Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM3131

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-04-2010
Datum publicatie
04-05-2010
Zaaknummer
08-6014 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Naar aanleiding van appellantes met stukken van medische aard onderbouwde melding van toegenomen gewrichtsklachten aan de handen, polsen en ellebogen als gevolg van artrose, die volgens appellante bestaan sinds begin 2005, (...) moet de Raad thans constateren dat aan de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling per 6 juni 2005 geen verzekeringsgeneeskundig onderzoek ten grondslag ligt dat gericht is op deze melding, althans dat niet (kenbaar) is onderzocht of ten opzichte van de eerder beoordeelde datum van 26 oktober 2004 deze toegenomen klachten leiden tot een gewijzigde vaststelling van de belastbaarheid van appellante. In verband hiermee moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 2 van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten, althans onzorgvuldig is voorbereid en niet deugdelijk is gemotiveerd. In het licht hiervan behoeft de arbeidskundige grondslag geen bespreking meer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/6014 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 3 september 2008, 07/4735 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 29 april 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante, heeft mr. M.C. Frissart-Kallenbach, advocaat te Nijmegen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 februari 2010 waar van de zijde van appellante zoals schriftelijk was aangekondigd, niemand is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.J. Belder.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 25 augustus 2004 heeft het Uwv de aan appellante met ingang van 17 november 1997 toegekende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), met ingang van 26 oktober 2004 ingetrokken, onder de overweging dat de mate van appellantes arbeidsongeschiktheid per deze datum minder is dan 15%. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij beslissing op bezwaar van 5 april 2005 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank Arnhem heeft het beroep van appellante tegen het besluit van 5 april 2005 bij uitspraak van 8 december 2005 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en opdracht gegeven om een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. De rechtbank onderschreef de medische grondslag van het besluit van 5 april 2005 en constateerde dat de voor appellante geselecteerde functies te beschouwen zijn als algemeen geaccepteerde arbeid. Omdat deze functies door de bezwaararbeidsdeskundige niet eerder aan appellante zijn voorgehouden is er naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte geen uitlooptermijn in acht genomen. Hiertegen zijn geen rechtsmiddelen aangewend.

3. Vervolgens heeft het Uwv, ter uitvoering van deze uitspraak, een nieuwe beslissing op bezwaar van 1 maart 2006 genomen, waarbij, onder herroeping van het besluit van 25 augustus 2004, de WAO-uitkering is ingetrokken, thans met ingang van 6 juni 2005, zijnde twee maanden en één dag nadat de geselecteerde functies die ten grondslag liggen aan het door de rechtbank vernietigde besluit van 5 april 2005, aan appellante zijn voorgehouden.

4. In beroep heeft appellante tegen het besluit van 1 maart 2006 onder meer aangevoerd dat zij sinds januari 2005, derhalve na de eerdere intrekkingsdatum van 26 oktober 2004, een forse toename heeft van gewrichtsklachten als gevolg van artrose van de handen, heupen, knieën en voeten, waarmee geen rekening is gehouden bij de vaststelling van de belastbaarheid per 6 juni 2005. Ter ondersteuning van haar standpunt heeft zij diverse medische stukken van de afdelingen Orthopedie en Reumatische Ziekten van het UMC St Radboud overgelegd van verschillende data, met name betreffende de periode januari 2006 tot en met juli 2006. Voorts heeft appellante een brief van de orthopedisch chirurg M. Holla en prof. dr. A. van Kampen van 6 september 2006 overgelegd waarin is vermeld dat volgens hun notities de klachten aan de ellebogen, polsen en handen na begin 2005 door appellante kenbaar zijn gemaakt; vóór begin 2005 had zij reeds klachten aan heupen, knieën en schouders aangegeven.

5. Het beroep tegen het besluit van 6 juni 2005 is door de rechtbank Arnhem, bij uitspraak van 16 januari 2007, ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat de gronden zich niet richten op de uitlooptermijn in het besluit van 6 juni 2005, maar op de arbeidsongeschiktheidsschatting. Deze beroepsgronden zijn reeds bij eerdere uitspraak van 8 december 2005, uitdrukkelijk en zonder voorbehoud verworpen. Wijzend op de uitspraken van deze Raad van 4 april 2001, LJN ZB9197, en 18 december 2001, LJN AN8089, brengt het beginsel van formele rechtskracht met zich mee dat van de juistheid van die uitspraak waar het de schatting betreft dient te worden uitgegaan en dat de gronden niet kunnen leiden tot vernietiging van het besluit.

6. In hoger beroep heeft deze Raad bij uitspraak van 6 november 2007, 07/982 WAO, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de zaak teruggewezen naar de rechtbank. Daartoe heeft de Raad overwogen dat de rechtbank in haar uitspraak ten onrechte is uitgegaan van een formele rechtskracht van de uitspraak van 5 december 2005, waarbij een oordeel is gegeven met betrekking tot de belastbaarheid per 26 oktober 2004. De Raad heeft daarbij het volgende overwogen:

“In die uitspraken (van 4 april en 18 december 2001) heeft de Raad geoordeeld dat, gelet op het karakter van de bezwaarprocedure, de heroverweging in bezwaar zich er niet tegen verzet dat de herroeping van het primaire besluit en de vervanging ervan door een nieuw besluit ertoe leidt dat – op grond van eisen van zorgvuldigheid – de intrekking of herziening van de arbeidsongeschikt-heidsuitkering met ingang van een later tijdstip plaatsvindt. Daarmee is echter niet gegeven dat bij het nemen van dit nieuwe besluit in alle gevallen zonder meer kan worden uitgegaan van de gegevens die aan het oorspronkelijke, herroepen, besluit ten grondslag lagen. Gelet hierop heeft de rechtbank (ook) de beroepsgrond van appellante dat haar medische situatie op 6 juni 2005 was verslechterd ten opzichte van de situatie op 26 oktober 2004, ten onrechte niet in de beoordeling van het bestreden besluit betrokken.”

7.1. Na deze terugwijzing heeft appellante ter onderbouwing van haar stelling dat haar medische situatie ten opzichte van haar situatie op 26 oktober 2004 is verslechterd, bij brief van 2 mei 2008 de rechtbank een aantal stukken doen toekomen van afdeling orthopedie alsmede een afschrift van het medische journaal van haar huisarts vanaf december 2004 tot en met mei 2006.

7.2. Bezwaararbeidsdeskundige P.G. Reijnen heeft bij rapportage van 9 juli 2008 de geschiktheid van de functies nog nader toegelicht.

7.3. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het besluit van 1 maart 2006 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard. De rechtbank acht geen aanknopingspunten aanwezig voor het oordeel dat appellantes belastbaarheid op 6 juni 2005 verdergaand beperkt is te achten dan door het Uwv is vastgesteld. Ook met de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit kan de rechtbank blijkens de overwegingen van de aangevallen uitspraak zich verenigen. Omdat een deugdelijke arbeidskundige motivering van het bestreden besluit eerst in de beroepsfase is gegeven, heeft de rechtbank bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, maar tevens bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven.

8. Appellante is van deze uitspraak in hoger beroep gekomen. Zij is het niet eens met de medische beoordeling per 6 juni 2005 en heeft haar gronden herhaald dat zij als gevolg van artrose sterker beperkt is dan aangenomen. Voorts heeft zij gemotiveerd de geschiktheid voor de geduide functies betwist.

9.1. De Raad overweegt als volgt.

9.2. Gelet op het systeem van de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid - zoals dat in de kern besloten ligt in artikel 18, eerste lid, van de WAO en artikel 2 van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten - dient aan de basis van een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling het medisch oordeel van de verzekeringsarts over de mogelijkheden en beperkingen van een verzekerde alsmede een arbeidskundig oordeel over de nog passend te achten arbeidsmogelijkheden ten grondslag te liggen.

Naar aanleiding van appellantes met stukken van medische aard onderbouwde melding van toegenomen gewrichtsklachten aan de handen, polsen en ellebogen als gevolg van artrose, die volgens appellante bestaan sinds begin 2005, en gelet op het overwogene in ’s Raads uitspraak van 6 november 2007 onder 6, moet de Raad thans constateren dat aan de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling per 6 juni 2005 geen verzekerings-geneeskundig onderzoek ten grondslag ligt dat gericht is op deze melding, althans dat niet (kenbaar) is onderzocht of ten opzichte van de eerder beoordeelde datum van

26 oktober 2004 deze toegenomen klachten leiden tot een gewijzigde vaststelling van de belastbaarheid van appellante.

In verband hiermee moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 2 van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten, althans onzorgvuldig is voorbereid en niet deugdelijk is gemotiveerd. In het licht hiervan behoeft de arbeidskundige grondslag geen bespreking meer.

9.3. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd, het beroep zal gegrond worden verklaard en het bestreden besluit zal worden vernietigd. Tevens zal het Uwv worden opgedragen een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar van appellante met inachtneming van deze uitspraak.

10. Namens appellante is op grond van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verzocht het Uwv te veroordelen in de schade aan de kant van appellante. Nu het Uwv een nieuw besluit op bezwaar zal moeten nemen, ligt het thans niet op de weg van de Raad om zich over mogelijke schade uit te spreken omdat nog niet vaststaat hoe het nieuwe besluit zal gaan luiden. Het Uwv zal bij het nemen van een nieuw besluit op bezwaar tevens aandacht moeten besteden aan de vraag in hoeverre er termen zijn om schade te vergoeden.

11. Bij faxbericht, ter griffie van de Raad ontvangen op de ochtend van de zitting van 5 februari 2010, is namens appellante een verzoek gedaan tot toekenning van schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. De gemachtigde van het Uwv heeft ter zitting te kennen gegeven dat zij zich hierdoor overvallen voelt. De Raad is van oordeel dat dit verzoek thans dient te worden afgewezen wegens strijd met de goede procesorde en overweegt dat niet valt in te zien dat de gemachtigde van appellante dit verzoek niet eerder in de procedure bij de Raad had kunnen indienen. Bovendien is het verzoek op geen enkele wijze nader onderbouwd dan wel toegelicht.

12. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante zowel in beroep als hoger beroep. De kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat het Uwv een nieuwe beslissing op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Veroordeelt het Uwv tot betaling van de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 966,-;

Bepaalt dat het Uwv aan appellante het betaalde griffierecht van € 145,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J.W. Schuttel en J.P.M. Zeijen als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 april 2010.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) D.E.P.M. Bary.

GdJ