Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM2871

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-04-2010
Datum publicatie
06-05-2010
Zaaknummer
08/3943 WIA + 09/578 WIA + 09/4120 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het op voorhand instemmen met het achterwege laten van een vervolgzitting, dat wil zeggen zonder dat zicht bestaat op de inhoud van de nog in geding te brengen gegevens, is in strijd met artikel 8:57 Awb. Met nader besluit niet geheel tegemoetgekomen. Zorgvuldig medisch onderzoek. Geen sprake is van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid. Het Uwv heeft toereikend gemotiveerd dat per 4 december 2006 geen sprake is van een medisch stabiele of verslechterende situatie dan wel een situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat. Het Uwv heeft terecht vastgesteld dat voor appellant ingevolge artikel 4 van de Wet WIA geen recht op IVA-uitkering is ontstaan. Dagloonvaststelling ter zitting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BA 2010/145
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/3943 + 09/578 + 09/4120 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 26 mei 2008, 07/627 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 28 april 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L.N. Smallegange, advocaat te Woerden, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Ter uitvoering van de in de aangevallen uitspraak gegeven opdracht heeft het Uwv een nader besluit genomen, gedateerd 24 juni 2009, waartegen mr. S.N. Ketting, kantoorgenoot van mr. Smallegange, nadere gronden heeft ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 maart 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Ketting. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M.C. Crombach.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant is op 6 december 2004 wegens rugklachten uitgevallen voor zijn werkzaamheden als metselaar. Bij besluit van 7 november 2006 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat per 4 december 2006 geen recht op uitkering ingevolge de

Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan, daar hij op grond van de uitkomsten van verzekeringsgeneeskundig en arbeidsdeskundig onderzoek minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. Het tegen dit besluit door appellant gemaakte bezwaar is door het Uwv bij besluit van 18 april 2007 (hierna: bestreden besluit 1) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd wegens strijd met het motiveringsbeginsel en bepaald dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen. Tevens heeft de rechtbank beslissingen gegeven over proceskostenveroordeling en griffierecht.

2.1. Met betrekking tot de medische component van bestreden besluit 1 heeft de rechtbank op grond van de voorhanden zijnde medische informatie geoordeeld dat niet is gebleken dat het Uwv met de in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 28 maart 2007 opgenomen beperkingen de rug-, knie- en migraineklachten van appellant op de datum in geding heeft onderschat. Ten aanzien van de psychische klachten heeft de rechtbank geoordeeld geen aanleiding te hebben gezien om aan te nemen dat bij appellant op de datum in geding sprake is geweest van dusdanige psychische stoornissen dat daarvoor beperkingen in de FML gesteld hadden moeten worden.

2.2. De rechtbank heeft vervolgens geconstateerd dat sprake is van een inconsistentie tussen het rapport van de verzekeringsarts en de opgestelde FML van 28 maart 2007. Indien appellant volgens de verzekeringsarts gemiddeld maar 4 uur per werkdag kan zitten dan had appellant op dat aspect niet licht beperkt, maar als ‘beperkt, kan zo nodig gedurende de helft van de werkdag zitten (ongeveer 4 uur)’ moeten worden aangemerkt. Gelet hierop acht de rechtbank zich niet in staat de vraag te beantwoorden of de aan de schatting gelegde functies voor appellant geschikt zijn.

3.1. Appellant heeft in hoger beroep zijn standpunt gehandhaafd dat hij vanwege zijn psychische en lichamelijke klachten meer beperkt is dan door het Uwv met de FML van 28 maart 2007 is aangenomen.

3.2. Het Uwv heeft in de aangevallen uitspraak berust. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft de bezwaarverzekeringsarts op 9 juni 2008 de FML wat betreft het aspect ‘zitten tijdens het werk’ aangepast. Uitgaande van de aangepaste FML heeft de bezwaararbeidsdeskundige geconcludeerd dat van de geduide functies er onvoldoende resteren om daarop de beëindiging te kunnen baseren, zodat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant op de datum in geding gesteld dient te worden op 80 tot 100%. Bij nieuw besluit op bezwaar van 24 juni 2009 (hierna: bestreden besluit 2) heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant met ingang van 4 december 2006 recht is ontstaan op een WGA-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer en de WGA-uitkering gebaseerd op een dagloon van € 146,87. Het Uwv neemt daarbij het standpunt in dat appellant weliswaar volledig arbeidsongeschikt is, maar dat bij hem gelet op zijn herstelkansen geen sprake is van een duurzame arbeidsongeschiktheid, als bedoeld in artikel 4 van de Wet WIA.

3.3. Appellant heeft tegen bestreden besluit 2 aangevoerd dat hij met ingang van 4 december 2006 volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is in de zin van artikel 4 van de Wet WIA, zodat hij vanaf die datum recht heeft op een uitkering ingevolge de Inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA-uitkering). Verder betwist appellant de hoogte van het dagloon.

4.1. Met betrekking tot het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak oordeelt de Raad als volgt.

4.1.1. De Raad ziet in de eerste plaats aanleiding ambtshalve te onderzoeken of de aangevallen uitspraak op juiste wijze tot stand is gekomen. Ter zitting van de rechtbank op 6 maart 2008 is de afspraak gemaakt dat het Uwv een schriftelijke reactie zal geven op de binnen de termijn van 10 dagen ontvangen stukken van appellant alsook dat appellant daarna in de gelegenheid zal worden gesteld daarop te reageren en hebben partijen uitdrukkelijk te kennen gegeven dat de rechtbank de zaak vervolgens zonder vervolgzitting zal mogen afdoen. Naar vaste rechtspraak (onder meer de uitspraak van

13 oktober 2004, LJN AR4193) moet het op voorhand instemmen met het achterwege laten van een vervolgzitting, dat wil zeggen zonder dat zicht bestaat op de inhoud van de nog in geding te brengen gegevens, in strijd worden geacht met artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De aangevallen uitspraak is niet rechtsgeldig tot stand gekomen en dient derhalve te worden vernietigd. Nu de zaak naar het oordeel van de Raad geen nadere behandeling door de rechtbank behoeft, zal hij de zaak zonder terugwijzing afdoen.

4.1.2. Met betrekking tot de medische beoordeling van bestreden besluit 1 heeft de Raad geen aanleiding gezien om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank heeft gegeven en hij stelt zich achter de overwegingen die de rechtbank in de aangevallen uitspraak aan dat oordeel ten grondslag heeft gelegd. Ook de Raad is uit het geheel van de voorliggende medische gegevens niet gebleken dat de verzekeringsartsen van het Uwv bij de vaststelling van de beperkingen van appellant onvoldoende rekening hebben gehouden met zijn rug-, knie- en migraineklachten en dat er sprake zou zijn van een onvoldoende zorgvuldig medisch onderzoek. Met betrekking tot de psychische klachten kent de Raad, evenals de rechtbank, doorslaggevende betekenis toe aan de rapportages van de bezwaarverzekeringsarts van 10 september 2007 en 12 december 2007 en het daarin vervatte standpunt dat op de in geding zijnde datum, 4 december 2006, het psychisch toestandsbeeld van appellant geen aanleiding gaf tot het aannemen van psychische beperkingen en dat de door de behandelaar van appellant gestelde diagnose dateert van ruim na de datum in geding. Ook in hoger beroep heeft appellant geen medische gegevens in het geding gebracht, die twijfel doen rijzen over de juistheid van de (aangepaste) FML per 4 december 2006. Met een eventuele verslechtering van de gezondheidstoestand van appellant na deze datum kan in dit geding geen rekening worden gehouden. De Raad komt derhalve tot de conclusie dat het hoger beroep van appellant in zoverre niet kan slagen.

4.2. Met betrekking tot het beroep tegen bestreden besluit 2 oordeelt de Raad als volgt.

4.2.1. Bij bestreden besluit 2 is door het Uwv uitvoering gegeven aan de aangevallen uitspraak. De Raad stelt vast dat het Uwv met dit besluit niet geheel aan de bezwaren van appellant is tegemoet gekomen. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, en artikel 6:24 van de Awb wordt het beroep van appellant geacht mede te zijn gericht tegen bestreden besluit 2.

4.2.2. Op grond van artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA is volledig en duurzaam arbeidsongeschikt hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Ingevolge het tweede lid wordt onder duurzaam verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie. Volgens het derde lid wordt onder duurzaam mede verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.

4.2.3. Het standpunt van het Uwv dat bij appellant geen sprake is van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 4 van de Wet WIA is gebaseerd op de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 3 september 2008. Hierin heeft de bezwaarverzekeringsarts aan de hand van het beoordelingskader “Beoordeling van de duurzaamheid van arbeidsbeperkingen” op grond van de beschikbare gegevens uiteengezet dat appellant per datum in geding bekend is met beperkingen ten aanzien van chronisch lage rugklachten en migraine en dat dit geen ziekten en arbeidsbeperkingen zijn die niet zouden kunnen verbeteren, zodat de arbeidsbeperkingen niet duurzaam kunnen worden genoemd. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van het Uwv verslag gedaan van de nadere reactie van 17 maart 2010 van de bezwaarverzekeringsarts op de door appellant aangevoerde, aanvullende gronden. Aan de pleitnotities van de gemachtigde van het Uwv worden de volgende citaten van de bezwaarverzekeringsarts ontleend:

“Ter toelichting het volgende: uitgangspunt is inderdaad de situatie per 4/12/06. Deze situatie werd beschreven in de Functionele Mogelijkheden Lijst van (laatstelijk) 9/6/08. Destijds waren er geen redenen om de psychische belastbaarheid als beperkt te veronderstellen. Wat niet inhoudt dat hij toen geen psychische problemen onder de leden gehad zou hebben, maar hij functioneerde destijds op de drie niveaus van functioneren (zelfverzorging, primaire steungroep, maatschappij) voldoende. Pas maanden na de datum in geding is daarin verandering gekomen. Op 4/12/06 was er sprake van:

- hinderlijke rug- (en knie-)klachten zonder anatomisch substraat

- hoofdpijnklachten benoemd als migraine

Voor beide klachten geldt dat spontane verbetering heel wel mogelijk is en zelfs op betrekkelijk korte termijn, binnen een jaar. Beide aandoeningen, rug en migraine, zijn typische aandoeningen van mensen van middelbare leeftijd. Migraine is een veel voorkomende aandoening, welke vooral bij mensen tussen de 30 en de 50 jaar voorkomt. Na het 50e jaar neemt het aantal aanvallen af en de ernst eveneens. Uit het feit dat migraine zeer veel voorkomt, maar zelden tot langdurige arbeidsongeschiktheid leidt, blijkt dat de meeste migrainepatiënten met deze aandoening kunnen werken. Belanghebbende gaf destijds zelf aan dat hij zich met Imigram goed kon helpen; de klachten waren althans niet zodanig dat hij daarvoor ooit specialistische hulp had gezocht.”

4.2.4. De Raad volgt de bezwaarverzekeringsarts in het ingenomen standpunt ten aanzien van de duurzaamheid van de arbeidsbeperkingen van appellant, zoals verwoord in de rapportage van 3 september 2008 en de in 4.2.3 geciteerde reactie. De psychische beperkingen van appellant zijn van na de datum in geding zodat deze niet betrokken kunnen worden bij de hier in geding zijnde inschatting van de bezwaarverzekeringsarts van de verbetering van appellants functionele mogelijkheden. Verder blijkt uit de beschikbare medische gegevens, waaronder de informatie van de behandelend sector, voldoende van de behandelmogelijkheden van de overige klachten van appellant en de daarmee te verwachten verbetering van de arbeidsbeperkingen. Naar het oordeel van de Raad heeft het Uwv dan ook toereikend gemotiveerd dat per 4 december 2006 geen sprake is van een medisch stabiele of verslechterende situatie dan wel een situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat. Het Uwv heeft terecht vastgesteld dat voor appellant ingevolge artikel 4 van de Wet WIA geen recht op IVA-uitkering is ontstaan.

4.2.5. Met betrekking tot bestreden besluit 2 heeft de gemachtigde van het Uwv ter zitting van de Raad te kennen gegeven dat dit besluit in zoverre het betreft de dagloonvaststelling niet kan worden gehandhaafd. Het Uwv heeft met inachtneming van hetgeen van de zijde van appellant is aangevoerd het dagloon berekend op € 147,33 en de Raad verzocht in zijn uitspraak het dagloon (nader) vast te stellen. De gemachtigde van appellant heeft ter zitting van de Raad meegedeeld zich te kunnen verenigen met deze nadere dagloonvaststelling van het Uwv. De Raad ziet hierin aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien.

5. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 483,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens voor zover daarin over de vergoeding van de proceskosten en griffierecht is beslist;

Verklaart het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond;

Verklaart het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond;

Vernietigt bestreden besluit 2;

Bepaalt het dagloon met ingang van 4 december 2006 op € 147,33;

Bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit 2;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 483,--;

Bepaalt dat het Uwv aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 107,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden., in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 april 2010.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) M. Mostert.

JL