Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM2938

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-04-2010
Datum publicatie
29-04-2010
Zaaknummer
08-6117 WWB + 08-6118 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering bijstand. Appellant heeft de inlichtingenverplichting geschonden door geen melding te maken van de talrijke stortingen die zijn moeder op zijn bankrekening heeft gedaan. Het beroep op het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel is terecht door de rechtbank verworpen. Datzelfde geldt voor de stelling van appellant dat sprake zou zijn van een lening van zijn moeder als voorschot op de erfenis. Het College heeft ten onrechte alle bedragen in een jaar opgeteld en toegerekend aan alle maanden van dat kalenderjaar slaagt. Het College heeft geen berekening op maandbasis gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/6117 WWB

08/6118 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 8 september 2008, 07/7369 en 07/7367 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Westland (hierna: College)

Datum uitspraak: 13 april 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.D. van Alphen, werkzaam bij SRK rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 maart 2010. Voor appellant is verschenen mr. Van Alphen. Het College heeft zich met voorafgaand bericht niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Appellant ontving sinds 8 september 2004 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. In het kader van een heronderzoek op 20 juni 2006 kwam naar voren dat de uitgaven van appellant hoger waren dan de voor hem geldende bijstandsnorm en dat op zijn bankrekening een aantal bedragen was gestort welke hij niet aan het College had gemeld.

1.2. De bevindingen van het onderzoek waren voor het College aanleiding om bij besluit van 30 september 2006 de aan appellant verleende bijstand met ingang van 8 augustus 2006 in te trekken. Bij besluit van 3 oktober 2006 heeft het College voorts de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 8 september 2004 tot en met 31 juli 2006 tot een bedrag van € 21.086,77 van appellant teruggevorderd.

1.3. Bij besluit van 28 augustus 2007 heeft het College het bezwaar van appellant tegen het besluit van 30 september 2006 gegrond verklaard, en de intrekking van bijstand gewijzigd in een herziening van bijstand. Aan dat besluit ligt ten grondslag dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door de op zijn rekening gestorte bedragen niet te melden, als gevolg waarvan hij tot een te hoog bedrag bijstand heeft ontvangen. Bij besluit van eveneens 28 augustus 2007 heeft het College het bezwaar van appellant tegen het besluit van 3 oktober 2006 gegrond verklaard en het teruggevorderde bedrag verminderd tot € 18.251, 48. Het College heeft in verband met de herroeping van beide primaire besluiten aan appellant de voor hem aan de bezwarenprocedure verbonden kosten tot bedragen van respectievelijk € 322,-- en € 80,50 vergoed.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met beslissingen over de proceskosten en griffierecht - het beroep van appellant tegen de besluiten van 28 augustus 2007 gegrond verklaard en die besluiten vernietigd voor zover daarbij de bijstand over de maanden september 2004 en november 2004 is herzien en teruggevorderd, en het College opgedragen nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak van de rechtbank is overwogen, en het beroep voor het overige ongegrond verklaard.

2.2. De rechtbank stelde eerst vast dat appellant erkent dat hij de betalingen die hij van zijn kennissen heeft ontvangen en de uitkering van de levensverzekering niet heeft gemeld bij het College en heeft berust in de verrekening van die inkomsten met zijn uitkering. De rechtbank oordeelde voorts dat het appellant redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hij de bedragen die hij van zijn moeder heeft ontvangen diende op te geven aan het College zodat hij, nu hij dat heeft nagelaten, ook in zoverre de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Naar het oordeel van de rechtbank was het College wel bevoegd tot herziening en terugvordering van de aan appellante verleende bijstand over de periode van 1 december 2004 tot en met 31 juli 2006, maar kan niet worden gezegd dat hij zijn inlichtingenverplichting ten aanzien van de betalingen die hij in de maanden september 2004 en november 2004 heeft ontvangen heeft geschonden, aangezien appellant die betalingen reeds bij de beoordeling van de aanvraag van de uitkering aan het College heeft gemeld.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd, voor zover daarbij zijn beroep ongegrond is verklaard.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat appellant de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden door bij het College geen melding te maken van de talrijke stortingen die zijn moeder op zijn bankrekening heeft gedaan. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank het beroep van appellant op het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel terecht verworpen. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank en verwijst hiernaar. Datzelfde geldt voor de stelling van appellant dat sprake zou zijn van een lening van zijn moeder als voorschot op de erfenis. Ook in hoger beroep heeft appellant deze stelling niet onderbouwd.

4.2. Het voorgaande brengt mee dat de ontvangen bedragen bij de verlening van bijstand als middelen in aanmerking dienen te worden genomen. Behoudens de uitkering van de levensverzekering dienen de ontvangen bedragen als inkomsten als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de WWB te worden aangemerkt.

4.3. De grief van appellant dat het College ten onrechte alle bedragen in een jaar heeft opgeteld en heeft toegerekend aan alle maanden van dat kalenderjaar slaagt. Gelet op de in artikel 45, eerste lid, van de WWB neergelegde hoofdregel dat de algemene bijstand per maand wordt vastgesteld, diende het College van maand tot maand na te gaan of appellant heeft beschikt over inkomsten, en of het in aanmerking nemen van deze inkomsten leidt tot herziening dan wel intrekking van de verleende bijstand. Op grond van de gedingstukken stelt de Raad vast dat het College geen berekening op maandbasis heeft gemaakt. De wijze waarop het College in de concrete situatie de omvang van het recht op bijstand heeft vastgesteld, te weten door alle ontvangen inkomsten over de gehele periode in geding bij elkaar op te tellen en aan alle kalendermaanden toe te rekenen, is dan ook in strijd met voornoemde bepaling. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat de omvang van de bijschrijvingen op de rekening van appellant fluctueert. In enkele maanden was in het geheel geen sprake van bijschrijvingen; over deze maanden ontbreekt een feitelijke grondslag om het recht op bijstand te herzien. In andere maanden is het inkomen hoger dan de bijstandsnorm. Over die maanden is er geen recht op bijstand en is het College bevoegd tot intrekking van de verleende bijstand. Over de resterende maanden was het College bevoegd de bijstand te herzien voor zover tot een te hoog bedrag bijstand is verleend. Ten slotte heeft het College de door appellant ontvangen levensverzekeringsuitkering ten onrechte als inkomen aangemerkt.

4.4. Het voorgaande brengt mee dat - met vernietiging in zoverre van de aangevallen uitspraak - de besluiten van 28 augustus 2007 in zijn geheel moeten worden vernietigd. Het College dient een nieuw besluit op de bezwaren van appellant tegen de herziening en de terugvordering van bijstand te nemen met inachtneming van de uitspraak van de Raad. Daarbij kan het College als uitgangspunt nemen dat het bevoegd is tot intrekking van de bijstand over de maanden waarin appellant inkomsten heeft ontvangen tot een bedrag boven de voor hem geldende bijstandsnorm en tot herziening van de bijstand over de maanden waarin wel sprake was van inkomsten maar die inkomsten lager zijn dan die bijstandsnorm. De Raad ziet geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid tot intrekking dan wel herziening zou kunnen besluiten. Het College is tevens bevoegd de kosten van de ten onrechte verleende bijstand van appellant terug te vorderen. Daarbij tekent de Raad aan dat, anders dan appellant veronderstelt, niet de inkomsten worden teruggevorderd, maar de kosten van de bijstand die ten onrechte is verleend als gevolg van het feit dat die inkomsten niet bij het College zijn gemeld. Verder ziet de Raad in het geen door appellant is aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid gebruik zou kunnen maken van zijn bevoegdheid om tot terugvordering over te gaan.

5. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep, welke worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens voor zover daarbij is beslist over de vergoeding van proceskosten en griffierecht;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt de besluiten van 28 augustus 2007;

Bepaalt dat het College een nieuw besluit neemt op de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 30 augustus 2006 en 3 oktober 2006;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant ten bedrage van € 644,--;

Bepaalt dat het College aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 107,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 april 2010.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

SG