verzekeringsartsen met betrekking tot het niet langer aannemen van een urenbeperking en de interpretatie van het onder 3.1 genoemde verslag van 17 augustus 2005 kan en zal de Raad in het midden laten, nu de deskundige de medische grondslag van het bestreden besluit heeft onderschreven. Daarmee doet zich niet de situatie voor als bedoeld in de uitspraak van de Raad van 6 juli 2009, LJN BJ2140, waarbij die deugdelijke medische onderbouwing ontbreekt.

4.6. Het hiervoor overwogene leidt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. De Raad acht geen termen aanwezig om de behandeling van dit geding terug te wijzen naar de rechtbank. Mede in aanmerking genomen dat de deskundige de geschiktheid in medisch opzicht van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies heeft onderschreven, verklaart de Raad het inleidend beroep ongegrond.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2010.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) I. Mos.

KR