Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM2736

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-04-2010
Datum publicatie
28-04-2010
Zaaknummer
09-2325 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Besluit niet deugdelijk gemotiveerd. De Raad heeft geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat het standpunt van het Uwv aangaande de arbeidsbeperkingen van appellante onjuist is. Geen benoeming deskundige. De aan de schatting ten grondslag gelegde functies, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, zijn in medisch opzicht geschikt voor appellante. Vernietiging uitspraak. Vernietiging besluit. Rechtsgevolgen blijven geheel in stand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2325 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 18 maart 2009, 08/633 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 28 april 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. I. van Barneveld, werkzaam bij Stichting Achmea Rechtsbijstand te Tilburg, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft bij schrijven van 11 januari 2010 medische stukken in geding gebracht, waarop door het Uwv onder toezending van twee rapporten is gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 februari 2010. Appellante is - met voorafgaand bericht - niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J. Gerritsen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante, voorheen werkzaam als administratief medewerkster, heeft zich op 2 januari 2006 vanuit een situatie waarin zij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving ziek gemeld met psychische klachten.

1.2. Het Uwv heeft bij besluit van 9 januari 2008 vastgesteld dat er voor appellante ingaande 31 december 2007 geen recht is ontstaan op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat de mate van haar arbeidsongeschiktheid minder bedraagt dan 35%. Dit besluit berust op het standpunt van het Uwv dat appellante in verband met psychische klachten, lichamelijke klachten, COPD en een schildklieraandoening beperkt is in haar belastbaarheid en ongeschikt is te achten voor de maatgevende arbeid. Appellante wordt wel in staat geacht een vijftal voor haar geschikt geachte functies te verrichten. Het verlies aan verdiencapaciteit is door de arbeidsdeskundige berekend op 26,19%.

2. Bij besluit van 23 mei 2008 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 9 januari 2008 ongegrond verklaard. Dit besluit berust op een heroverweging van de medische grondslag in bezwaar. De bezwaarverzekeringsarts heeft op basis van ontvangen informatie van de behandelend sector vastgesteld dat de voor appellante vastgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) op een tweetal aspecten aanpassing behoeft vanwege auditieve problemen bij appellante. De bezwaararbeidsdeskundige heeft de aan appellante voorgehouden functies daarop op geschiktheid beoordeeld en vastgesteld dat de functies onverminderd geschikt zijn te achten voor appellante. Het verlies aan verdiencapaciteit bedraagt 31,5%.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het bestreden besluit berust naar het oordeel van de rechtbank op een juiste medische en arbeidskundige grondslag.

4.1. In hoger beroep heeft appellante aangegeven zich niet te kunnen vinden in het oordeel van de rechtbank over de medische grondslag van het bestreden besluit. Appellante heeft daartoe gesteld dat er onvoldoende rekening is gehouden met haar COPD klachten. Als gevolg van deze klachten is zij zeer kortademig, heeft zij een piepende ademhaling en is zij erg gevoelig voor allerlei agressieve stoffen zoals ammoniak, chloor en schoonmaakmiddelen. Naar de mening van appellante dient in de FML een beperking voor stof te worden aangenomen. Voorts stelt appellante bekend te zijn met allergie voor vele stoffen van allerlei aard. Ter onderbouwing van haar grieven heeft appellante verwezen naar een op 1 september 2009 gedateerde brief van longarts G.P.M. Mannes, een op 25 augustus 2009 gedateerde brief van internist-allergoloog W.M.A.J. Miesen en een rapport van 21 september 2009 van medisch adviseur K.H. Harmsma. Appellante heeft de Raad verzocht bij twijfel over de juistheid van de medische grondslag een onafhankelijke deskundige te benoemen.

4.2. Het Uwv heeft de in hoger beroep in geding gebrachte medische informatie ter beoordeling voorgelegd aan de bezwaarverzekeringsarts. Deze heeft er in zijn reactie van 25 januari 2010 op gewezen dat de primaire verzekeringsarts bij het vaststellen van de FML rekening heeft gehouden met de COPD klachten en allergische klachten van appellante. De longaandoening van appellante was naar de visie van de bezwaarverzekeringsarts niet zodanig dat deze aanleiding gaf tot een duurbeperking op energetische gronden. Uit de verkregen informatie kan worden afgeleid dat een beperking op stof indertijd mogelijk ook actueel was. Een omgeving waarin veel stof aanwezig is moet voor appellante als ongeschikt worden beschouwd. De bezwaararbeidsdeskundige H.N.M. van Rhee heeft daarop de functiegeschiktheid van appellante voor de eerder geduide functies bekeken. Van Rhee concludeerde dat twee van de vijf geduide functies, vanwege de mate waarin blootstelling aan stof voorkomt, niet langer geschikt zijn voor appellante. Het verlies aan verdiencapaciteit is door hem op grond van de resterende functies berekend op 32,6%. Het Uwv heeft het bestreden besluit gehandhaafd.

4.3. De gemachtigde van het Uwv heeft ter zitting van de Raad verklaard dat de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende FML van 29 april 2008 door de bezwaarverzekeringsarts op het aspect stof had moeten worden bijgesteld.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. Blijkens het nader ingenomen standpunt van het Uwv in hoger beroep ten aanzien van de medische grondslag van het bestreden besluit - weergegeven onder 4.2 en 4.3 - was het bestreden besluit niet deugdelijk gemotiveerd. Hierin ziet de Raad aanleiding het bestreden besluit te vernietigen. Datzelfde geldt voor de aangevallen uitspraak waarbij het beroep tegen dat besluit ongegrond is verklaard.

5.2. In hetgeen appellante in hoger beroep heeft gesteld heeft de Raad echter geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat het standpunt van het Uwv aangaande de arbeidsbeperkingen van appellante, zoals ingenomen in hoger beroep, onjuist is. De bezwaarverzekeringsarts heeft de behandelend sector gevolgd in zijn visie dat blootstelling aan stof zoveel mogelijk dient te worden vermeden. Een omgeving waarin veel stof aanwezig is moet ook volgens de bezwaarverzekeringsarts voor appellante als ongeschikt worden beschouwd, maar daarbij is overwogen dat van een kantooromgeving verwacht mag worden dat dit een voldoende schone omgeving is omdat daar mensen werken met huisstofmijtallergie en COPD. De Raad onderschrijft dit standpunt. De Raad ziet voorts geen aanleiding om het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts dat geen sprake is van een dusdanige longaandoening dat een duurbeperking geïndiceerd is voor onjuist te houden. Blijkens de informatie van de behandelend sector, zoals aangehaald door de medisch adviseur van appellante in zijn schrijven van 21 september 2009, is er bij appellante sprake van een licht obstructief syndroom dat reversibel is. Uit het voorgaande volgt dat de Raad geen aanleiding heeft gezien een deskundige te benoemen voor een nader onderzoek.

5.3. De Raad is van oordeel dat het Uwv bij rapport van 27 januari 2010 van de bezwaararbeidsdeskundige Van Rhee en rapport van 19 mei 2008 van de bezwaararbeidsdeskundige J.D. van Aalderen genoegzaam heeft toegelicht dat resterende, aan de schatting ten grondslag gelegde, functies, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, in medisch opzicht geschikt zijn voor appellante.

5.4. Gelet op het hiervoor onder 5.1 tot en met 5.3 weergegeven oordeel van de Raad kunnen de rechtsgevolgen van het bestreden besluit, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), geheel in stand worden gelaten.

6. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep. De Raad begroot deze kosten op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep tot een bedrag groot € 966,-;

Bepaalt dat het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 149,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.M. van de Kerkhof, in tegenwoordigheid A.E. van Rooij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 april 2010.

(get.) C.P.M. van de Kerkhof.

(get.) A.E. van Rooij.

TM