Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM3122

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-04-2010
Datum publicatie
03-05-2010
Zaaknummer
08-4364 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijzondere bijstand. Schuld of een verplichting tot aflossing van een schuld bij een derde is niet aangetoond. Ter financiering van de (overige) kosten waarvoor bijzondere bijstand is aangevraagd is al een lening afgesloten bij de Kredietbank. Deze lening is een passende voorliggende voorziening. Geen sprake van bijzondere omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/4364 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 12 juni 2008, 07/2068 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht (hierna: College)

Datum uitspraak: 20 april 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A. Kara, advocaat te Maastricht, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 maart 2010. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het College heeft zicht laten vertegenwoordigen door P.H.J.M. Kalmar, werkzaam bij de gemeente Maastricht.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is eind 2006 met zijn echtgenote en twee kinderen vanuit Turkije verhuisd naar Nederland. Aan hem is per 29 januari 2007 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) toegekend naar de norm voor gehuwden. Zij huren met ingang van 20 maart 2007 een woning in Maastricht. Appellant heeft op 18 april 2007 bij het College bijzondere bijstand aangevraagd tot een bedrag van € 5.575,-- voor de kosten van aanschaf van huishoudelijke apparatuur, inrichting van de woning en het aflossen van schulden aan vrienden. In verband met die aanvraag heeft op 18 april 2007 een huisbezoek plaatsgevonden. De bevindingen van dat huisbezoek zijn neergelegd in een rapport van 3 mei 2007. Appellant en zijn echtgenote hebben op 11 mei 2007 een persoonlijke lening afgesloten bij de Kredietbank Limburg tot een bedrag van € 2.250,--.

1.2. Bij besluit van 8 mei 2007 heeft het College de aanvraag afgewezen. Het door appellant tegen dit besluit gerichte bezwaar is door het College bij besluit van 12 oktober 2007 ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat appellant geen recht heeft op de aangevraagde bijzondere bijstand omdat in een deel van de kosten ten tijde van de aanvraag al was voorzien en omdat het overige deel van de kosten kan worden voldaan uit de lening bij de Kredietbank Limburg.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 12 oktober 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 35, eerste lid, van de WWB - voor zover van belang - heeft, onverminderd paragraaf 2.2 de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen, en het inkomen, voor zover dat meer is dan de bijstandsnorm. Op grond van vaste rechtspraak van de Raad moet bij de toepassing van dat artikellid eerst worden beoordeeld of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen.

4.2. Door appellant is bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van aanschaf van een koelkast, wasmachine, televisie, eettafel met stoelen, bedden en matrassen voor de kinderen, een bureaumeubel (hierna: eerst vermelde goederen), bed en matras voor zichzelf en zijn echtgenote, stofzuiger, keukengerei, oven met kookplaat, tapijten, dekens en kussens, gordijnen, dekbedovertreksets, drie garderobekasten, bankstel met tafel en lampen (hierna: overige kosten). Tijdens het huisbezoek op 18 april 2007 is geconstateerd dat eerst vermelde goederen in de woning aanwezig waren. Appellant heeft desgevraagd verklaard dat hij het besluit op de aanvraag om bijzondere bijstand niet kon afwachten en daarop vooruitlopend deze spullen heeft aangeschaft en betaald van het bedrag van € 3.750,-- dat hij van een vriend heeft geleend.

4.3. Tussen partijen is niet in geschil, en ook de Raad houdt het er op grond van de beschikbare gegevens voor, dat eerst vermelde goederen zijn gekocht en betaald voordat appellant daarvoor bijzondere bijstand heeft aangevraagd. Ten aanzien van deze kosten is de Raad, evenals de rechtbank, van oordeel dat daarvoor terecht geen bijzondere bijstand is verleend, omdat daarin ten tijde van de aanvraag reeds was voorzien. De stelling van appellant dat deze kosten zijn voorgeschoten door een vriend en dat hij bijzondere bijstand nodig heeft om deze vriend terug te kunnen betalen, leidt de Raad niet tot een ander oordeel, reeds omdat niet aannemelijk is gemaakt of gebleken dat appellant een schuld of een verplichting tot aflossing van een schuld heeft bij een derde. De Raad wijst er in dit verband op dat het schrijven van 11 juni 2007 dat tijdens de hoorzitting in de bezwaarfase is overgelegd, waarin is vermeld dat de beweerdelijk geldverstrekker, tandarts te Purmerend, appellant € 3.500,-- heeft geleend die hij nu wel graag terug wil, niet strookt met de verklaring van appellant tijdens die hoorzitting dat hij het geleende geld binnen tien termijnen moet terug betalen, noch met de verklaring van appellant tijdens het huisbezoek in april 2007 dat hij € 3.750,-- heeft geleend van een vriend in Amsterdam, en evenmin met de stelling van appellant in hoger beroep dat kennissen hem ter zake een kortlopende lening hebben verstrekt.

4.4. Ten aanzien van de overige kosten overweegt de Raad het volgende.

4.5. Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de WWB bestaat geen recht op bijstand voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn. Ingevolge artikel 5, aanhef en onder f, van de WWB wordt onder een voorliggende voorziening verstaan elke voorziening buiten deze wet waarop de belanghebbende of het gezin aanspraak kan maken, dan wel een beroep kan doen, ter verwerving van middelen ter bekostiging van specifieke uitgaven.

4.6. Vaststaat dat appellant en zijn echtgenote ter financiering van de kosten waarvoor bijzondere bijstand is aangevraagd op 11 mei 2007 een bedrag van € 2.250,-- hebben geleend bij de Kredietbank Limburg. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank dat deze lening als een passende voorliggende voorziening moet worden aangemerkt. De Raad is voorts met de rechtbank van oordeel dat deze voorziening toereikend moet worden geacht omdat, met het daarmee gemoeide bedrag tezamen met de kosten waarin was voorzien (€ 3.750,--) de totale kosten waarvoor bijzondere bijstand is gevraagd (€ 5.575,--) worden overschreden.

4.7. Artikel 16, eerste lid, van de WWB biedt de mogelijkheid om in afwijking van artikel 15, eerste lid, van de WWB, bijstand te verlenen indien, gelet op alle omstandigheden, zeer dringende redenen daartoe noodzaken. Blijkens de memorie van toelichting dient dan vast te staan dat sprake is van een acute noodsituatie en dat de behoeftige omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen. In hetgeen door appellant is aangevoerd ziet de Raad geen zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB. Hieruit volgt dat aan het College niet de bevoegdheid toekwam om bijzondere bijstand te verlenen voor de hier besproken overige kosten.

4.8. Gelet op het voorgaande treft het hoger beroep geen doel. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 april 2010.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

CVG