Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM2879

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-04-2010
Datum publicatie
04-05-2010
Zaaknummer
08-1493 WWB + 08-1494 WWB+ 09-694 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing van het verzoek om terug te komen van. Geen toekenning om bijstand met terugwerkende kracht. Geen bijzondere omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/1493 WWB

08/1494 WWB

09/694 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 26 februari 2008, 07/2391 en 07/4508 (hierna: aangevallen uitspraak),

in de gedingen tussen:

appellant

en

de Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente Breda (hierna: Commissie)

Datum uitspraak: 13 april 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. van Asperen, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 december 2009. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van Asperen. De Commissie heeft zich met voorafgaand bericht niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Op 27 februari 2002 heeft appellant, die de Franse nationaliteit bezit, bijstand aangevraagd ingevolge de Algemene bijstandswet. Deze aanvraag heeft de Commissie bij besluit van 13 juni 2002 afgewezen. Na gemaakt bezwaar heeft de Commissie bij besluit van 10 februari 2003 het besluit van 13 juni 2002 gehandhaafd. Tegen het besluit van

10 februari 2003 heeft appellant geen beroep ingesteld.

1.2. Op 26 oktober 2004 heeft appellant bijstand aangevraagd ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Deze aanvraag heeft de Commissie bij besluit van 16 februari 2005 afgewezen. Na gemaakt bezwaar heeft de Commissie bij besluit van 26 mei 2005 het besluit van 16 februari 2005 gehandhaafd. Tegen het besluit van 26 mei 2005 heeft appellant geen beroep ingesteld.

1.3. Appellant heeft zich op 3 mei 2006 gemeld bij de Centrale organisatie werk en inkomen (CWI) en opnieuw een bijstandsaanvraag ingediend. Bij besluit van 13 juni 2006 is appellant met ingang van 3 mei 2006 algemene bijstand toegekend ingevolge de WWB naar de norm voor een alleenstaande ouder met een gemeentelijke toeslag van 20%. Na gemaakt bezwaar, gericht tegen de ingangsdatum van de bijstand en tegen de toegepaste bijstandsnorm, heeft de Commissie bij besluit van 16 juli 2007 (hierna: besluit 1) het besluit van 13 juni 2006 gehandhaafd.

1.4. Bij besluit van 6 augustus 2007 heeft de Commissie de bijstand van appellant met ingang van 1 september 2007 ingetrokken. Na gemaakt bezwaar heeft de Commissie bij besluit van 8 oktober 2007 (hierna: besluit 2) het besluit van 6 augustus 2007 gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Tevens heeft hij verzocht om een veroordeling tot schadevergoeding (wettelijke rente).

4. Nadat de staatssecretaris van Justitie bij besluit van 12 december 2008 had besloten aan appellant een document in het kader van duurzaam verblijfsrecht als Burger van de Unie af te geven voor de duur van vijf jaar, te rekenen vanaf datum afgifte, heeft de Commissie appellant bij besluit van 22 december 2008 (hierna: besluit 3) medegedeeld dat hij en zijn echtgenote met ingang van 3 mei 2006 bijstand krijgen naar de norm voor gehuwden. De Raad zal op grond van de artikelen 6:18, 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij de beoordeling van het hoger beroep inzake de besluiten 1 en 2 tevens een oordeel geven over besluit 3.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. Nu besluit 3 geacht moet worden de besluiten 1 en 2 te vervangen, staat daarmee de onrechtmatigheid van die beide besluiten vast en komen deze voor vernietiging in aanmerking, evenals de aangevallen uitspraak. Tevens zal de Raad met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb het primaire intrekkingsbesluit van 6 augustus 2007 herroepen. De Raad zal vervolgens besluit 3 beoordelen. Bij dit besluit heeft de Commissie wel de norm waarnaar bij het primaire toekenningsbesluit bijstand was verleend in de door appellant gewenste zin gewijzigd, maar niet de ingangsdatum. Appellant meent dat er in zijn geval sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan hem met terugwerkende kracht tot en met 20 juni 2002 bijstand moet worden verleend. Deze bijzondere omstandigheden zijn volgens appellant daarin gelegen dat hij destijds, na afwijzing van zijn aanvraag voor een uitkering ingevolge de

Werkloosheidswet (WW), al bijstand had aangevraagd per 20 december 2001, dat hij jaren later alsnog tot en met 19 juni 2002 een WW-uitkering toegekend heeft gekregen en voorts dat zijn duurzaam verblijfsrecht als EU-onderdaan met het besluit van de staatssecretaris van 12 december 2008 is geformaliseerd. Verder stelt appellant zich op het standpunt dat, mocht naast de alsnog toegekende WW-uitkering, die lager is dan de destijds voor hem geldende bijstandsnorm, geen toeslag ingevolge de Toeslagenwet (Tw) worden toegekend, hem (ook) over de periode van 20 december 2001 tot en met

19 juni 2001 aanvullende bijstand zou moeten worden verleend.

5.2. De periode van 20 december 2001 tot en met 19 juni 2002.

5.2.1. De Raad stelt vast dat appellant pas in hoger beroep het standpunt heeft ingenomen dat, afhankelijk van het al dan niet toegekend krijgen van een toeslag ingevolge de Tw, hem met verdergaande terugwerkende kracht dan tot 20 juni 2002 bijstand moet worden verleend. Nu appellant de periode van 20 december 2001 tot en met 19 juni 2002 niet in een eerdere fase van de procedure aan de orde heeft gesteld, valt deze periode naar het oordeel van de Raad buiten de omvang van het onderhavige geding.

5.3. De periode van 20 juni 2002 tot en met 16 februari 2005.

5.3.1. Gelet op de omstandigheid dat deze periode wordt bestreken door het onder 1.2 genoemde, in rechte vaststaande, besluit van 16 februari 2005, dient de aanvraag van appellant van 3 mei 2006, voor zover betrekking hebbend op de hier aan de orde zijnde periode, naar het oordeel van de Raad te worden aangemerkt als een verzoek om terug te komen van dat besluit.

5.3.2. Ook indien ervan wordt uitgegaan dat het onder 4 genoemde besluit van de staatssecretaris van Justitie is aan te merken als een nieuw feit of gewijzigde omstandigheid in de zin van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), brengt dit niet met zich dat er aanleiding bestond om van het besluit van 16 februari 2005 terug te komen. Het verzoek om terug te komen strekt ertoe dat alsnog bijstand wordt toegekend over een aan dit verzoek voorafgaande periode en dient daarom op één lijn te worden gesteld met een aanvraag om bijstand met terugwerkende kracht. Volgens vaste rechtspraak van de Raad inzake de toepassing van de artikelen 43 en 44 van de WWB wordt in beginsel geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de bijstandsaanvraag is ingediend en/of de melding bij het CWI heeft plaatsgevonden.

5.3.3. Van het zojuist genoemde uitgangspunt kan (slechts) worden afgeweken wanneer bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. Daarvan is in het geval van appellant geen sprake. Uit de beschikbare gegevens blijkt op geen enkele manier dat appellant in de hier aan de orde zijnde periode niet heeft kunnen voorzien in de noodzakelijke kosten van zijn bestaan zonder dat daar aantoonbare en verifieerbare schulden tegenover staan. Het jaren later alsnog toegekend krijgen van een reeds in december 2001 aangevraagde WW-uitkering maakt dit niet anders. Ditzelfde geldt voor het alsnog verlenen van een verblijfstitel bij het onder 4 genoemde besluit van de staatssecretaris van Justitie, nog daargelaten of appellant op grond daarvan in de hier bedoelde periode met een Nederlander was gelijk te stellen ingevolge artikel 11, tweede of derde lid, van de WWB.

5.4. De periode van 17 februari 2005 tot en met 2 mei 2006

5.4.1. Over deze periode betreft het een aanvraag om bijstand met terugwerkende kracht. De onder 5.3.2 en 5.3.3 bedoelde vaste rechtspraak is hier evenzeer van toepassing.

5.4.2. In aanmerking genomen dat uit de beschikbare gegevens niet blijkt dat appellant in de hier aan de orde zijnde periode niet heeft kunnen voorzien in de noodzakelijke kosten van zijn bestaan zonder dat daar aantoonbare en verifieerbare schulden tegenover staan, is ook hier van bijzondere omstandigheden geen sprake.

5.4.3. Voor het alsnog toekennen van bijstand over de hier aan de orde zijnde periode was dus geen plaats.

5.5. Uit hetgeen hiervoor is overwogen is de Raad van oordeel dat de Commissie op goede gronden heeft besloten de bijstand met ingang van 3 mei 2006 toe te kennen en in hetgeen in bezwaar is aangevoerd terecht geen aanknopingspunten heeft gevonden om het primaire toekenningsbesluit te herroepen, voor zover het de ingangsdatum van de bijstand betreft. Het beroep tegen het besluit van 22 december 2008 slaagt derhalve niet.

6. De Commissie heeft zich bij brief van 10 november 2009 bereid verklaard de wettelijke rente te vergoeden over de te laat uitbetaalde bijstand. Ter zitting heeft appellant daarin aanleiding gezien om zijn verzoek om een veroordeling tot schadevergoeding in te trekken.

7. De Raad ziet aanleiding om de Commissie te veroordelen in de (proces)kosten die appellant in verband met de behandeling van het bezwaar tegen het besluit van 6 augustus 2007, de beroepen en de hoger beroepen redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden begroot op € 322,-- in bezwaar, € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen de besluiten van 16 juli 2007 en 8 oktober 2007 gegrond en vernietigt deze besluiten;

Herroept het besluit van 6 augustus 2007;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 22 december 2008 ongegrond;

Veroordeelt Commissie in de (proces)kosten van appellant tot een bedrag van € 1.610,--, waarvan € 644,-- dient te worden betaald aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat de Commissie aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 185,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en R. Kooper en W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van B.E. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 april 2010.

(get.) J.J.A. Kooijman.

(get.) B.E. Giesen.

SG