Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM2585

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-03-2010
Datum publicatie
04-05-2010
Zaaknummer
09-1383 AWBZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mantelzorgcompliment. Betrokkene heeft op eigen naam bezwaar gemaakt tegen het besluit tot indicatie van zorg voor zijn echtgenote en heeft CIZ daarbij verzocht om in het indicatiebesluit geregistreerd te worden als mantelzorger. Het vastleggen van de aanwezigheid van mantelzorg door CIZ behoort plaats te vinden in het kader van de indicatiestelling van zorg van een (AWBZ)verzekerde. Het belang van de mantelzorger is niet rechtstreeks betrokken bij een dergelijk indicatiebesluit. Zijn belang - een erkenning in financiële vorm van zijn mantelzorgactiviteiten - is eerst aan de orde bij het besluit van Svb over het al dan niet toekennen van een mantelzorgcompliment. Het feit dat daarvoor gegevens ontleend worden aan het indicatiebesluit, maakt niet dat de mantelzorger daarmee een actueel rechtstreeks belang heeft bij het indicatiebesluit. Betrokkene kan dan ook niet worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RZA 2010/72
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/1383 AWBZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Stichting Centrum Indicatiestelling Zorg, gevestigd te Driebergen, (hierna: CIZ)

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 19 januari 2009, 08/859 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

[Betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene)

en

CIZ

Datum uitspraak: 3 maart 2010

I. PROCESVERLOOP

CIZ heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 december 2009. CIZ heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Benedictus en mr. L.M.R. Kater, werkzaam bij CIZ. Betrokkene is verschenen. Daartoe door de Raad uitgenodigd heeft de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb) zich laten vertegenwoordigen door mr. A.P. van den Berg, werkzaam bij Svb.

II. OVERWEGINGEN

1.1. De echtgenote van betrokkene (hierna: echtgenote) is begin 2007 getroffen door een hersenbloeding. Op 22 maart 2007 is voor haar bij CIZ een indicatie voor verpleeghuiszorg aangevraagd.

1.2. Bij besluit van 31 oktober 2007 is de echtgenote op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna: AWBZ) met ingang van

14 november 2007 voor de duur van één jaar geïndiceerd voor zorgzwaartepakket VV klasse 7, hetgeen een indicatie voor verblijf voor zeven etmalen per week impliceert.

1.3. In verband met de wens van betrokkene en zijn echtgenote om haar thuis te verzorgen heeft het zorgkantoor haar een persoonsgebonden budget toegekend. Dit persoonsgebonden budget wordt aangewend voor het inkopen van geïndiceerde zorg. In aanvulling daarop biedt betrokkene zijn echtgenote zorg.

1.4. Bij brief van 22 november 2007, aangevuld bij brief van 28 november 2007, heeft betrokkene bezwaar gemaakt tegen het besluit van 31 oktober 2007. Betrokkene wenst dat in het indicatiebesluit wordt opgenomen, dat hij als mantelzorger wordt aangemerkt.

1.5. CIZ is ervan uitgegaan dat betrokkene het bezwaar namens zijn echtgenote heeft ingediend. Bij besluit van 14 december 2007 heeft CIZ het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat “het ontbreken van mantelzorgcompliment geen formeel onderdeel is van het indicatiebesluit”.

2.1. Betrokkene heeft tegen het besluit van 14 december 2007 beroep ingesteld. Hij heeft daarin, zichzelf aanduidend als eiser, verzocht om de volgende vermelding op te (laten) nemen in het indicatiebesluit van 31 oktober 2007: “[betrokkene], echtgenoot van [echtgenote], zal tevens in voorkomende gevallen als mantelzorger optreden”. Ter zitting van de rechtbank heeft betrokkene verklaard dat hij wil hebben vastgelegd dat hij mantelzorger is en dat hem, nu dit ontbreekt, bepaalde rechten niet worden gegeven.

2.2. De rechtbank heeft het tegen het besluit van 14 december 2007 ingestelde beroep, ervan uitgaande dat betrokkene dit beroep namens zijn echtgenote heeft ingesteld, bij de aangevallen uitspraak - met een overweging over het griffierecht - gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Hiertoe heeft zij overwogen dat de vermelding van mantelzorg in het indicatiebesluit vereist is voor toekenning van een mantelzorgcompliment door Svb. Nu CIZ in bepaalde gevallen sinds april 2007 in het indicatiebesluit mantelzorg registreert, kan haar standpunt dat deze registratie niet op rechtsgevolg is gericht en dus geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) - zonder motivering - geen stand houden.

3.1. CIZ heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij stelt zich op het standpunt dat het registreren van mantelzorg niet op rechtsgevolg gericht is. De registratie van mantelzorg behelst niet meer dan een advies aan Svb, en een dergelijk advies kan niet worden aangemerkt als publiekrechtelijke rechtshandeling. Ter ondersteuning van dit standpunt heeft CIZ verwezen naar de uitspraak van de Raad van 19 december 2000 (LJN AA9654).

3.2. Betrokkene blijft in hoger beroep bij zijn verzoek om als mantelzorger te worden genoemd in het indicatiebesluit.

4.1. Bij brief van 19 november 2008 heeft betrokkene Svb verzocht om in aanmerking te komen voor een mantelzorgcompliment.

4.2. Bij besluit van 4 december 2008 is dit verzoek afgewezen, omdat geen sprake is van de volgens de beleidsregels van Svb vereiste extramurale zorg. Tegen dit besluit is geen bezwaar gemaakt.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. Juridisch kader

5.1.1. De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna: VWS) heeft bij brief van 7 mei 2007 aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II 2006-2007, 30 169 en 30 800 XVI, nr. 6) bericht door middel van een wijziging van de Wet maatschappelijke ondersteuning (hierna: Wmo) te gaan voorzien in de verstrekking van een uitkering aan mantelzorgers (hierna: mantelzorgcompliment). Vooruitlopend op deze wetswijziging heeft de Staatssecretaris van VWS aan Svb de opdracht gegeven om reeds in het jaar 2007 te voorzien in de toekenning van mantelzorgcomplimenten.

5.1.2. Svb heeft aan deze opdracht gevolg gegeven door regels ter uitvoering van het mantelzorgcompliment 2007 bekend te maken (Stcrt. 2007, nr. 243, p. 23).

5.1.3. Bij wet van 2 april 2009 (Stb. 2009, 229) is de Wmo gewijzigd in die zin, dat daarin een paragraaf over een uitkering aan mantelzorgers is opgenomen. Deze wet is op 8 juli 2009 in werking getreden en werkt, evenals de op de Wmo gebaseerde Regeling maatschappelijke ondersteuning (hierna: Regeling), terug tot de datum 1 april 2007 (Besluit van 15 juni 2009, Stb. 2009, 286).

5.1.4. Svb heeft op 11 augustus 2009 de in 5.1.2 bedoelde regels ingetrokken, omdat deze vervallen zijn door de inwerkingtreding van de wijziging van de Regeling. Aan deze intrekking is terugwerkende kracht gegeven tot 1 april 2007.

5.1.5. De relevante bepalingen van de Wmo luidden met inachtneming van de in 5.1.3 genoemde terugwerkende kracht ten tijde in geding als volgt:

“Artikel 1

1.In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a.Onze Minister: Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;

b.mantelzorg: langdurige zorg die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende door personen uit diens directe omgeving, waarbij zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt;

(…)

Artikel 19a

1. Onze Minister kan aan een persoon die mantelzorg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, verleent ter waardering van zijn werk een uitkering verstrekken.

2. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het verstrekken van een uitkering. In ieder geval worden regels gesteld met betrekking tot:

a.het bedrag van de uitkering;

b.de aanvraag van de uitkering;

c.de criteria die voor de verstrekking van de uitkering worden gesteld;

d.de betaling van de uitkering.

3. Onze Minister kan de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid delegeren aan een ander bestuursorgaan.

4. Bij ministeriële regeling worden in geval van toepassing van het derde lid regels gesteld voor de uitvoering door het bestuursorgaan, de vergoeding van de kosten voor de uitvoering, de begroting van de uitgaven en kosten, de verantwoording van de uitgaven door het bestuursorgaan, de inrichting van de administratie en het verstrekken van inlichtingen door het bestuursorgaan aan Onze Minister.

Artikel 19b

De Stichting Centrum Indicatiestelling Zorg en een stichting als bedoeld in artikel 4 van de Wet op de jeugdzorg verstrekken aan Onze Minister of in geval van toepassing van artikel 19a, derde lid, aan het bestuursorgaan, bedoeld in artikel 19a, derde lid, de persoonsgegevens die voor Onze Minister, respectievelijk het bestuursorgaan, noodzakelijk zijn voor de uitvoering van artikel 19a.”

5.1.6. Blijkens artikel II van de Wet van 2 april 2009 tot wijziging van de Wmo en de Wet werk en bijstand in verband met het verstrekken van een uitkering aan mantelzorgers (Stbl. 2009, 229; hierna: Wijzigingswet) zijn de door Svb voor de inwerkingtreding van deze wet genomen besluiten tot het verstrekken van een uitkering als bedoeld in artikel 19a, in afwijking van artikel 10:15 van de Awb, “rechtsgeldig”.

5.1.7. De voor dit geding van belang zijnde bepalingen van de op de Wmo berustende Regeling luidden ten tijde in geding als volgt:

“Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. minister: Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;

b. wet: de Wet maatschappelijke ondersteuning;

c. mantelzorger: een persoon die mantelzorg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de wet verleent;

(…)

Artikel 6a

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

uitkering: een uitkering als bedoeld in artikel 19a van de wet.

Artikel 6b

Een mantelzorger ontvangt ter waardering van zijn werk een uitkering, indien:

a. door het CIZ of het bureau jeugdzorg na 1 april 2007 aan een persoon een indicatie is afgegeven met een geldigheidsduur van ten minste zes maanden voor extramurale zorg in het kader van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten,

b. ter gelegenheid van het afgeven van de onder a bedoelde indicatie door het CIZ of het bureau jeugdzorg is aangegeven, dat voor een gedeelte van de geïndiceerde zorg mantelzorg aanwezig zal zijn, en

c. de onder a bedoelde persoon de desbetreffende mantelzorger als begunstigde voor de uitkering heeft aangewezen.

Artikel 6c

De bevoegdheid tot het verstrekken van een uitkering als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, van de wet wordt gedelegeerd aan de SVB.

Artikel 6d

1. De toekenning van een uitkering vindt plaats door de SVB naar aanleiding van een daartoe door de mantelzorger bij de SVB ingediende aanvraag.

2. De SVB zendt een persoon als bedoeld in artikel 6b, onder a, die voldoet aan artikel 6b, onder b, een aanvraagformulier. De SVB vermeldt op het aanvraagformulier de datum van verzending.

3. In afwijking van het tweede lid kan de SVB een aanvraagformulier zenden aan het CIZ of het bureau jeugdzorg, in welk geval het CIZ, respectievelijk het bureau jeugdzorg het aanvraagformulier zendt of uitreikt aan een persoon als bedoeld in artikel 6b, onder a, die voldoet aan artikel 6b, onder b, onder vermelding van de datum van verzending, respectievelijk uitreiking op het aanvraagformulier.

4. De aanvraag wordt door de mantelzorger ingediend uiterlijk drie maanden na de dag waarop het aanvraagformulier aan een persoon als bedoeld in artikel 6b, onder a, die voldoet aan artikel 6b, onder b, is toegezonden of uitgereikt. De aanvraag is mede-ondertekend door die persoon.

5. De aanvraag heeft betrekking op het kalenderjaar waarin de in artikel 6b, onder a, bedoelde indicatie is afgegeven.

Artikel 6e

Indien de geldigheidsduur van een in artikel 6b, onder a, bedoelde indicatie meer dan één jaar is en twee of meer kalenderjaren bestrijkt, kan een persoon als bedoeld in artikel 6b, onder a, die voldoet aan artikel 6b, onder b, voor ieder kalenderjaar een mantelzorger als begunstigde aanwijzen, indien door het CIZ of het bureau jeugdzorg ieder keer dat een jaar na de dag van afgifte van de indicatie is verstreken, wordt aangegeven dat voor een gedeelte van de geïndiceerde zorg mantelzorg aanwezig zal zijn.

Artikel 6f

1. Een persoon als bedoeld in artikel 6b, onder a, die voldoet aan artikel 6b, onder b, kan per kalenderjaar slechts één mantelzorger als begunstigde voor de uitkering aanwijzen.

2. Een mantelzorger kan per kalenderjaar slechts voor het bieden van zorg aan één persoon als begunstigde voor een uitkering worden aangewezen.

Artikel 6g

De uitkering bedraagt voor de jaren 2007 en 2008 € 250,--.

Artikel 6h

De uitkering wordt door de SVB betaald:

a. met betrekking tot aanvragen die voor 1 oktober van enig jaar zijn ingediend op of rond 10 november van dat jaar;

b. met betrekking tot aanvragen die na 1 oktober van enig jaar zijn

ingediend, zo spoedig mogelijk.

Artikel 6i

De SVB kan de artikelen 6b en 6d, vierde lid, buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover strikte toepassing leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Artikel 6j

De SVB is belast met de rechtmatige en doelmatige uitvoering van artikel 19a van de wet en deze paragraaf, voor zover de uitvoering niet bij de minister berust.”

5.1.8. In de toelichting bij de onder 5.1.7 genoemde Regeling is onder meer vermeld dat CIZ bij de indicatiestelling bepaalt welke zorg voor de zorgvrager het meest geëigend is. Daarbij wordt onder meer rekening gehouden met de gebruikelijke zorg en met de inzet die mantelzorgers bereid zijn te bieden aan een naaste. Wanneer in het indicatieproces wordt vastgesteld dat extramurale zorg vanuit de AWBZ noodzakelijk is gedurende een periode van meer dan 6 maanden en wanneer de mantelzorger een deel van deze zorg op zich neemt, dan voldoet de zorgvrager aan de criteria voor het toekennen van een uitkering aan de mantelzorger. CIZ maakt hier melding van aan Svb. CIZ verstrekt de noodzakelijke gegevens van de zorgvrager aan Svb. Het gaat daarbij om naam, adres, woonplaats, geboortedatum van de zorgvrager en de duur van de afgegeven indicatie voor extramurale AWBZ-zorg.

5.1.9. Ingevolge artikel 9a, eerste lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna: AWBZ) voorzien burgemeester en wethouders erin dat in hun gemeente ten behoeve van de inwoners een onafhankelijk indicatieorgaan werkzaam is, dat kosteloos besluit of een inwoner is aangewezen op een van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen vormen van zorg.

5.1.10. De Raad stelt vast dat het in artikel 9a, eerste lid, van de AWBZ bedoelde indicatieorgaan in casu CIZ is.

5.1.11. Artikel 9b, eerste lid, van de AWBZ bepaalt dat aanspraak op zorg, aangewezen ingevolge artikel 9a, eerste lid, van de AWBZ, slechts bestaat indien en gedurende de periode waarvoor het bevoegde indicatieorgaan op een door de verzekerde ingediende aanvraag heeft besloten dat deze naar aard, inhoud en omvang op die zorg is aangewezen.

5.1.12. Ingevolge artikel 6 van het Zorgindicatiebesluit wordt, voor zover dit voor het nemen van een indicatiebesluit van belang is, onderzoek verricht naar:

(…)

f. de aard en de omvang van de aan de zorgvrager geboden professionele en niet-professionele hulp en zorg en de mogelijkheden tot continuering en uitbreiding daarvan.

5.1.13. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtsreeks bij een besluit is betrokken.

5.1.14. Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

5.2. Het recht dat van toepassing is

5.2.1. Bij de beoordeling van het hoger beroep van appellante dient te worden uitgegaan van de algemeen verbindende voorschriften, zoals deze ingevolge het overgangsrecht op 1 april 2007 zijn komen te luiden.

5.3. Partijstelling

5.3.1. De Raad overweegt ambtshalve dat de rechtbank ten onrechte de echtgenote van betrokkene als partij heeft aangemerkt. Er is niet gebleken van enige aanwijzing dat betrokkene namens zijn echtgenote beroep heeft ingesteld of beoogd heeft dit te doen. Hij heeft op eigen naam beroep ingesteld tegen het besluit dat op zijn bezwaar tegen het indicatiebesluit is genomen, hij heeft zichzelf daarbij aangeduid als eiser en hij heeft verzocht om bescherming in zijn (financieel) belang als mantelzorger. De aangevallen uitspraak komt reeds daarom voor vernietiging in aanmerking.

5.3.2. De Raad heeft zich vervolgens beraden op de vraag of na vernietiging van de aangevallen uitspraak de zaak naar de rechtbank moet worden teruggewezen. In aanmerking nemend dat de zaak naar zijn oordeel geen nadere behandeling door de rechtbank behoeft, nu betrokkene in woord en geschrift bij de rechtbank en ook in de onderhavige procedure zijn standpunt heeft kunnen verwoorden en daarvan ook daadwerkelijk gebruik heeft gemaakt, beantwoordt de Raad die vraag ontkennend.

Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad betrokkene als partij aanmerken en het beroep van betrokkene beoordelen.

5.4. Het mantelzorgcompliment en de taak van CIZ

5.4.1. De Raad stelt vast dat de Minister van VWS met de inwerkingtreding van het bepaalde van artikel 6c van de Regeling zijn bevoegdheid tot het verstrekken van een mantelzorgcompliment heeft gedelegeerd aan Svb. De aan de Wijzigingswet en aan de wijziging van de Regeling gegeven terugwerkende kracht strekt zich, mede gelet op het bepaalde in artikel II van die wet, ook uit tot deze delegatie.

5.4.2. Op grond van artikel 6d, eerste lid, van de Regeling dient het mantelzorgcompliment door de mantelzorger te worden aangevraagd bij Svb. Ingevolge artikel 6d, tweede lid, van de Regeling zendt Svb een aanvraagformulier toe aan in de Regeling genoemde zorgvragers. Blijkens de toelichting op de Regeling dient het aanvraagformulier zowel door de mantelzorger als door de zorgvrager te worden ondertekend. Het betreft de informatie met betrekking tot het al dan niet genomen zijn van een indicatiebesluit, de datum van het indicatiebesluit, de indicatie van extramurale zorg, de geldigheidsduur van die indicatie en de vermelding van de aanwezigheid van mantelzorg voor een gedeelte van de geïndiceerde zorg.

5.4.3. Wil een aanvraag voor een mantelzorgcompliment kunnen worden toegewezen, dan moet voldaan zijn aan de in artikel 6b van de Regeling vermelde vereisten. CIZ dient met het oog op de beoordeling of aan die vereisten wordt voldaan op grond van artikel 19b van de Wmo aan Svb informatie te verstrekken.

5.4.4. Op grond van artikel 9b, eerste lid, van de AWBZ heeft CIZ de taak om te besluiten of een verzekerde naar aard, inhoud en omvang is aangewezen op de ingevolge artikel 9a, eerste lid, van de AWBZ aangewezen zorg. Daartoe verricht CIZ op grond van artikel 6 van het Zorgindicatiebesluit onder meer onderzoek naar de aard en omvang van de aan de zorgvrager geboden niet-professionele hulp en de mogelijkheden tot continuering en uitbreiding daarvan. Het in beeld brengen van deze hulp, waartoe ook de mantelzorg behoort, is van belang voor de omvang van de te indiceren zorg. De Raad ziet dit bevestigd in onder meer de brief van de Staatssecretaris van VWS aan de Tweede Kamer van 2 november 2006 over mantelzorg, waarin onder “Activiteiten op het terrein van de AWBZ” onder andere over het indicatieproces is vermeld: “Ik heb het CIZ gevraagd de inzet van de mantelzorger in het indicatiebesluit zichtbaar te maken, zodat duidelijk is voor de zorgvrager wat de aanspraak is op professionele zorg, mocht de mantelzorger uitvallen; de door de mantelzorger verleende uren zorg moeten dan professioneel worden verleend zonder dat daarvoor eerst een herindicatie hoeft plaats te vinden. Voorwaarde is dat het CIZ deze vorm van benoemen van de mantelzorg kan opnemen in de eigen registratiesystemen waarmee de indicatiestelling wordt uitgevoerd. Ik reken erop dat dit in de loop van 2007 het geval is.” (Kamerstukken II 2006-2007, 30 169, nr. 5, p. 7).

5.4.5. Uit de tekst van de artikelen 19a en 19b van de Wmo, van de in paragraaf 6 van de Regeling opgenomen bepalingen over het mantelzorgcompliment en uit de onder 5.1.8 vermelde passage uit de toelichting op de Regeling leidt de Raad af dat bij de invoering van het mantelzorgcompliment niet beoogd is de wettelijke taak van CIZ uit te breiden, behoudens het verstrekken van enkele gegevens uit het op de zorgvrager betrekking hebbende indicatiebesluit aan Svb, waaronder ook de aanwezigheid van mantelzorg ter vervanging van AWBZ-zorg. De Raad wijst in dit verband op de memorie van toelichting bij de wet tot invoering van het mantelzorgcompliment, waarin is vermeld dat het proces van indicatiestelling in het kader van de AWBZ vooral van belang is om langs objectieve weg vast te kunnen stellen of er sprake is van mantelzorg bij een langdurige zorgvraag (Kamerstukken II 2007-2008, 31 317, nr 3, p. 1 en 2).

5.4.6. De Raad leidt hieruit af, dat het de door de minister van VWS gedelegeerde wettelijke taak van Svb is om - mede op basis van gegevens van CIZ - besluiten te nemen met betrekking tot de toekenning van een mantelzorgcompliment aan een mantelzorger die daarom vraagt, en dat het de wettelijke taak van CIZ is om op verzoek van een verzekerde AWBZ-zorg te indiceren, in welk kader het van belang is vast te stellen in hoeverre er feitelijk sprake van is dat in geïndiceerde AWBZ-zorg feitelijk wordt voorzien door mantelzorg. Daarnaast heeft de wetgever CIZ opgedragen om de voor de beslissing over een mantelzorgcompliment relevante gegevens, die in het kader van het indicatieproces zijn verkregen, te verstrekken aan Svb.

5.5. Besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb

5.5.1. De Raad merkt het verstrekken van de (beperkte) informatie uit het indicatiebesluit door CIZ aan Svb aan als een feitelijke handeling. De registratie van mantelzorg maakt evenwel, zoals is overwogen in 5.4.4 en 5.4.5, onderdeel uit van het indicatiebesluit. Nu betrokkene bezwaar heeft gemaakt tegen het indicatiebesluit van 31 oktober 2007, welk besluit moet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb, kan het besluit op bezwaar van 14 december 2007, waarbij dit bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is verklaard omdat het niet was gericht tegen een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, geen stand houden. Het besluit van 14 december 2007 komt daarom voor vernietiging in aanmerking. De Raad wijst er in dit verband op dat het de aanvrager vrijstaat om in een geding gericht tegen het niet toekennen van een aangevraagd mantelzorgcompliment aan te voeren dat de registratie in het systeem van CIZ niet juist of niet volledig is, in welk geval hem niet kan worden tegengeworpen dat het indicatiebesluit formele rechtskracht heeft.

5.6. Belanghebbende

5.6.1. Betrokkene heeft op eigen naam bezwaar gemaakt tegen het besluit tot indicatie van zorg voor zijn echtgenote en heeft CIZ daarbij verzocht om in het indicatiebesluit geregistreerd te worden als mantelzorger.

5.6.2. Het vastleggen van de aanwezigheid van mantelzorg door CIZ behoort plaats te vinden in het kader van de indicatiestelling van zorg van een (AWBZ)verzekerde. Het belang van de mantelzorger is niet rechtstreeks betrokken bij een dergelijk indicatiebesluit. Zijn belang - een erkenning in financiële vorm van zijn mantelzorgactiviteiten - is eerst aan de orde bij het besluit van Svb over het al dan niet toekennen van een mantelzorgcompliment. Het feit dat daarvoor gegevens ontleend worden aan het indicatiebesluit, maakt niet dat de mantelzorger daarmee een actueel rechtstreeks belang heeft bij het indicatiebesluit. Betrokkene kan dan ook niet worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.

5.6.3. Dit betekent dat het bezwaar van betrokkene, dat door CIZ ten onrechte is aangemerkt als bezwaar van zijn echtgenote, niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat betrokkene geen belanghebbende is in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb bij het besluit van 31 oktober 2007.

5.7. Het besluit van Svb

5.7.1. De Raad ziet geen aanleiding om op de voet van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb het beroep van betrokkene mede gericht te achten tegen het besluit van 4 december 2008 van Svb, omdat dit besluit een geheel andere grondslag en reikwijdte heeft dan de besluiten van appellant van 31 oktober 2007 en 14 december 2007. Het betreft namelijk de toepassing van een andere bevoegdheid (indicatiestelling op grond van de AWBZ tegenover het al dan niet toekennen van een mantelzorgcompliment op grond van de Wmo) door een ander bestuursorgaan jegens een andere kring van belanghebbenden.

5.8. Slotsom

5.8.1. Het voorgaande betekent dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Raad verklaart, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 14 december 2007, omdat de niet-ontvankelijkverklaring berust op een onjuiste grond. CIZ hoeft geen nieuw besluit op bezwaar te nemen, omdat de Raad daarin zelf zal voorzien door het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren op de grond dat betrokkene geen belanghebbende is bij het indicatiebesluit, waartegen hij bezwaar heeft gemaakt. De uitspraak van de Raad treedt in de plaats van het vernietigde besluit.

5.8.2. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, met uitzondering van de bepaling omtrent griffierecht;

Verklaart het beroep van betrokkene gegrond;

Vernietigt het besluit van 14 december 2007;

Verklaart het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 31 oktober 2007 niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en G.M.T. Berkel-Kikkert en H.C.P. Venema als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.Waasdorp als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2010.

(get.) R.M. van Male.

(get.) J. Waasdorp.

SG