Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM3108

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-04-2010
Datum publicatie
06-05-2010
Zaaknummer
09-5 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Voldoende medische grondslag. Uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellant vastgestelde medische beperkingen is de Raad met de rechtbank van oordeel dat de functies die aan de schatting ten grondslag zijn gelegd voor appellant in medisch opzicht als geschikt dienen te worden aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/5 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 3 december 2008, 08/1932(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 21 april 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.G.H.M. de Glas, advocaat te Nijmegen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2010. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. Smid.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, geboren [in] 1955, was laatstelijk werkzaam als magazijnmedewerker. In verband met psychische klachten ontving hij met ingang van

26 mei 1992 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. Ter uitvoering van artikel 34, vierde lid, van de WAO, zoals dat destijds luidde, heeft in 2006 een herbeoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant plaatsgevonden aan de hand van het per 1 oktober 2004 aangepaste Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (aSB). Op grond van de resultaten van deze herbeoordeling heeft het Uwv bij besluit van 20 december 2006 de WAO-uitkering van appellant met ingang van 21 februari 2007 ingetrokken omdat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid minder is dan 15%. Daaraan ligt het standpunt ten grondslag dat appellant ongeschikt is voor de maatgevende arbeid, maar met inachtneming van zijn medische beperkingen, neergelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 30 november 2006, geschikt is voor gangbare arbeid, waarvan hem enkele voorbeelden zijn geduid. Naar aanleiding van het door appellant tegen dat besluit gemaakte bezwaar heeft een bezwaararbeidsdeskundige geconcludeerd dat niet alle geduide functies, gelet op de in die functies gestelde opleidingsvereisten voor appellant passend zijn en dat er om die reden onvoldoende functies resteren, waarop de schatting per 21 februari 2007 kan worden gebaseerd. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit op bezwaar van 5 oktober 2007 de WAO-uitkering van appellant met ingang van 21 februari 2007 voortgezet naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.3. Ter uitvoering van artikel 34, vijfde lid, van de WAO heeft in 2007 een herbeoordeling plaatsgevonden van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 22 februari 2007 aan de hand van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten, zoals dat gold tot 1 oktober 2004 (oSB). Een bezwaarverzekeringsarts heeft op 24 juli 2007 vastgesteld dat sedert 30 november 2006 sprake is van een ongewijzigde belastbaarheid van appellant en de FML van 30 november 2006 omgezet naar een FML van 24 juli 2007. Een bezwaararbeidsdeskundige heeft op grond van de FML van 24 juli 2007 en de criteria van het oSB functies geselecteerd, waarvoor appellant geschikt wordt geacht en het verlies aan verdiencapaciteit berekend op minder dan 15%. Bij besluit van

5 oktober 2007 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant met ingang van

6 december 2007 ingetrokken. Het tegen dit besluit door appellant gemaakte bezwaar is bij besluit van 26 maart 2008 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2.1. De rechtbank heeft het betoog van appellant dat het bestreden besluit in strijd met artikel 34, vijfde lid, laatste volzin, van de WAO is genomen, verworpen. Met verwijzing naar de rechtspraak van de Raad heeft de rechtbank geoordeeld dat de vaststelling dat het Uwv niet verplicht is om de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant op grond van artikel 34, vijfde lid, eerste volzin, van de WAO per 22 februari 2007 te herbeoordelen, niet betekent dat het Uwv niet bevoegd is om de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant te doen onderzoeken. Uit artikel 23 van de WAO volgt dat het Uwv in beginsel een ruime bevoegdheid heeft om personen die een uitkering ontvangen te doen onderzoeken. Het betoog van appellant dat de door het Uwv gevolgde procedure ondoorzichtig is, treft naar het oordeel van de rechtbank evenmin doel.

2.2. De rechtbank heeft voorts de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven.

3.1. Appellant heeft in hoger beroep zijn stelling gehandhaafd dat het bestreden besluit in strijd met artikel 34, vijfde lid, laatste volzin, van de WAO is genomen en dat het Uwv in strijd met de eigen beleidsregels de mate van zijn arbeidsongeschiktheid heeft herbeoordeeld. Appellant heeft er nogmaals op gewezen dat de gevolgde procedure ondoorzichtig is. Het bestreden besluit is onzorgvuldig tot stand gekomen. Voorts acht appellant zich meer beperkt dan door het Uwv is aangenomen. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft hij ook in hoger beroep gewezen op de brief van 25 februari 2008 van psychiater dr. J.G.E. Janzing. Appellant acht zich niet geschikt de werkzaamheden te verrichten in de functies waarop de schatting is gebaseerd.

3.2. Het Uwv heeft in verweer verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In artikel 34, vierde, vijfde en zesde lid, van de WAO, is het volgende bepaald:

“4. Onverminderd het in deze wet ter zake van herziening of intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering bepaalde wordt ten aanzien van personen die na 1 juli 1954 zijn geboren, op een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaald tijdstip door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen bezien of er in verband met wijziging van de mate van arbeidsongeschiktheid gronden zijn voor herziening of intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering. Het tijdstip kan voor verschillende groepen van personen verschillend worden vastgesteld. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de eerste zin niet van toepassing is op bepaalde groepen van personen.

5. Ten aanzien van personen die na 1 juli 1954 maar voor 2 juli 1959 zijn geboren en die voor 22 februari 2007 op grond van het vierde lid zijn herbeoordeeld, wordt door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen bezien of er per 22 februari 2007 in verband met een wijziging van de mate van arbeidsongeschiktheid gronden zijn voor herziening, heropening of intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering. De eerste zin is niet van toepassing op personen die op 22 februari 2007 reeds in de hoogste arbeidsongeschiktheidsklasse zijn ingedeeld.

6. Op grond van de beoordeling, bedoeld in het vijfde lid, wordt de mate van arbeidsongeschiktheid van de persoon, bedoeld in het vijfde lid, die niet heeft verzocht om een nieuwe medische beoordeling, niet lager vastgesteld dan de mate van arbeidsongeschiktheid die voor die persoon gold op 21 februari 2007.”

4.2. De Raad overweegt dat artikel 34, vijfde lid, eerste volzin, van de WAO een verplichting inhoudt voor het Uwv om tot herbeoordeling over te gaan van de mate van arbeidsongeschiktheid van de in die volzin omschreven groep van verzekerden. De laatste volzin van dat artikellid maakt een uitzondering op die verplichting. Indien een verzekerde op 22 februari 2007 reeds in de hoogste arbeidsongeschiktheidsklasse is ingedeeld, is het Uwv niet meer gehouden om tot herbeoordeling van de mate van diens arbeidsongeschiktheid over te gaan. De Raad overweegt verder dat het zesde lid van artikel 34 van de WAO alleen van toepassing is in het geval de mate van arbeidsongeschiktheid van een verzekerde per 22 februari 2007 afneemt op grond van een op basis van artikel 34, vijfde lid, van de WAO verrichte beoordeling.

4.3. De Raad constateert dat het Uwv na herbeoordeling van de arbeidsongeschiktheid van appellant ter uitvoering van artikel 34, vierde lid, van de WAO, diens mate van arbeidsongeschiktheid per 21 februari 2007 heeft vastgesteld op 80 tot 100% en dat die vaststelling op 22 februari 2007 nog van kracht was. Naar het oordeel van de Raad betekent dit dat, gelet op artikel 34, vijfde lid, laatste volzin, van de WAO, het Uwv niet verplicht was om op grond van artikel 34, vijfde lid, eerste volzin, van de WAO te bezien of er ten aanzien van appellant per 22 februari 2007 in verband met een wijziging van de mate van diens arbeidsongeschiktheid gronden zijn voor herziening, heropening of intrekking van dearbeidsongeschiktheidsuitkering, nu appellant gelet op zijn geboortedatum behoort tot de in die eerste volzin omschreven groep van verzekerden.

4.4. De Raad is verder van oordeel dat de vaststelling dat het Uwv niet verplicht is om de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant op grond van artikel 34, vijfde lid, eerste volzin, van de WAO per 22 februari 2007 te herbeoordelen, niet betekent dat het Uwv niet (meer) bevoegd zou zijn diens mate van arbeidsongeschiktheid per latere datum, zoals in dit geval per 6 december 2007, te doen onderzoeken. De Raad heeft herhaaldelijk overwogen, onder meer in zijn uitspraak van 18 maart 2009 (LJN BH7225), dat in artikel 23 van de WAO de bevoegdheid voor het Uwv is neergelegd om – kort gezegd – zo vaak hij dat nodig oordeelt degene die een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangt op te roepen in verband met de aanspraak op die uitkering. Dat het Uwv in strijd met eigen beleidsregels gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid appellant op te roepen voor de herbeoordeling van de mate van diens arbeidsongeschiktheid is de Raad niet gebleken.

4.5. Ten aanzien van de gronden van appellant dat de door het Uwv gevolgde procedure ondoorzichtig is en dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen is de Raad in navolging van de rechtbank van oordeel dat deze gronden geen doel treffen. De rechtbank heeft de bij haar ingediende gronden afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom die gronden niet slagen. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank en maakt die tot de zijne.

4.6. De Raad kan zich voorts vinden in de overwegingen van de rechtbank en het door haar daarop gebaseerde oordeel met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit en maakt die tot de zijne. Wat appellant ter onderbouwing van zijn hoger beroep heeft aangevoerd, vormt een herhaling van hetgeen reeds in beroep is aangevoerd met betrekking tot de medische onderbouwing van het bestreden besluit. Wezenlijke nieuwe gezichtspunten zijn niet naar voren gebracht. Evenals de rechtbank heeft de Raad in de brief van 25 februari 2008 van psychiater Janzing geen aanleiding gezien om aan de juistheid van de medische beperkingen, zoals weergegeven in de FML van 24 juli 2007, te twijfelen.

4.7. Aldus uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellant vastgestelde medische beperkingen is de Raad met de rechtbank van oordeel dat de functies die aan de schatting ten grondslag zijn gelegd, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellant in medisch opzicht geschikt dienen te worden aangemerkt. In de diverse zich onder de gedingstukken bevindende verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige rapportages is de geschiktheid van appellant voor deze functies toereikend gemotiveerd.

4.8. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en B. Barentsen als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 april 2010.

(get.) H. Bolt.

(get.) D.E.P.M. Bary.

IvR