Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM2769

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-04-2010
Datum publicatie
29-04-2010
Zaaknummer
08-5947 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering ZW-uitkering omdat de werkgever de ziekte niet binnen de daarvoor geldende termijn van vier dagen heeft aangemeld. De Raad laat in het midden of artikel 38a dan wel artikel 38b van de ZW van toepassing is, want ook onder de werking van artikel 38a van de ZW, zoals door de Raad in genoemde uitspraak uitgelegd, kan bij gebreke van een tijdige ziekmelding geen ziekengeld worden uitbetaald tot de datum van die melding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/5947 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 4 september 2008, 07/2096 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Naam werkgever], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: de werkgever),

en

appellant

Datum uitspraak: 28 april 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens de werkgever heeft A.M. van den Heuvel, werkzaam bij Robidus Adviesgroep B.V. te Utrecht, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 maart 2010.

Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E. van Hilten.

Namens de werkgever is verschenen Van den Heuvel voornoemd.

II. OVERWEGINGEN

1.1. De rechtbank heeft vastgesteld - en ook de Raad gaat van deze feiten uit - dat [naam werknemer] op 1 maart 2000 bij de werkgever in dienst is getreden. Hij ontving op dat moment een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) die met ingang van 15 augustus 2002 is ingetrokken.

1.2. De werkgever heeft het Uwv bij brief van 21 mei 2007 verzocht op grond van artikel 29b van de Ziektewet (ZW) tot betaling van ziekengeld over te gaan over de periodes van ziekte van voornoemde werknemer van 1 januari 2002 tot 2 december 2002 en van 10 maart 2003 tot 24 maart 2003.

2. Bij in afschrift aan de werkgever verzonden besluit van 22 juni 2007 heeft appellant aan voornoemde werknemer meegedeeld dat hem met ingang van 1 januari 2002 geen ZW-uitkering wordt toegekend, omdat de werkgever de ziekte te laat heeft aangegeven.

3. Namens de werkgever is tegen het onder 2 vermelde besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 22 oktober 2007 (het bestreden besluit) is het bezwaar met toepassing van artikel 38b van de ZW ongegrond verklaard.

4. De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd. De rechtbank is, onder verwijzing naar jurisprudentie van de Raad, van oordeel dat appellant ten onrechte het op 29 december 2005 in werking getreden artikel 38b van de ZW van toepassing heeft geacht, omdat het gaat om een aanspraak op ziekengeld over tijdvakken, die zijn gelegen voor de inwerkingtreding van dit artikel. Aan het argument van appellant dat zelfs indien artikel 38b van de ZW geen toepassing zou kunnen vinden, dan toch het bepaalde in artikel 38a, derde lid, van de ZW zich tegen het toekennen van ziekengeld zou verzetten, omdat de aanvraag daartoe niet binnen de voorgeschreven termijn is gedaan, is de rechtbank voorbijgegaan, omdat dit standpunt eerst ter zitting van de rechtbank door appellant is ingenomen en het niet in het besluit van 22 juni 2007 of het bestreden besluit is neergelegd.

5. Het Uwv heeft in hoger beroep aangevoerd dat het op 29 december 2005 in werking getreden artikel 38b van de ZW van toepassing is, omdat het feit van de melding zich nadien heeft voorgedaan en terzake geen overgangsrecht is getroffen. Volgens het Uwv is de ziekmelding bovendien niet gedaan uiterlijk op de vierde dag nadat de werkgever er kennis van had gekregen dat er recht op ziekengeld bestond, zodat op grond van artikel 38b, derde lid, jo. artikel 38a, derde lid, van de ZW ziekengeld dient te worden geweigerd.

6. De Raad heeft het volgende overwogen.

6.1. Ingevolge het tweede lid van artikel 38b van de ZW kan bij een ziekmelding binnen de daarin gestelde termijn van vier dagen met terugwerkende kracht over de verstreken periode, doch ten hoogste over een jaar, ziekengeld worden toegekend. Op grond van deze bepaling kan de melding van 21 mei 2007, indien deze tijdig zou zijn gedaan, dus niet meer leiden tot uitkering van ziekengeld over voormelde periodes van ongeschiktheid tot werken, welke hebben geduurd tot 2 december 2002 respectievelijk 24 maart 2003.

6.2. Met betrekking tot het bepaalde in artikel 38a, tweede lid, van de ZW heeft de Raad bij uitspraak van 24 september 2002 (LJN AF8109) beslist dat de daarin opgenomen plicht tot ziekmelding - die uiterlijk op de vierde dag van de ongeschiktheid tot werken moet plaatsvinden - naar redelijke wetsuitleg ontstaat op het moment dat het de werkgever redelijkerwijs duidelijk kan zijn dat de betrokken werknemer aanspraak op ziekengeld kan maken. Ter zitting van de rechtbank heeft de gemachtigde van de werkgever, blijkens het ter zake opgemaakte proces-verbaal, verklaard dat bij een onderzoek bij de werkgever in mei 2007 is vastgesteld dat ten aanzien van voornoemde werknemer recht op een zogenaamde ”artikel 29b ziektewet-uitkering” bestond. Op grond van de bijlage bij voormelde brief van 21 mei 2007 kan worden aangenomen dat dit op 14 mei 2007 is gebeurd. Dit in aanmerking genomen moet worden vastgesteld dat met de melding van 21 mei 2007 voormelde termijn van vier dagen niet in acht is genomen. De Raad kan dus in het midden laten of artikel 38a dan wel artikel 38b van de ZW van toepassing is, want ook onder de werking van artikel 38a van de ZW, zoals door de Raad in voormelde uitspraak uitgelegd, kan bij gebreke van een tijdige ziekmelding geen ziekengeld worden uitbetaald tot de datum van die melding.

6.3. De Raad is op grond van hetgeen is overwogen onder 6.1 en 6.2 van oordeel dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd en dat het beroep ongegrond met worden verklaard.

7. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en H. Bolt en T. Hoogenboom als leden in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 april 2010.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) R.L. Venneman.

EK