Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM3418

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-05-2010
Datum publicatie
06-05-2010
Zaaknummer
08-4602 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht meer op ziekengeld. De bezwaarverzekeringsarts heeft in zijn rapport vermeld dat betrokkene geen medische onderbouwing heeft aangeleverd voor de gestelde toename van de whiplashklachten en dat bij eigen onderzoek en tijdens de hoorzitting geen aanwijzingen werden gevonden voor die toename. De Raad ziet geen aanleiding hetgeen de bezwaarverzekeringsarts heeft vermeld in zijn rapporten voor onjuist te houden. Naar het oordeel van de Raad heeft appellant dan ook terecht overwogen dat betrokkene in staat was te achten ten minste één van de functies, die hem reeds in het kader van de WAO-besluitvorming waren voorgehouden, te verrichten. Betrokkene heeft geen medische informatie overgelegd die doet twijfelen aan de juistheid van het bestreden besluit. Geen sprake van een strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Vernietiging uitspraak. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/4602 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 4 juli 2008, 08/790 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),

en

appellant.

Datum uitspraak: 4 mei 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en daarbij een rapport van de bezwaarverzekeringsarts D. van Arkel van 14 juli 2008 overgelegd.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend en bij brieven van 23 februari 2009, 15 februari 2010 en 12 maart 2010 de Raad nadere informatie doen toekomen.

Desgevraagd heeft appellant bij brief van 19 januari 2010 de Raad toegestuurd de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 5 september 2005 en het Resultaat Eindselectie van de functies schadecorrespondent (sbc-code 516080) en vleeswarenmaker, slachter en visverwerker (sbc-code 271070).

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 maart 2010 waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door W.H.M. Visser. Betrokkene is niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Betrokkene heeft op 1 maart 1999 een auto-ongeval gehad en is per 27 augustus 1999 uitgevallen voor zijn werk als hoofd bankdiensten. Na het einde van de wachttijd is aan hem een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Per 10 april 2005 is deze uitkering herzien en berekend naar een percentage van 65 tot 80. Na ongegrondverklaring van het daartegen gerichte bezwaar en beroep van betrokkene heeft de Raad bij uitspraak van 4 juli 2008, LJN BD6586, de desbetreffende uitspraak van de rechtbank bevestigd. De Raad heeft daarbij overwogen dat betrokkene (daar aangeduid als appellant) in staat moet worden geacht de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies te verrichten.

1.2. Betrokkene heeft zich op 12 maart 2007, toen hij ook een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving, ziek gemeld in verband met psychische klachten.

2.1. Bij besluit van 12 november 2007 is betrokkene niet meer ongeschikt geacht voor het verrichten van zijn arbeid als bedoeld in artikel 19 van de Ziektewet (ZW) en om die reden is zijn recht op ziekengeld per 13 november 2007 beëindigd.

2.2. Bij besluit op bezwaar van 7 januari 2008 (hierna: bestreden besluit), heeft appellant het bezwaar van betrokkene ongegrond verklaard.

2.3. In de aangevallen uitspraak is - naast een beslissing over het griffierecht - het beroep van betrokkene gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar van betrokkene te nemen met inachtneming van die uitspraak. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat appellant niet afdoende heeft gemotiveerd dat de functie productiemedewerker industrie door betrokkene per 13 november 2007 verricht kan worden, gelet op de relatie tussen de depressie en de whiplashklachten.

3.1. Appellant heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat er geen medisch objectiveerbaar substraat is aan te wijzen voor de door betrokkene geclaimde toename van zijn whiplashklachten. In de aangevallen uitspraak is overwogen dat betrokkene zich op het standpunt stelt dat zijn whiplashklachten zijn toegenomen als gevolg van zijn depressieve klachten. Ook de depressieve klachten kunnen volgens appellant echter niet als oorzaak van de geclaimde toename van de whiplashklachten dienen. Bij het bestreden besluit zijn voorts alle reeds eerder in het kader van de WAO-procedure geschikt geachte functies wederom geschikt bevonden voor betrokkene. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte slechts de geschiktheid voor de functie productiemedewerker voedingsindustrie beoordeeld.

3.2. Betrokkene heeft in hoger beroep aangevoerd dat appellant hem per 13 november 2007 ten onrechte geschikt heeft geacht om zijn arbeid in de zin van artikel 19 van de ZW te verrichten. Daarbij heeft hij - kort samengevat - erop gewezen dat sprake is van een toename van zijn klachten.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de Ziektewet (ZW) heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld.

4.2. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad dient onder ‘zijn arbeid’ in voormelde zin te worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt echter in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na het volbrengen van de voorgeschreven wachttijd, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de WAO. Van ongeschiktheid in de zin van de ZW is geen sprake indien de verzekerde geschikt is voor ten minste één van de functies die zijn geselecteerd bij de schatting in het kader van de WAO.

4.3. De bezwaarverzekeringsarts heeft in zijn rapport van 14 juli 2008 vermeld dat betrokkene geen medische onderbouwing heeft aangeleverd voor de gestelde toename van de whiplashklachten en dat bij eigen onderzoek en tijdens de hoorzitting geen aanwijzingen werden gevonden voor die toename. Eerder, bij het onderzoek door de verzekeringsarts, had betrokkene geen melding gemaakt van een toename van deze klachten.

4.4. De Raad ziet geen aanleiding hetgeen de bezwaarverzekeringsarts heeft vermeld in zijn rapporten voor onjuist te houden.

4.5. De bezwaarverzekeringsarts heeft geconstateerd dat betrokkene op de datum in geding niet onder medische behandeling stond en tevens aangevoerd dat er geen onderbouwing bestaat voor de door betrokkene gestelde toename van de whiplashklachten, reeds omdat ten tijde in geding niet aannemelijk is te achten dat er sprake was van toegenomen psychische klachten. Uit de overgelegde informatie van de behandelend psycholoog/psychotherapeut G.J.M. Nooy van 17 december 2007 heeft de bezwaarverzekeringsarts afgeleid dat er sprake was van paniek- en stemmingsklachten die volgens betrokkene zouden zijn versterkt door de whiplashklachten. Van een psychiatrische stoornis was evenwel geen sprake. In dit verband kan voorts worden opgemerkt dat betrokkene in een brief van 22 april 2008 heeft vermeld dat zijn psychische klachten sedert december 2007 flink zijn afgenomen en dat hij sedert medio februari 2008 praktisch geen medicatie meer gebruikt. Ook voor de door betrokkene genoemde collapsen zijn geen objectiveerbare afwijkingen gevonden, zoals reeds is overwogen door de Raad in zijn uitspraak van 4 juli 2008. Uit die uitspraak blijkt tevens dat in de FML rekening is gehouden met de whiplashklachten (geen fysiek zwaar werk), de spanningsklachten (geen deadlines en productiepieken) en dat betrokkene is aangewezen op een werkomgeving die niet erg onrustig is.

4.6. Niet is komen vast te staan dat betrokkene op 13 november 2007, de datum in geding, verdere beperkingen had dan op 10 april 2005, de datum met ingang waarvan zijn WAO-uitkering was herzien. Immers niet is gebleken dat op 13 november 2007 sprake was van een toename van de whiplashklachten en bij betrokkene was op die datum geen sprake van een ernstige psychiatrische stoornis. Naar het oordeel van de Raad heeft appellant dan ook terecht overwogen dat betrokkene op de datum hier in geding in staat was te achten ten minste één van de functies, die hem reeds in het kader van de WAO-besluitvorming waren voorgehouden, te verrichten.

4.7. De Raad stelt vast dat betrokkene geen medische informatie heeft overgelegd die doet twijfelen aan de juistheid van het bestreden besluit. Naar het oordeel van de Raad is in het onderhavige geval voorts geen sprake van een strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel die tot een vernietiging van het bestreden besluit zou moeten leiden. In het beschikbare dossier zijn voldoende gegevens aanwezig op basis waarvan tot een verantwoord oordeel kan worden gekomen. Hetgeen door betrokkene is aangevoerd, ook in de in hoger beroep door hem ingestuurde brieven, heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht. Het feit dat de WAO-uitkering van betrokkene met ingang van 29 juni 2009 is verhoogd naar een mate van 80 tot 100% heeft appellant ter zitting toegelicht door aan te geven dat de beperkingen van betrokkene na de datum hier in geding zijn toegenomen.

4.8. Voor een beoordeling van eventuele aanspraken op grond van de wet Amber

(artikel 39a van de WAO) bestaat in een geding als het onderhavige, waarin alleen een besluit ter uitvoering van de ZW aan de orde is, voorts geen ruimte. De Raad wijst in dit verband naar zijn uitspraak van 10 juni 2009, LJN BI8409, met betrekking tot artikel 43a van de WAO.

4.9. Uit de overwegingen 4.1 tot en met 4.8 volgt dat appellant op goede gronden de conclusie heeft getrokken dat betrokkene per 13 november 2007 in staat moet worden geacht om zijn arbeid te verrichten als bedoeld in artikel 19 van de ZW en dat betrokkene derhalve met ingang van die datum geen recht meer heeft op ziekengeld.

5. Het hoger beroep slaagt om die reden en de aangevallen uitspraak dient dan ook te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen verklaart de Raad het beroep ongegrond.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht tot een proceskostenveroordeling over te gaan.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2010.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) I. Mos.

EK