Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM3426

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-05-2010
Datum publicatie
06-05-2010
Zaaknummer
08-663 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking, methode van onderzoek.

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 43
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2010/193
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/663 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 6 december 2007, 07/809 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 4 mei 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E. van den Bogaard, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een rapportage van de centrale senior bezwaarverzekeringsarts mr. W.A. Faas van 4 maart 2010 overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het geding bij de Raad bekend onder 08/2968 WAO, plaatsgevonden op 24 maart 2010. Namens appellant is mr. Van den Bogaard verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A. Sowka. Ter afdoening zijn de gedingen vervolgens weer gesplitst.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Met ingang van 1 juni 1999 heeft de rechtsvoorganger van het Uwv aan appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. Appellant is in het kader van het aangepaste Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten herbeoordeeld, in welk verband hij op 22 maart 2006 onderzocht is door de arts T.C.P.M. Mutsaerts. Deze arts heeft geconcludeerd dat appellant in staat is arbeid te verrichten die in overeenstemming is met zijn beperkingen, zoals weergegeven op de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 22 maart 2006. Na raadpleging van het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) heeft de arbeidsdeskundige H. Drenth een aantal functies geselecteerd, die in overeenstemming worden geacht met de beperkingen van appellant en waarmee hij een zodanig inkomen kan verdienen dat sprake is van een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 22 mei 2006 de WAO-uitkering van appellant met ingang van 17 juli 2006 ingetrokken.

1.3. In de bezwaarprocedure heeft de bezwaarverzekeringsarts P. van Zalinge op basis van dossierstudie en aanvullende informatie van de psychotherapeut en huisarts van appellant, aanwezigheid bij de hoorzitting en eigen onderzoek, in haar rapportage van 14 november 2006 aangegeven dat er reden is de beoordeling door de primaire arts te wijzigingen, waarna zij op 15 november 2006 een aangepaste FML heeft opgesteld. Op basis hiervan heeft de bezwaararbeidsdeskundige J.G. Grothe met gebruikmaking van het CBBS opnieuw functies geselecteerd en het verlies aan verdiencapaciteit van appellant berekend op 20,2%. Onder verwijzing naar deze rapportages heeft het Uwv bij besluit van 28 februari 2007 (hierna: bestreden besluit) het bezwaar van appellant tegen het besluit van 22 mei 2006 gegrond verklaard en besloten de WAO-uitkering van appellant per 17 juli 2006 te herzien naar de arbeidsongeschiktheidsklasse van 15 tot 25%.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek heeft plaatsgevonden op grond van geaccepteerde methoden en niet in strijd is met het toepasselijke Schattingsbesluit. Nu appellant verder geen gegevens in het geding heeft gebracht die ten aanzien van zijn medische situatie tot een ander oordeel zouden moeten leiden, berust het bestreden besluit naar het oordeel van de rechtbank op een deugdelijke medische grondslag. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende rapporten van de (bezwaar)arbeidsdeskundigen voldoende inzicht bieden en een voldoende mogelijkheid tot toetsing verschaffen waarom de geselecteerde functies voor appellant geschikt worden geacht. Volgens de rechtbank is de mate van arbeidsongeschiktheid per 17 juli 2006 dan ook terecht vastgesteld naar de klasse van 15 tot 25%.

3. In hoger beroep heeft appellant, onder verwijzing naar het ingediende aanvullende beroepschrift, als principieel argument aangevoerd dat de wijze waarop door de verzekeringsartsen van het Uwv de psychische belastbaarheid wordt vastgesteld niet voldoet aan de eisen die daaraan op grond van internationaal wetenschappelijke literatuur dienen te worden gesteld. Appellant heeft in dit verband zijn verzoek herhaald om zijn argumenten aan een deskundige op het terrein van de psychodiagnostiek en/of verzekeringsgeneeskunde voor te leggen.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. In de eerste plaats ziet de Raad aanleiding om zich ambtshalve uit te laten over de vraag of de aangevallen uitspraak op de juiste wijze tot stand is gekomen. Nadat de rechtbank het beroep op 5 oktober 2007 had behandeld, heeft het Uwv een aanvullende reactie van de bezwaarverzekeringsarts van 3 december 2007 ingezonden. Vervolgens heeft de rechtbank op 6 december 2007 uitspraak gedaan, zonder dat aan partijen na ontvangst van voormelde reactie van - 3 december 2007 - toestemming is gevraagd voor het afdoen van de zaak buiten een nadere zitting. De Raad is van oordeel dat de aangevallen uitspraak, als zijnde in strijd met artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), niet rechtsgeldig tot stand is gekomen. Om die reden komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking. Omdat de zaak naar het oordeel van de Raad geen nadere behandeling door de rechtbank behoeft, zal de Raad de zaak zonder terugwijzing afdoen.

4.2. Naar aanleiding van de principiële gronden over de onderzoeksmethode, die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, overweegt de Raad het volgende. In de verwijzingen naar de overgelegde wetenschappelijke literatuur ziet de Raad onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat het medisch onderzoek naar de psychische stoornissen van appellant in dit concrete geval niet op zorgvuldige wijze of anderszins niet “state of the art” heeft plaatsgevonden. Naar het oordeel van de Raad heeft het onderzoek overeenkomstig de in het algemeen in de verzekeringsgeneeskunde geaccepteerde methode plaatsgevonden, zoals neergelegd in de standaard “Onderzoeksmethoden bij psychische stoornissen” en de standaard “Onderzoeksmethoden” van het Landelijk instituut sociale verzekeringen. Het standpunt van appellant dat het onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsartsen louter is gebaseerd op een klinische blik of mono-methodisch is, wordt evenmin door de Raad onderschreven, nu deze artsen beschikten over informatie uit de behandelend sector en ook zelf een anamnese hebben afgenomen en lichamelijk en psychisch onderzoek hebben verricht. Mitsdien is de Raad van oordeel dat het Uwv, wat betreft de medische grondslag bij de besluitvorming, terecht is uitgegaan van de rapportages van de (bezwaar)verzekeringsartsen. De Raad ziet dan ook geen aanleiding om een deskundige in te schakelen om een visie te vragen met betrekking tot de gevolgde methode van onderzoek of voor het laten verrichten van nader onderzoek naar de psychische gesteldheid van appellant.

4.3. De Raad is van oordeel dat in de medische rapportages inzichtelijk en overtuigend is gemotiveerd welke beperkingen voor appellant op de datum in geding gelden bij het verrichten van arbeid. In zijn rapportage van 22 maart 2006 heeft de primaire arts aangegeven dat appellant in verband met zijn psychiatrisch ziektebeeld ernstig is beperkt in zijn persoonlijk en sociaal functioneren en dat eveneens fysieke beperkingen gelden in verband met zijn rugklachten. De bezwaarverzekeringsarts heeft, na eigen onderzoek en met verkregen informatie van de behandelend psychotherapeut en de huisarts van appellant, in haar rapportage aangegeven dat zij zich met de beperkingen ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren kan verenigen en zij heeft de FML aangepast wat betreft het gebruikmaken van vervoer, frequent buigen tijdens werk en lopen tijdens werk. Uit de voorhanden medische gegevens is niet gebleken dat daarmee de beperkingen van appellant zijn onderschat. Nu in hoger beroep door appellant geen nadere medische gegevens over hemzelf zijn ingebracht, ziet de Raad geen aanleiding tot een andersluidend oordeel te komen. Mitsdien is de Raad van oordeel dat het Uwv de medische beperkingen van appellant op juiste wijze heeft vastgesteld en dat appellant medisch gezien terecht in staat wordt geacht de geselecteerde functies te vervullen.

4.4. Uit hetgeen onder 4.2 en 4.3 is overwogen volgt dat het Uwv terecht de WAO-uitkering van appellant met ingang van 17 juli 2007 heeft herzien naar de arbeidsongeschiktheidsklasse van 15 tot 25%. Het beroep tegen het bestreden besluit moet daarom ongegrond worden verklaard.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake de vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond;

Bepaalt dat het Uwv het door appellant betaalde griffierecht van € 106,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2010.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) I. Mos.

IvR