Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM2739

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-04-2010
Datum publicatie
28-04-2010
Zaaknummer
09-58 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Zorgvuldig medisch onderzoek. Ten aanzien van de door de psychiater gestelde urenbeperking is de Raad van oordeel dat de noodzaak onvoldoende door middel van objectieve medische gegevens wordt gemotiveerd. De functie wikkelaar (sbc-code 267050) wordt niet langer aan de schatting ten grondslag gelegd. Hierdoor wordt de schatting gebaseerd op de functies productiemedewerker industrie (sbc-code 111180), sorteerder (sbc-code 111340) en magazijnbediende (sbc-code 111220) met als gevolg een wijziging van de mediane loonwaarde. Met het Uwv is de Raad van oordeel dat dit niet leidt tot een wijziging van de mate van arbeidsongeschiktheid. De Raad concludeert dat de geduide functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellante.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/58 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 27 november 2008, 08/1378 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 28 april 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld door mr. E.J. Bek, werkzaam bij Juridische Dienstverlening Nederland B.V. te Apeldoorn en zijn nadere – onder meer – medische stukken ingezonden.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend waarin verwezen wordt naar bijgevoegde rapportages van bezwaarverzekeringsarts J.C. Weegink en bezwaararbeidsdeskundige P. de Zeeuw.

Bij brief van 17 februari 2009 is namens appellante een rapport van psychiater A.A. van Loon van 4 februari 2009 overgelegd. Door het Uwv is bij brief van 26 februari 2009, waarin verwezen wordt naar bijgevoegd rapport van bezwaarverzekeringsarts Weegink, gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 maart 2010. Appellante en haar gemachtigde zijn – met bericht- niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door de heer J.C. Geldof.

II. OVERWEGINGEN

1. Aan appellante was een uitkering ingevolge de Wet op arbeidsongeschiktheids-verzekering (WAO) toegekend welke uitkering laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%.

2. Bij besluit van 25 juli 2007 is aan appellante meegedeeld dat haar uitkering op grond van de WAO met ingang van 26 september 2007 wordt ingetrokken omdat de mate van haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% is. Het tegen dit besluit ingediende bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 18 februari 2008 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan zowel het besluit van 25 juli 2007 als dat van het bestreden besluit ligt een (verzekerings)geneeskundig en arbeidskundig onderzoek ten grondslag.

2.1. In de fase van de primaire besluitvorming heeft verzekeringsarts R.K. Kanhai op 26 juni 2007 rapport uitgebracht. Hij is op basis van bevindingen uit lichamelijk en psychisch onderzoek, tot de conclusie gekomen dat er sprake is van ziekte of gebrek. Appellante heeft met name beperkingen ten aanzien van haar psychische spankracht. Kanhai acht appellante, indien rekening wordt gehouden met de beperkingen omschreven in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 26 juni 2007, met arbeid belastbaar. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige J.P.J. Peters met behulp van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) voorbeeldfuncties geselecteerd, hetgeen heeft geleid tot de vaststelling dat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedraagt.

2.2. Naar aanleiding van het bezwaar, waarbij diverse medische stukken zijn overgelegd, heeft een heronderzoek plaatsgevonden door de bezwaarverzekeringsarts J.C. Weegink. Weegink heeft een dossieronderzoek verricht, is aanwezig geweest bij de hoorzitting en heeft informatie verkregen van de behandelend sector in de heroverweging betrokken. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in een verzekeringsgeneeskundig rapport van 12 februari 2008. Weegink kan zich volgens dat rapport verenigen met de bevindingen en conclusie van de primaire verzekeringsarts Kanhai. Vervolgens is een heronderzoek verricht door de bezwaararbeidsdeskundige F. Oudmaijer. De bevindingen van deze bezwaararbeidsdeskundige zijn neergelegd in een rapport van 14 februari 2008. Uitgaande van de in bezwaar bevestigde belastbaarheid van appellante acht Oudmaijer de functies wikkelaar/samensteller (sbc-code 267050), productiemedewerker industrie (sbc-code 111180), sorteerder (sbc-code 111340), magazijn expeditiebediende

(sbc-code 111220) en productiemedewerker confectie (sbc-code 272042) geschikt voor appellante. Op basis van deze geselecteerde functies is de mate van arbeids-ongeschiktheid van appellante zijns inziens met recht vastgesteld op minder dan 15%.

3. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het besteden besluit ongegrond verklaard.

4. In eerste aanleg en in hoger beroep heeft appellante in de kern gelijkluidende gronden aangevoerd. Samengevat heeft zij betoogd dat de onderzoeken door de artsen van het Uwv onvoldoende zorgvuldig zijn verricht, dat zowel haar psychische als haar lichamelijke beperkingen zijn onderschat en dat de belasting in de passend geachte functies haar belastbaarheid overschrijdt. Ter onderbouwing van deze gronden heeft appellante in hoger beroep diverse medische stukken overgelegd.

5. Het oordeel van de Raad.

5.1. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het medische onderzoek niet onzorgvuldig is uitgevoerd en dat er geen aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat de belastbaarheid van appellante bij het nemen van het bestreden besluit is overschat. De Raad schaart zich achter de overwegingen in de aangevallen uitspraak die de rechtbank ter onderbouwing van dat oordeel heeft gegeven. Ten aanzien van het in hoger beroep overlegde rapport van psychiater Van Loon overweegt de Raad als volgt.

5.2. Uit het rapport van deze psychiater leidt de Raad af dat appellante beperkt geacht dient te worden in het omgaan met conflicten. Situaties waarin zij met geweld geconfronteerd wordt moeten voorkomen worden. Voorts stelt de psychiater dat appellante in staat is lichte arbeid te verrichten met korte werktijden, niet langer dan 3 uur per dag. Aan de conclusie van de psychiater kan de Raad echter niet die waarde toekennen die appellante daaraan toegekend wil zien. Uit de FML van 26 juni 2007 blijkt naar het oordeel van de Raad dat appellante onder meer beperkt wordt geacht ten aanzien van het omgaan met conflicten en het hanteren van emotionele problemen van anderen. Voorts zijn door de artsen van het Uwv nog meer beperkingen aangenomen ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren. Gelet op deze beperkingen onderschrijft de Raad hetgeen de bezwaarverzekeringsarts in haar rapport van 24 februari 2009 naar voren heeft gebracht, namelijk dat met appellantes beperkte spankracht en de afgenomen stresshantering in de opgestelde FML voldoende rekening is gehouden. Ten aanzien van de door de psychiater gestelde urenbeperking is de Raad van oordeel dat de noodzaak hiervan onvoldoende door middel van objectieve medische gegevens wordt gemotiveerd.

5.3. Wat betreft de arbeidskundige beoordeling van de onderhavige schatting overweegt de Raad dat, gelet op het in hoger beroep overgelegde rapport van bezwaararbeidsdeskundige De Zeeuw, de functie wikkelaar (sbc-code 267050) niet langer aan de schatting ten grondslag wordt gelegd. Hierdoor wordt de onderhavige schatting gebaseerd op de functies productiemedewerker industrie (sbc-code 111180), sorteerder (sbc-code 111340) en magazijnbediende (sbc-code 111220) met als gevolg een wijziging van de mediane loonwaarde. Met het Uwv is de Raad van oordeel dat dit niet leidt tot een wijziging van de mate van arbeidsongeschiktheid.

5.4. Gezien de in het dossier aanwezige arbeidskundige rapporten, waaronder met name het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 14 februari 2008 bestaat voor de Raad voorts geen twijfel dat appellante met haar in de FML opgenomen beperkingen in staat moet worden geacht de haar geduide functies uit te oefenen. Nu verder door appellante geen gronden zijn aangevoerd die de arbeidskundige onderbouwing van het bestreden besluit betreffen, concludeert de Raad dat de geduide functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellante en dat het Uwv de uitkering van appellante terecht per 25 september 2007 heeft ingetrokken.

5.5. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en dat de aangevallen de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Riphagen in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 april 2010.

(get.) J. Riphagen.

(get.) R.L. Rijnen.

EK