Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM3290

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-04-2010
Datum publicatie
04-05-2010
Zaaknummer
08-2689 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Uwv heeft onvoldoende onderzocht en heeft derhalve ook ondeugdelijk gemotiveerd dat in het eerst komende jaar een verbetering van de belastbaarheid kon worden verwacht zodanig dat bij een herbeoordeling mogelijk een minder vergaande FML kon worden opgesteld. Uit de verzekeringsgeneeskundige rapporten komt niet naar voren of de vraag is gerezen van welk niveau van functioneren de neuroloog Kok (...) was uitgegaan. In de vraagstelling van de arts Van Gelder aan Kok van 20 november 2006 is immers niet vermeld dat eerstgenoemde betrokkene voor arbeid beperkt achtte tot ongeveer 4 uur per dag en 20 uur per week, terwijl wel gewag is gemaakt van pogingen tot werkhervatting in aangepast werk tot uiteindelijk niet meer dan 3 x 2 uur per week. Het advies van Kok inzake langzame opbouw zag niet op arbeid maar op ontspannende inspanningen. De Raad kan dan ook niet anders concluderen dan dat de arts Van Gelder aan Kok geen concrete, op stap 2 van het stappenplan toegesneden, vragen heeft gesteld en dat zulks ook niet nadien in de bezwaarprocedure is gedaan. .

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/2689 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 18 maart 2008, 07/2248 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Aan het geding heeft tevens als partij deelgenomen [naam besloten vennootschap] gevestigd te [vestigingsplaats], (hierna: werkgeefster).

Datum uitspraak: 29 april 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en bij de onderbouwing daarvan overgelegd het rapport van de bezwaarverzekeringsarts G.J.A. van Kasteren-van Delden van 3 april 2008.

Desgevraagd heeft werkgeefster te kennen gegeven als partij aan het geding in hoger beroep te willen deelnemen.

Namens betrokkene heeft mr. A.H.M. van den Broek, advocaat te Weert, een verweerschrift ingediend.

Werkgeefster heeft een schriftelijke uiteenzetting over de zaak gegeven.

De gemachtigde van werknemer heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 maart 2010.

Appellant was vertegenwoordigd door E.H.J. Olthof. Namens betrokkene is zijn gemachtigde verschenen. Werkgeefster was – met kennisgeving – ter zitting niet vertegenwoordigd.

II. OVERWEGINGEN

1. Betrokkene was werkzaam als operator perserij bij werkgeefster toen hij op 2 december 2004 voor dit werk uitviel als gevolg van een hersenbloeding. Met ingang van 10 augustus 2005 is betrokkene op basis van arbeidstherapie aangepast werk gaan verrichten voor enkele uren per week, dat geleidelijk is uitgebouwd tot 3 x 2 uur per week.

2.1. Betrokkene is in het kader van de beoordeling van zijn aanspraak op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) op 20 november 2006 onderzocht door de arts R.R. van Gelder. In een rapport van dezelfde datum vermeldde Van Gelder dat volgens betrokkene tot augustus 2005 sprake was van een geleidelijke verbetering maar dat sindsdien het herstel stagneerde en de klachten ongewijzigd bleven. Volgens Van Gelder zijn er op grond van de doorgemaakte CVA en de afwijkingen op de MRI-scan energetische en cognitieve afwijkingen aan te nemen, ter bevestiging waarvan informatie bij de neuroloog werd opgevraagd. Van Gelder achtte appellant aangewezen op lichte, eenvoudige arbeid met een urenbeperking tot 4 uur per dag. De bevindingen legde Van Gelder vast in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML).

2.2. Bij het arbeidskundig onderzoek werd vastgesteld dat appellant ongeschikt was voor zijn eigen werk en dat onvoldoende functies konden worden geduid om een restverdiencapaciteit te kunnen vaststellen. Van Gelder ontving de gevraagde informatie van de neuroloog drs. A.J.M. Kok van 6 december 2006. Kok stemde in met de conclusie van Van Gelder dat geen specifieke lichamelijke of cognitieve beperkingen werden aangetoond, maar achtte op grond van de doorgemaakte zeer uitgebreide bloeding de klachten van betrokkene toch aannemelijk. Hij gaf voorts aan dat hij betrokkene adviseerde tot langzame opbouw van voornamelijk ontspannende inspanningen en dat hij dacht dat er nog wel een lichte verbetering mogelijk was maar dat een terugkeer naar de oorspronkelijke belastbaarheid onmogelijk leek. Naar aanleiding van deze neurologische informatie stelde Van Gelder in een rapport van 13 december 2006 vast dat geen sprake was van een progressief ziektebeeld en mogelijk van een stabiel ziektebeeld en dat er een redelijke verwachting over verbetering van de belastbaarheid in het komende jaar was met als conclusie dat de arbeidsbeperkingen niet duurzaam waren.

2.3. Bij besluit van 13 december 2006 heeft appellant vastgesteld dat betrokkene met ingang van 30 november 2006 recht had op een loongerelateerde WGA-uitkering en toegelicht dat hij 80 tot 100% arbeidsongeschikt was en een meer dan geringe kans op herstel had.

3. In de bezwaarprocedure concludeerde de bezwaarverzekeringsarts A.D.C. Huijsmans in een rapport van 16 mei 2007 dat Van Gelder de FML vooral gebaseerd heeft op de klachten en minder op de feitelijke afwijkingen. Zij achtte het dan ook voorstelbaar dat de FML na een herbeoordeling in de toekomst minder beperkingen zou aangeven. Volgens Huijsmans zijn de vastgestelde beperkingen van appellant dan ook niet duurzaam te achten. Appellant heeft vervolgens bij besluit van 31 mei 2007 het tegen het besluit van 13 december 2006 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

4. In beroep legde appellant een rapport van de in rubriek I vermelde bezwaarverzekeringsarts Van Kasteren-van Delden van 22 januari 2008 over. Zij concludeerde aan de hand van een volgens het Uwv gehanteerd stappenplan uit de richtlijn “Beoordeling van duurzaamheid van arbeidsbeperkingen” (hierna: de richtlijn) en het gegeven dat volgens de behandelend neuroloog nog wel een lichte verbetering mogelijk was dat, hoewel medisch herstel niet mogelijk was, de gevolgen van de ziekte zodanig kunnen worden behandeld dat volgens stap 2 van de richtlijn arbeidsmogelijkheden zouden kunnen ontstaan.

5.1. De rechtbank verklaarde bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene tegen het besluit van 31 mei 2007 (hierna: het bestreden besluit) gegrond, vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat appellant een nieuw besluit diende te nemen met inachtneming van haar uitspraak Tevens gaf zij beslissingen over vergoeding aan betrokkene van griffierecht en proceskosten maar wees diens schadeverzoek af.

5.2. De rechtbank oordeelde in de eerste plaats dat er op basis van de beschikbare medische gegevens geen redenen waren om te twijfelen aan de juistheid van de door appellant vastgestelde belastbaarheid op de datum bij het bestreden besluit in geding. Voorts stelde de rechtbank vast dat tussen partijen niet in geschil was dat betrokkene op even bedoelde datum volledig arbeidsongeschikt was, maar dat in geschil was of appellant terecht had gesteld dat die ongeschikheid niet duurzaam was.

5.3. Op basis van de informatie van de behandelend neuroloog concludeerde de rechtbank dat Van Kasteren-van Delden terecht heeft vastgesteld dat volgens stap 1 verbetering van de medische situatie van betrokkene niet uitgesloten was. De rechtbank zag echter tevens in het standpunt van de neuroloog dat een lichte verbetering mogelijk was, onvoldoende aanknopingspunten voor de vergaande conclusie dat die verbetering het eerst komende jaar kon worden verwacht, zoals bedoeld in stap 2. Hiervoor was volgens de rechtbank verder onderzoek noodzakelijk en om die reden concludeerde zij dat het bestreden besluit onzorgvuldig was voorbereid en onvoldoende gemotiveerd was. Het bestreden besluit diende dan ook te worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

6.1. In hoger beroep voerde het Uwv aan dat bij het volgen van stap 2 van de richtlijn een keuze moet worden gemaakt tussen een redelijke of goede verwachting dat verbetering van de belastbaarheid zal optreden en een niet of nauwelijks te verwachten verbetering. Voorts zal appellant overeenkomstig de richtlijn bij het ontbreken van doorslaggevende argumenten voor de keuze binnen stap 2 uitgaan van de redelijk tot goede verwachting van verbetering. Verder wees appellant in hoger beroep naar het in rubriek I vermelde rapport van Van Kasteren-van Delden.

6.2. Betrokkene stelde in het verweerschrift zich geheel te kunnen vinden in de aangevallen uitspraak, terwijl werkgeefster in haar schriftelijke uiteenzetting aangaf dat de slechte gezondheidstoestand van betrokkene gedurende het re-integratietraject niet was verbeterd met als gevolg dat hij niet in staat was om arbeid te verrichten. Voorts legde betrokkene op 15 februari 2010 nog stukken over betreffende een herbeoordeling in juli/augustus 2008 met als medische conclusie dat sinds de vorige beoordeling (thans in geding) de belastbaarheid in grote lijnen gelijk is gebleven en dat betrokkene in aanmerking komt voor een IVA-uitkering. Ter zitting deelde gemachtigde van betrokkene mee dat de IVA-uitkering met ingang van 11 juli 2008 was toegekend.

7.1. De Raad stelt in de eerste plaats vast dat het hoger beroep van appellant zich uitsluitend richt tot het oordeel van de rechtbank over de vraag of bij het bestreden besluit was voldaan aan stap 2 van de richtlijn. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat betrokkene en werkgeefster geen hoger beroep hebben ingesteld, staan in dit geding niet meer ter beoordeling de vragen of de belastbaarheid van betrokkene juist is vastgesteld, of betrokkene op de datum in geding volledig arbeidsongeschikt was en of bij de beoordeling van de duurzaamheid is voldaan aan stap 1 in vorenbedoelde zin van de richtlijn.

7.2. De Raad heeft in inmiddels vaste jurisprudentie geoordeeld dat het bij de beantwoording van de vraag of sprake is van duurzaamheid in vorenbedoelde zin gaat om een inschatting van de toekomstige ontwikkelingen van de arbeidsbeperkingen, wat meebrengt dat de inschatting van de kans op herstel in het eerste jaar en daarna dient te berusten op een concrete en duidelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de betreffende verzekerde aan de orde zijn.

7.3. De Raad is in het licht van overweging 7.2 met de rechtbank van oordeel dat door appellant onvoldoende is onderzocht en derhalve ook ondeugdelijk is gemotiveerd dat in het eerst komende jaar een verbetering van de belastbaarheid kon worden verwacht zodanig dat bij een herbeoordeling mogelijk een minder vergaande FML kon worden opgesteld. De Raad overweegt daartoe dat uit de verzekeringsgeneeskundige rapporten niet naar voren komt of de vraag is gerezen van welk niveau van functioneren de neuroloog Kok bij de in overweging 2.2 vermelde informatie was uitgegaan. In de vraagstelling van Van Gelder aan Kok van 20 november 2006 is immers niet vermeld dat eerstgenoemde betrokkene voor arbeid beperkt achtte tot ongeveer 4 uur per dag en 20 uur per week, terwijl wel gewag is gemaakt van pogingen tot werkhervatting in aangepast werk tot uiteindelijk niet meer dan 3 x 2 uur per week. Bedoeld uitgangspunt komt de Raad essentieel voor bij de beantwoording van de vraag tot welk perspectief de gedachte van de neuroloog dat nog wel een lichte verbetering mogelijk was, naar verwachting redelijkerwijs kon reiken, namelijk een lichte verbetering ten opzichte van 3 x 2 uur per week in aangepast werk bij werkgeefster of ten opzichte van 5 x 4 uur per week op basis van de FML. Voorts acht de Raad mede van belang dat het advies van Kok inzake langzame opbouw niet zag op arbeid maar op ontspannende inspanningen. De Raad kan dan ook niet anders concluderen dan dat Van Gelder aan Kok geen concrete, op stap 2 van het stappenplan toegesneden, vragen heeft gesteld en dat zulks ook niet nadien in de bezwaarprocedure is gedaan. Zonder een antwoord op deze vragen is het naar het oordeel van de Raad niet mogelijk om, uitgaande van de datum in geding, ervan uit te gaan dat een hogere belasting dan in de FML was neergelegd in het eerst komende jaar kon worden verwacht. Aan de keuze als bedoeld in stap 2 en in hoger beroep door appellant aan de orde gesteld volgens die stap kon derhalve, voordat de binnen die stap aan die keuze voorafgaande mogelijkheden waren beoordeeld, nog niet worden toegekomen.

7.4. Overweging 7.3 leidt de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

8. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten van werkgeefster is de Raad niet gebleken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,-;

Bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 443,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en J.P.M. Zeijen als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 april 2010.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) D.E.P.M. Bary.

CVG