Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM3098

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-04-2010
Datum publicatie
06-05-2010
Zaaknummer
08-2825 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Voldoende medische grondslag. Geen benoeming deskundige. Wat betreft de medische geschiktheid van de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies overweegt de Raad dat het hem onaannemelijk voorkomt dat de door appellante gestelde combinatie van de belastingen reiken en tillen onaanvaardbaar is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/2825 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 16 april 2008, 07/2349 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 29 april 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.J. van der Meulen, advocaat te Tilburg, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft een dossierstudie van de verzekeringsarts E.H. Groenewegen van 9 maart 2009 overgelegd. Het Uwv heeft hierop gereageerd door overlegging van het rapport van de bezwaarverzekeringsarts L.T.M. Lenders van 27 maart 2009.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 maart 2010.

Appellante is - met kennisgeving - niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.H.J.A. Olthof.

II. OVERWEGINGEN.

1. Appellante was werkzaam als inpakster toen zij zich met ingang van 12 december 1986 ziek meldde wegens een schildkliertumor. Met ingang van 1 december 1987 is aan appellante een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, welke werd berekend volgens de klasse 80 tot 100%. In verband met aanvaarding van werk als administratief medewerkster voor 34,67 uur per maand heeft het Uwv bij besluit van 19 juni 2003 de WAO-uitkering van appellante met ingang van 1 januari 2002 herzien naar de klasse 65 tot 80%.

2. Appellante is in het kader van een herbeoordeling op 6 juni 2006 door de verzekeringsarts J. Schipper onderzocht. Deze arts vermeldde in zijn rapport van dezelfde datum onder andere dat appellante na een herniaoperatie af en toe nog uitstralende pijn in het linkerbeen en voorts sinds drie jaar pijnklachten aan de linkerknie heeft. Voor deze laatste klachten leverde orthopedisch onderzoek geen afwijkende bevindingen op. Bij het lichamelijk onderzoek aan schouders, armen, handen en rug stelde Schipper, behoudens een licht krachtsverlies aan de rechterarm, geen afwijkingen en een goede beweeglijkheid vast. Schipper stelde geen psychische problematiek vast. Gelet op deze bevindingen achtte Schipper enige milde fysieke beperkingen aangewezen welke hij vastlegde in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Bij het arbeidskundig onderzoek werd na functieduiding geen verlies van verdienvermogen vastgesteld. Dienovereenkomstig trok het Uwv bij besluit van 3 oktober 2006 de WAO-uitkering van appellante met ingang van 27 november 2006 in.

3. In de bezwaarprocedure ontving de in rubriek I vermelde bezwaarverzekeringsarts Lenders informatie van de behandelend internist van 19 maart 2007, die aangaf dat er met betrekking tot de schildklier een stabiele situatie en een goede prognose was. Wel bleef appellante moeheids- en malaiseklachten houden en was zij vanwege wisselend krachtverlies in beide handen verwezen naar de neuroloog. In een rapport van 26 april 2007 concludeerde Lenders dat de bevindingen van zijn onderzoek op het spreekuur van 29 januari 2007 niet wezenlijk verschilden van die van Schipper, dat geen sprake was van functionele éénarmigheid, dat de door appellante geclaimde slechte dagen niet éénduidig konden worden herleid naar een verklarende medische problematiek en dat van een recent whiplashtrauma, dat niet werd genoemd in het bezwaarschrift en het onderzoek van Schipper, niet éénduidig sprake was. Voorts was er volgens Lenders geen aanleiding voor een urenbeperking. De bezwaararbeidsdeskundige liet in een rapport van 1 juni 2007 enkele functies vervallen en stelde, uitgaande van de resterende functies en met inachtneming van een reductiefactor van 0,97 vast dat geen sprake was van verlies van verdienvermogen. Hierna verklaarde het Uwv bij besluit van 5 juni 2007 het tegen het besluit van 3 oktober 2006 gemaakte bezwaar ongegrond.

4.1. De rechtbank verklaarde bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het besluit van 5 juni 2007 (hierna: bestreden besluit) ongegrond. Zij onderschreef de medische grondslag van en het oordeel in het bestreden besluit over de medische geschiktheid van de resterende functies.

4.2. Wat betreft de medische grondslag merkte de rechtbank nog op dat van de psychische klachten, die in een verzekeringsgeneeskundig rapport van 2 oktober 1996 naar voren kwamen, op de datum bij het bestreden besluit in geding geen sprake meer was. Voorts zag de rechtbank bij gebreke van een nadere onderbouwing geen aanleiding appellante beperkt te achten op het eerst ter zitting door haar vermelde aspect herinneren. Verder zien, aldus de rechtbank, eventuele whiplashklachten niet op die datum, nu het auto-ongeval in februari of maart 2007 plaatsvond.

5.1. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat ten onrechte geen urenbeperking is vastgesteld. Voorts had een reductiefactor in aanmerking moeten worden genomen en vormt de combinatie van reiken en tillen in de functie machinaal metaalbewerker een te grote belasting.

5.2. In het in rubriek I vermelde rapport van verzekeringsarts Groenewegen is geconcludeerd dat de FML wat betreft de rug- en knieklachten nog te billijken zou zijn als ten aanzien van de rechterarm de voorheen geldende beperkingen zouden zijn gehandhaafd. Hij wees op het verschil in beoordeling van die arm door Lenders en de neuroloog dr. A.E. Boon in diens rapport van 22 juli 1996. Boon concludeerde toen tot een diffuse verlamming van de rechterarm, een zeer beperkte herstelmogelijkheid en een feitelijke éénarmigheid bij appellante. Ten slotte achtte Groenewegen een urenbeperking op energetische gronden vanwege een goed gevuld dagverhaal niet verdedigbaar.

5.3. In reactie op het rapport van Groenewegen wees Lenders op 27 maart 2009 op medische rapporten van voor en na het onderzoek van Boon, waaronder het rapport van Schipper en hemzelf, waarin ten aanzien van de rechterarm - kort gezegd - minder verstrekkende bevindingen werden gedaan dan in het rapport van Boon.

6.1. De Raad heeft geen aanleiding gezien om over de medische grondslag van het bestreden besluit een ander oordeel te geven dan de rechtbank. Naast het oordeel van de rechtbank, merkt de Raad nog op dat, hoewel Boon in 1996 tot ernstige bevindingen kwam ten aanzien van de functie van de rechterarm, deze bevindingen in elk geval geen bevestiging meer vinden in de onderzoeken van Schipper en Lenders. Dit wordt nog eens onderstreept door het feit, dat, anders dan Boon kennelijk verwachtte, in het rapport van Schipper bij de anamnese is opgetekend dat de functie van de rechterarm geleidelijk is verbeterd. Gelet hierop ziet de Raad geen aanleiding tot het benoemen van een deskundige, zoals Groenewegen heeft bepleit.

6.2. Wat betreft de medische geschiktheid van de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies overweegt de Raad dat het hem onaannemelijk voorkomt dat de door appellante gestelde combinatie van de belastingen reiken en tillen onaanvaardbaar is. Uit het Resultaat functiebeoordeling van de functies machinaal metaalbehandelaar

(SBC-code 264121) en machinaal metaalbewerker (SBC-code 264122) - het is de Raad niet geheel duidelijk of appellante één van beide dan wel beide functies op het oog heeft - valt immers af te leiden dat het in beide functies wat betreft het reiken en tillen gaat om in verhouding tot de in de FML vastgestelde beperkingen op deze aspecten - betrekkelijk geringe belastingen zowel in mate als in frequentie.

6.3. Wat betreft de in aanmerking te nemen reductiefactor is ter zitting van de Raad van de zijde van het Uwv opgemerkt dat, anders dan de bij het bestreden besluit in aanmerking genomen factor 0,97, deze factor 0,94% zou moeten bedragen. Dit heeft echter, zoals ook van die zijde werd gesteld, geen voor de toepassing van de WAO relevant gevolg voor de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante.

6.4. De overwegingen 6.1 tot en met 6.3 leiden de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en

J.P.M. Zeijen als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 april 2010.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) D.E.P.M. Bary.

CVG