Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM3140

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-04-2010
Datum publicatie
03-05-2010
Zaaknummer
08-1924 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het College heeft op basis van de verklaringen van appellante en betrokkene terecht aangenomen dat appellante en betrokkene in de periode in geding een gezamenlijk hoofdverblijf hadden in de woning van appellante. Het College wa niet gehouden nader onderzoek te doen naar de situatie op het adres waar betrokkene stond ingeschreven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/1924 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 21 februari 2008, 07/564 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoogeveen (hierna: College)

Datum uitspraak: 27 april 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E.Tj. van Dalen, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 maart 2010. Voor appellante is verschenen mr. Van Dalen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door F.X. Pouwels, werkzaam bij de gemeente Hoogeveen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving sedert 24 mei 2005 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Op 3 juli 2006 is uit haar relatie met [H.] (hierna: [H.]) een zoon geboren, die door [H.] is erkend.

1.2. Naar aanleiding van herhaalde signalen dat appellante samenwoont met [H.] heeft het Opsporingssamenwerkingsverband Sociale Recherche Zuid-Drenthe & Noordwest-Overijssel (hierna: sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader zijn observaties uitgevoerd, heeft een buurtbewoner als getuige een verklaring afgelegd en zijn appellante en [H.] op 17 januari 2007 als verdachten verhoord. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 13 februari 2007. De onderzoeksresultaten zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 9 februari 2007 de bijstand met ingang van 3 juli 2006 in te trekken. De besluitvorming berust op de overweging dat appellante en [H.] hoofdverblijf hebben in dezelfde woning, uit hun relatie een kind is geboren en dus een gezamenlijke huishouding voeren.

1.3. Bij besluit van 5 juni 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 9 februari 2007 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 5 juni 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Zij bestrijdt dat er sprake is geweest van gezamenlijk hoofdverblijf. De door appellante en [H.] afgelegde verklaringen kunnen die vaststelling niet dragen, omdat zij onder druk en invloed van medicijnen zijn afgelegd. Verder is verzuimd onderzoek te doen naar de woonsituatie van [H.].

4. In geschil is of appellante en [H.] van 3 juli 2006 tot en met 9 februari 2007 gezamenlijk hoofdverblijf in de woning van appellante hebben gehad. De Raad komt, zich beperkend tot dit geschilpunt, tot de volgende beoordeling, waarbij hij voor de tekst van de toepasselijke wettelijke bepalingen verwijst naar de aangevallen uitspraak.

4.1. De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. In de hier te beoordelen periode was [H.] ingeschreven op een ander adres. Het aanhouden van afzonderlijke adressen hoeft echter niet aan het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning in de weg te staan. In dat geval zal redelijkerwijs aannemelijk moeten zijn dat desondanks een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts een van beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt dan wel doordat op een andere wijze zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat in feite van samenwonen moet worden gesproken.

4.2. Appellante en [H.] hebben hun verklaringen afgelegd tegenover een sociaal rechercheur. Zij hebben blijkens de daarvan opgemaakte processen-verbaal na lezing in hun verklaringen volhard en deze ondertekend. Uit de verklaringen blijkt niet dat ontoelaatbare druk op appellante en [H.] is uitgeoefend. Dat is ook niet op andere wijze aannemelijk gemaakt. De enkele omstandigheid dat appellante de zorg had voor haar kinderen is daarvoor onvoldoende, nu vaststaat dat appellante en [H.] op verschillende dagdelen zijn verhoord en na ontbieding zijn verschenen. De stelling dat de verklaringen onbetrouwbaar zijn wegens medicijngebruik is op geen enkele manier aannemelijk gemaakt. Het College mocht zich dus bij de besluitvorming op deze verklaringen baseren.

4.3. Appellante heeft tegenover de sociale recherche verklaard dat [H.] sinds mei of juni 2006 meestal vier dagen per week bij haar is, dan een paar dagen weggaat en daarna weer terugkomt. Tijdens zijn verblijf bij appellante eet en slaapt [H.] daar. Appellante doet de was voor [H.] en kleding van hem hangt bij haar in de kast. Volgens appellante heeft [H.] aan een advocaat gevraagd hoeveel dagen hij per week bij appellante mocht zijn. [H.] heeft haar verteld dat volgens deze advocaat vier dagen wel toegestaan was. [H.] heeft tegenover de sociale recherche verklaard dat hij sinds ongeveer een half jaar vier dagen per week bij appellante eet en slaapt. Als hij bij haar is, doet zij ook de was. [H.] heeft kleding hangen in de kast bij appellante. Hij kan komen en gaan wanneer hij wil en hij heeft ook een sleutel van de woning van appellante.

4.4. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het College op basis van de verklaringen van appellante en [H.] terecht heeft aangenomen dat appellante en [H.] in de periode in geding een gezamenlijk hoofdverblijf hadden in de woning van appellante. Bij die stand van zaken was, zoals ook de rechtbank geoordeeld heeft, het College niet gehouden nader onderzoek te doen naar de situatie op het adres waar [H.] stond ingeschreven.

4.5. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt daarom voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en J.F. Bandringa en O.L.H.W.I. Korte als leden in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 april 2010.

(get.) J.J.A. Kooijman.

(get.) C. de Blaeij.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

TM