Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM2955

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-04-2010
Datum publicatie
29-04-2010
Zaaknummer
09-1619 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om bijstand. De Raad is van oordeel dat sprake is van een zodanige verstrengeling van de stichting en de persoon van appellante dat het vermogen van de stichting moet worden aangemerkt als vermogen waarover appellante beschikt dan wel redelijkerwijs kan beschikken. De Raad onderschrijft derhalve het oordeel van de rechtbank dat appellante via de middelen van de stichting beschikt dan wel redelijkerwijs kan beschikken over een vermogen dat de grens van het vrij te laten vermogen overschrijdt.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 11
Wet werk en bijstand 32
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2010/174
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/1619 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante]s, wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 29 januari 2009, 08/4977 en 08/4508 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 20 april 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaak 08/4840 WWB, plaatsgevonden op 16 maart 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door [M.]. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreider overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Op 28 mei 2008 heeft appellante een aanvraag ingediend om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Bij brief van 18 juni 2008 heeft het College appellante verzocht om uiterlijk op 1 juli 2008 nadere gegevens over te leggen. Dit betreft onder meer gegevens van de stichting [naam Stichting], waarvan appellante enig bestuurslid is.

1.3. Bij besluit van 3 juli 2008 heeft het College de aanvraag buiten behandeling gesteld.

1.4. Bij besluit van 25 september 2008 heeft het College het bezwaar van appellante tegen het besluit van 3 juli 2008 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank (hierna: de rechtbank) het beroep tegen het besluit van 25 september 2008 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd gekeerd tegen de uitspraak van rechtbank.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Blijkens de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het besluit van 25 september 2008, waarbij het College het besluit van 3 juli 2008 heeft gehandhaafd, wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigd omdat zij van oordeel was dat er hangende bezwaar voor het College geen enkele aanleiding was om op de aanvraag niet alsnog inhoudelijk te beslissen. De rechtbank heeft vervolgens de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten. Daartoe is overwogen, kort gezegd, dat appellante als enig natuurlijk persoon de beschikking heeft over het vermogen van de stichting, zijnde blijkens het jaarverslag ongeveer € 39.000,--, terwijl voorts duidelijk is dat de stichting en appellante zeer nauw met elkaar betrokken zijn. Volgens de rechtbank is slechts één uitkomst van een inhoudelijke behandeling van de aanvraag van 28 mei 2008 mogelijk, te weten de afwijzing van die aanvraag, op de grond dat appellante via de stichting beschikt over een vermogen dat het vrij te laten vermogen overtreft. Het hoger beroep van appellante is uitsluitend gericht tegen de instandlating van de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit.

4.2. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de WWB heeft iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht op bijstand van overheidswege. Tot die middelen behoort onder meer het vermogen, bedoeld in artikel 34, eerste lid, van de WWB, te weten de waarde van de bezittingen waarover de betrokkene beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, alsmede de middelen die worden ontvangen in de periode waarover algemene bijstand is toegekend, voor zover deze geen inkomen betreffen als bedoeld in de artikelen 32 en 33 van de WWB. Van het vastgestelde vermogen blijft ingevolge artikel 34, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB, ten tijde hier van belang, € 5.325,00 buiten beschouwing.

4.3. Appellante heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat het vermogen van de stichting niet kan worden gerekend tot de middelen waarover zij beschikt dan wel redelijkerwijs kan beschikken. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat het vermogen van de stichting in de loop van bijna 16 jaar is opgebouwd door het werk van meerdere personen, en dat dit vermogen is gereserveerd ten behoeve van de specifieke levensbeschouwelijke doelstelling van de stichting. In haar hoedanigheid van enig bestuurslid van de stichting beheert appellante het vermogen van de stichting en onderneemt zij activiteiten ten dienste van de doelstelling van de stichting. De nauwe betrokkenheid die appellante bij de stichting heeft betekent volgens appellante niet dat de middelen van de stichting of de ten behoeve van de stichting ondernomen activiteiten mogen worden beschouwd als een voor haar bijstandsaanvraag relevant gegeven. Appellante bestrijdt dan ook dat het vermogen van de stichting kan worden aangemerkt als vermogen als bedoeld in artikel 34 van de WWB, waarover zij ten behoeve van haar eigen levensonderhoud zou kunnen beschikken.

4.4. De Raad stelt voorop dat bijstand in beginsel wordt verleend in aanvulling op hetgeen men zelf aan middelen heeft dan wel redelijkerwijs kon verkrijgen. Het complementaire karakter van de WWB brengt mee dat van de betrokkene kan worden gevergd dat deze middelen worden ingezet om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.

4.5. De Raad is - mede onder verwijzing naar zijn uitspraak van 14 maart 2006, LJN AV8694 - van oordeel dat in dit geval sprake is van een zodanige verstrengeling van de stichting en de persoon van appellante dat het vermogen van de stichting moet worden aangemerkt als vermogen waarover appellante beschikt dan wel redelijkerwijs kan beschikken. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat appellante enig bestuurslid is van de stichting en dat appellante ten behoeve van de stichting zelf of tezamen met derden activiteiten ontplooit, waarmee inkomsten worden gegenereerd die aan de stichting ten goede komen. De Raad onderschrijft derhalve het oordeel van de rechtbank dat appellante via de middelen van de stichting beschikt dan wel redelijkerwijs kan beschikken over een vermogen dat de grens van het vrij te laten vermogen als genoemd in 4.2 overschrijdt, zodat de aanvraag om bijstand dient te worden afgewezen.

4.6. De Raad stelt vast dat de rechtbank de rechtsgevolgen van het door haar vernietigde besluit van 25 september 2008 in stand heeft gelaten, zijnde een handhaving van het buiten behandeling laten van de aanvraag van 28 mei 2008, terwijl uit de overwegingen van de rechtbank volgt dat haar een inhoudelijke afdoening van het geschil door afwijzing van de aanvraag voor ogen heeft gestaan. De Raad zal daarom de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, vernietigen, en doende wat de rechtbank zou behoren te doen met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak voorzien en de aanvraag gelet op hetgeen is overwogen in 4.2, 4.4 en 4.5 afwijzen.

5. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 14,92 aan reiskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Wijst de aanvraag van 28 mei 2008 af;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag van € 14,92;

Bepaalt dat het College aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 110,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en R.H.M. Roelofs en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 april 2010.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

KR