Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM2695

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-04-2010
Datum publicatie
28-04-2010
Zaaknummer
09-654 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op een uitkering ingevolge de Wet WIA. Geen sprake van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/654 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 19 december 2008, 2008/974 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum: 23 april 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.M. van den Boomen, advocaat te Roermond, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde, mr. Van den Boomen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door P.J.L.H. Coenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was werkzaam bij [naam B.V.] Op 29 juli 2004 vroeg zij een uitkering uit hoofde van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) aan. In haar aanvraag gaf zij aan dat zij directeur grootaandeelhouder was. Het Uwv heeft haar mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van 31 mei 2005 vastgesteld op 80 tot 100% en heeft haar per die datum een

WAZ-uitkering toegekend.

1.2. Op 3 mei 2006 heeft appellante een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd. Bij besluit van 13 september 2006 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante met ingang van 30 mei 2006 geen recht is ontstaan op een uitkering ingevolge de Wet WIA omdat zij als directeur grootaandeelhouder niet is verzekerd ingevolge de Wet WIA. Dit besluit staat in rechte vast.

1.3. Bij brief van 4 april 2007, aangevuld bij brief van 1 mei 2007, heeft appellante het Uwv verzocht een onderzoek in te stellen naar de vraag of zij terecht is aangemerkt als directeur grootaandeelhouder. In reactie hierop heeft het Uwv bij brief van 13 juni 2007 geantwoord dat appellante in haar aanvraag om een WAZ-uitkering zelf had aangegeven dat zij directeur grootaandeelhouder is en dat het Uwv geen aanleiding had om dit te betwisten.

1.4. Vervolgens heeft appellante haar stelling dat zij geen directeur grootaandeelhouder is, bij brieven van 21 juni 2007, 6 oktober 2007 en 2 november 2007 nader onderbouwd. Naar aanleiding hiervan heeft het Uwv bij brief van 24 januari 2008 het besluit van 13 september 2006 ingetrokken. Bij besluit van gelijke datum heeft het Uwv opnieuw vastgesteld dat voor appellante met ingang van 30 mei 2006 geen recht is ontstaan op een uitkering ingevolge de Wet WIA omdat zij niet is verzekerd ingevolge de Wet WIA.

1.5. Bij besluit van 2 juni 2008 (bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van appellante tegen het besluit van 24 januari 2008 ongegrond verklaard. Daarbij heeft het Uwv overwogen dat het besluit van 24 januari 2008 geen adequate reactie was op de met appellante gevoerde correspondentie. Appellantes brieven hadden moeten worden aangemerkt als een verzoek aan het Uwv om terug te komen van het besluit van 13 september 2006. Met het besluit van 24 januari 2008 heeft het Uwv ten onrechte een nieuwe, voor bezwaar vatbare beslissing afgegeven en het besluit van 24 januari 2008 dient blijkens de beslissing op bezwaar te worden opgevat als een weigering om terug te komen van het besluit van 13 september 2006. Nu het Uwv ook in bezwaar niet is gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden, heeft hij het verzoek niet gehonoreerd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank allereerst vastgesteld dat in het bestreden besluit een weigering besloten ligt om terug te komen van het besluit van 13 september 2006. Vervolgens heeft de rechtbank overwogen dat een bestuursorgaan ingevolge vaste jurisprudentie van de Raad in het algemeen bevoegd is om na een eerdere afwijzing een herhaalde aanvraag inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staat daar niet aan in de weg. Dit kan echter niet de weg openen naar een toetsing door de bestuursrechter als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. Gelet hierop dient de bestuursrechter in een zodanig geval uit te gaan van de oorspronkelijke afwijzing en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien. De rechtbank is van oordeel dat appellante uitsluitend argumenten heeft aangedragen die ook in een procedure tegen het besluit van 13 september 2006 naar voren hadden kunnen worden gebracht, zodat geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Dat de Belastingdienst de door appellante betaalde premies op grond van de WAZ aan appellante heeft terugbetaald, maakt dit naar het oordeel van de rechtbank niet anders.

3. In hoger beroep herhaalt appellante haar standpunt dat zij niet kan worden aangemerkt als directeur grootaandeelhouder en dat zij om die reden als werknemer in de zin van de Wet WIA moet worden gekwalificeerd. Een situatie als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb is volgens haar niet aan de orde, nu het Uwv het besluit van 13 september 2006 heeft ingetrokken en heeft vervangen door een nieuw besluit met een andere motivering c.q. grondslag. Subsidiair stelt appellante dat, voor zover wel sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb, sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden, nu de Belastingdienst haar niet langer kwalificeert als directeur grootaandeelhouder en de betaalde premies ingevolge de WAZ als onverschuldigd betaald heeft gerestitueerd.

4. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank. De Raad voegt daar nog aan toe dat de voor het eerst in beroep naar voren gebrachte stelling dat de Belastingdienst de door appellante betaalde premies op grond van de WAZ aan appellante heeft terugbetaald, geen doel treft, reeds omdat nieuwe feiten ingevolge artikel 4:6 van de Awb bij de aanvraag moeten worden vermeld. Met nieuwe feiten die pas in de fase van beroep of hoger beroep naar voren worden gebracht, kan bij de rechterlijke toetsing van met toepassing van artikel 4:6 van de Awb genomen besluiten geen rekening worden gehouden.

5. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J.P.M. Zeijen en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 april 2010.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) T.J. van der Torn.

GdJ