Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM3096

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-04-2010
Datum publicatie
03-05-2010
Zaaknummer
07-2033 WAO-T + 07-2479 WAO-T + 09-35 WAO-T
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Herziening WAO-uitkering. Deskundige wordt gevolgd: Er is sprake van een objectiveerbare hypertonie die ten grondslag ligt aan de hier van belang zijnde nek- en rugklachten van appellante. De (aangepaste) FML is niet geheel juist. Opdracht om het gebrek ten aanzien van het (derde) besluit te herstellen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:80a
Beroepswet 21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2010/208 met annotatie van Redactie
NJB 2010, 1078
USZ 2010/187 met annotatie van Red.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/2033 WAO-T

07/2479 WAO-T

09/35 WAO-T

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

T U S S E N U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 13 maart 2007, 06/2098 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 29 april 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S.J.C. Hendriks, adviseur sociale zekerheid, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een nieuw besluit op bezwaar met bijlagen (hierna: bestreden besluit 2), gedateerd 19 april 2007, ingezonden.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 16 oktober 2008 is namens appellante een expertise van de verzekeringsarts mr. J.F.G. Wolthuis van 8 mei 2007 en een rapport van de arbeidsdeskundige - thans gemachtigde van appellante - G.H. de Haan van 15 oktober 2008 overgelegd.

Het Uwv heeft vervolgens wederom een nieuw besluit op bezwaar, met bijlagen (hierna: bestreden besluit 3), gedateerd 23 december 2008, ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 januari 2009. Appellante is verschenen bij gemachtigde G.H. de Haan, adviseur sociale zekerheid/registerarbeidsdeskundige. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door D. van Leeuwen.

De Raad heeft het onderzoek heropend en de revalidatiearts M.P. Rulkens tot deskundige benoemd. Deze heeft op 15 juli 2009 een rapport uitgebracht.

Partijen hebben daarop over en weer gereageerd waarna de deskundige in een rapport van 23 oktober 2009 zijn standpunt nader heeft toegelicht.

Bij brieven van 30 oktober 2009, respectievelijk 30 november 2009 hebben partijen wederom gereageerd.

Het nadere onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 januari 2010 waar appellante is verschenen bij haar gemachtigde De Haan en het Uwv bij zijn gemachtigde D. van Leeuwen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante, geboren [in] 1973, is op 25 maart 1999 uitgevallen met nek- en schouderklachten ten gevolge van een auto-ongeluk. Sedert 24 maart 2000 ontving zij een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. Bij besluit van 3 februari 2006 heeft het Uwv deze uitkering met ingang van 4 april 2006 ingetrokken, omdat de mate van appellantes arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedroeg. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 15 augustus 2006 (hierna: bestreden besluit 1) ongegrond verklaard. Deze besluiten rusten op verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige onderzoeken.

1.3. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het tegen besluit 1 gerichte beroep van appellante gegrond verklaard, bestreden besluit 1 vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Tevens is het Uwv veroordeeld tot het betalen van de proceskosten en het vergoeden van het griffierecht. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien de medische grondslag van bestreden besluit 1 voor onjuist te houden. Dit besluit is echter vernietigd omdat ten aanzien van vrijwel alle geduide functies sprake is van een overschrijding van de belastbaarheid van appellante op het aspect torderen en voorts omdat onvoldoende is gemotiveerd dat appellante ondanks haar beperkingen ten aanzien van hoofdbewegingen in staat moet worden geacht omhoog te kijken, bijvoorbeeld om lampen te wisselen.

2.1. Het Uwv heeft in deze uitspraak berust en hangende het hoger beroep bij bestreden besluit 2 opnieuw het bezwaar ongegrond verklaard.

2.2. Bij bestreden besluit 3 heeft het Uwv, na aanpassing van de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) op 18 december 2008, het bezwaar alsnog gegrond verklaard en de WAO-uitkering van appellante met ingang van 4 april 2006, de datum die in dit geding van belang is, herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

3.1. De Raad acht het beroep van appellante op grond van artikel 6:24 in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede gericht tegen de bestreden besluiten 2 en 3.

3.2. In zijn rapport van 15 juli 2009 komt de revalidatiearts Rulkens in antwoord op vragen van de Raad tot de volgende bevindingen en conclusies. Met betrekking tot rubriek 4 van de FML van 18 december 2008, dynamische handelingen, plaatst de deskundige de kanttekening dat met de bij appellante bestaande hypertonie het toetsenbord bedienen, het werken met toetsenbord en muis, en het maken van schroefbeweging met hand en arm zeer snel pijnlijk zal zijn. Dit geldt ook voor het reiken en de frequentie van het reiken. De in de FML weergegeven beperking van maximaal 300 keer reiken lijkt hem te ruim. Het is voorstelbaar dat tien keer reiken al tot klachten leidt. Hetzelfde geldt voor duwen/trekken en tillen/dragen. Voorts is hem met betrekking tot het item werktijden niet duidelijk waarop het feit gebaseerd is dat appellante nachtwerk of avondwerk niet zou kunnen verrichten. Het gaat niet om de periode per dag van het werk, maar om het soort werk. Voorts kan appellante in de huidige situatie zeer kortdurend boven schouderhoogte actief zijn doch dit is ook nog afhankelijk van hoe vaak het per uur voorkomt. In zoverre acht de deskundige bijstelling van de belastbaarheid van appellante noodzakelijk. Samenvattend kan voorts gesteld worden dat appellante met de huidige bestaande hypertonie van de nek, rug en schoudermusculatuur, met name rechts, bij alle handelingen die zij met enige kracht moet doen toename van haar pijnklachten zal krijgen, aldus de deskundige. Bij de ter bepaling van de resterende verdiencapaciteit van appellante gebruikte functies, vermeld in de gedingstukken I 30.14 tot en met I 30.17, kan er volgens de deskundige van uit gegaan worden dat bureauwerk in de zin van tekstverwerking zeker al op zeer korte termijn bij appellante tot toename van de klachten zal leiden. Samenvattend stelt de deskundige dat zolang de huidige hypertonie van nek, schouder en rugmusculatuur blijft bestaan alle vrij lichte inzet van de rechterarm/hand functie zal leiden tot toename van de klachten en tot uitval. De deskundige besluit zijn rapport met te vermelden dat de klachten van de nek, rechter schouder en rugmusculatuur voorkomend uit het chronisch pijnsyndroom objectiveerbaar zijn in de zin dat er een hypertonie bestaat. Zolang deze hypertonie bestaat zal de inzet van de rechter arm/hand functie beperkt zijn en bij enige zwaardere lichamelijke inspanning is het te verwachten dat de hypertonie zal toenemen.

3.3. In een reactie van 31 juli 2009 stelt bezwaarverzekeringsarts van het Uwv G.P.J. de Kanter dat de aangetroffen en gelokaliseerde hypertonie manifest was bij het onderzoek van de primaire verzekeringsarts. De bezwaarverzekeringsarts is het echter niet eens met de deskundige dat door deze hypertonie de klachten van appellante geobjectiveerd zijn. Hij is het niet eens met de redenering die de deskundige heeft gevolgd en de consequenties daarvan voor de FML. Daarvoor is geen medische grondslag volgens de bezwaarverzekeringsarts. De reden is dat het toekennen van posttraumatisch functieverlies op grond van asymmetrische bewegingen van de nek of spierhypertonie niet te verdedigen is, gegeven het frequent voorkomen van nekklachten met deze bevindingen zonder voorafgaand trauma. Het gaat bij betrokkene dus om hypertonie zonder neurologisch substraat, aldus deze bezwaarverzekeringsarts.

3.4. Desgevraagd is de deskundige bij zijn eerdere conclusie gebleven. Naar aanleiding van dit commentaar van de bezwaarverzekeringsarts schrijft hij in zijn brief van 23 oktober 2009 het met deze eens te zijn dat zijn eerdere uitlating dat de klachten objectiveerbaar zijn in de zin dat er een hypertonie bestaat, niet geheel juist is. Deze uitlating moet aldus worden opgevat dat er een objectiveerbare hypertonie is welke tot de klachten van appellante kan leiden. Hij is het verder met de bezwaarverzekeringsarts eens dat het gaat om een hypertonie zonder duidelijk neurologisch substraat.

3.5. Bezwaarverzekeringsarts De Kanter is blijkens zijn reactie van 23 november 2009 bij zijn opvatting gebleven dat aan het expertise onderzoek van de deskundige geen grondslag ontleend kan worden voor de beoogde aanscherping van de FML.

3.6. Het is vaste jurisprudentie van de Raad dat het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige wordt gevolgd, tenzij op grond van bijzondere omstandigheden afwijking van deze regel is gerechtvaardigd. Gezien de door de deskundige Rulkens uitgebrachte rapporten van 15 juli 2009 en 23 oktober 2009 heeft de Raad geen aanleiding gevonden het oordeel van deze deskundige niet te volgen. Uit het rapport van 23 oktober 2009 naar aanleiding van het andersluidende standpunt van de bezwaarverzekeringsarts De Kanter blijkt dat de deskundige zijn eigen oordeel serieus heeft heroverwogen en dat hij vervolgens zijn eerder getrokken conclusies, onder wijziging van hetgeen moest worden gewijzigd, heeft gehandhaafd. De Raad begrijpt de rapporten van 15 juli 2009 en 23 oktober 2009 aldus dat de deskundige heeft geconstateerd dat er sprake is van een objectiveerbare hypertonie die ten grondslag ligt aan de hier van belang zijnde nek- en rugklachten van appellante. Uitgaande van beide rapporten van de deskundige Rulkens is de Raad van oordeel dat het onderzoek van deze deskundige zorgvuldig is geweest en voldoende is onderbouwd. Het door het Uwv overgelegde rapport van de bezwaarverzekeringsarts De Kanter van 31 juli 2009, waarin deze stelt dat de klachten van appellante een andere oorzaak kunnen hebben dan Rulkens vermeldt, brengt de Raad niet tot een ander oordeel. Naar het oordeel van de Raad is de FML, ook zoals deze is aangepast op 18 december 2008, derhalve niet geheel juist, zodat de ter beoordeling voorliggende bestreden besluiten op een niet toereikende medische grondslag berusten.

3.7. Dit leidt tot het oordeel dat bestreden besluit 1 terecht is vernietigd, zij het op andere gronden dan in de aangevallen uitspraak vermeld. Die uitspraak zal daarom in de (eind)uitspraak worden bevestigd.

3.8. Over het beroep tegen bestreden besluit 2 overweegt de Raad dat het Uwv dit besluit niet handhaaft, getuige het feit dat het bestreden besluit 3 heeft genomen. Besluit 2 zal daarom in de (eind)uitspraak worden vernietigd.

3.9. De Raad ziet aanleiding met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het Uwv op te dragen het in de laatste volzin van 3.6 aangeduide gebrek in bestreden besluit 3 te herstellen. Het Uwv dient hiertoe de medische grondslag van bestreden besluit 3 in overeenstemming te brengen met het oordeel van de deskundige.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Draagt het Uwv op binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in bestreden besluit 3 te herstellen met in achtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en C.P.J. Goorden en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 april 2010.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) D.E.P.M. Bary.

TM