Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM3423

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-05-2010
Datum publicatie
06-05-2010
Zaaknummer
08-6373 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht meer op Ziekengeld. Appellant wordt geacht tot het verrichten van zijn arbeid. De in hoger beroep herhaalde stelling van appellant dat hij wegens fysieke en psychische beperkingen op de datum in geding niet in staat was ten minste één van de in het kader van de WAO–beoordeling aan hem voorgehouden functies te vervullen is verder niet met medische gegevens onderbouwd. De Raad ziet dan ook geen reden de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts in twijfel te trekken dan wel een nader psychiatrisch onderzoek te laten instellen. De grief van appellant dat hij over onvoldoende financiële draagkracht beschikt om een medisch rapport te laten uitbrengen en dat hier sprake is van schending van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) moet onder verwijzing naar de vaste rechtspraak van de Raad (onder meer LJN BG9468 en LJN BI5270) worden verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/6373 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 18 september 2008, 08/593 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 4 mei 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H. Halfers, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 maart 2010.

Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Halfers.

Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.L.J. Weltevrede.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant, die werkzaam is geweest als kwekerijmedewerker, ontving sinds 30 november 2004 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Daarnaast ontving hij een werkloosheidsuitkering. Vanuit deze situatie heeft hij zich per 9 november 2006 ziek gemeld.

2. Bij besluit van 16 oktober 2007 is aan appellant meegedeeld dat hem met ingang van 20 oktober 2007 geen ziekengeld meer wordt uitgekeerd, omdat hij op en na deze datum niet meer ongeschikt wordt geacht tot het verrichten van zijn arbeid.

3. Bij besluit van 14 december 2007 (het bestreden besluit) is bezwaar van appellant tegen het besluit van 16 oktober 2007 ongegrond verklaard.

4. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

5.1. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan in de aangevallen uitspraak ten grondslag gelegde overwegingen. De Raad heeft naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd nog het volgende overwogen

5.2. Uit het afschrift van de Medische Kaart blijkt dat de verzekeringsarts bekend was met de medicatie van appellant. De bezwaarverzekeringsarts heeft blijkens de rapportage van 28 november 2007 rekening gehouden met de brief van de behandelend psychiater van 27 september 2007, waaruit blijkt dat appellant destijds niet meer werd geplaagd door depressieve verschijnselen in engere zin, maar nog wel door psychosociale problemen. De in hoger beroep herhaalde stelling van appellant dat hij wegens fysieke en psychische beperkingen op de datum in geding niet in staat was ten minste één van de in het kader van de WAO–beoordeling aan hem voorgehouden functies te vervullen is verder niet met medische gegevens onderbouwd. De Raad ziet dan ook geen reden de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts in twijfel te trekken dan wel een nader psychiatrisch onderzoek te laten instellen.

5.3. De grief van appellant dat hij over onvoldoende financiële draagkracht beschikt om een medisch rapport te laten uitbrengen en dat hier sprake is van schending van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) moet onder verwijzing naar de vaste rechtspraak van de Raad (onder meer LJN BG9468 en LJN BI5270) worden verworpen.

5.4. Wat betreft appellants standpunt dat er grote problemen ontstaan als het DSM-IV systeem wordt toegepast op niet Westerse culturen wijst de Raad er nogmaals op dat het bij de beoordeling van arbeidsongeschiktheid niet gaat om de diagnose maar om de uit medisch geobjectiveerde klachten voortkomende beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid. Appellant heeft geen medische gegevens in het geding gebracht die erop wijzen dat de betrokken verzekeringsartsen hieromtrent geen verantwoorde conclusie hebben getrokken.

5.5. Uit hetgeen is overwogen onder 5.1 tot en met 5.4 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. De Raad acht geen gronden aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en A.A.H. Schifferstein als leden in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2010.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) I. Mos.

IvR