Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM2578

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-03-2010
Datum publicatie
29-04-2010
Zaaknummer
08-7337 WWB + 08-7338 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Gezamenlijke huishouding. Schending inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/7337 WWB

08/7338 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats 1] (hierna: appellante) en [Appellant], wonende te [woonplaats 2] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 21 november 2008, 07/1299, (hierna: aangevallen uitspraak),

in de gedingen tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Hellendoorn (hierna: College)

Datum uitspraak: 30 maart 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. C.C.M. Peper, advocaat te Almelo, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 februari 2010. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. R.H.H. Schepers, advocaat te Almelo en kantoorgenoot van mr. Peper. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.H.P. ennemers, werkzaam bij de gemeente Hellendoorn.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving sinds 1 april 1986 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Naar aanleiding van een anonieme tip in oktober 2006, inhoudend dat appellante gedurende de hele zomer met haar vriend, appellant, op de camping verbleef, is op verzoek van het College door de Sociale Recherche Twente onderzoek gedaan naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader is onder meer dossieronderzoek verricht, zijn bij diverse instanties inlichtingen ingewonnen, zijn enkele waarnemingen gedaan, zijn appellanten verhoord en zijn de moeder van appellante, de eigenaar van de camping en enkele anderen als getuigen gehoord. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 22 november 2006. In dat rapport is als één van de conclusies vermeld dat appellante gedurende de periode van 13 oktober 1987 tot en met 31 oktober 2006 een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met appellant zonder daarvan melding te maken aan het College. Met een aan appellante gericht besluit, dat inmiddels in rechte onaantastbaar is geworden, is de bijstand met ingang van 1 november 2006 beëindigd.

1.2. De resultaten van het onderzoek zijn voor het College tevens aanleiding geweest om bij aan appellante gericht besluit van 16 maart 2007 de bijstand over de periode van 13 oktober 1987 tot en met 31 oktober 2006 in te trekken op de grond dat appellante, zonder daarvan bij het College melding te maken, in die periode met appellant een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd. Het College heeft bij dat besluit tevens de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 juli 1997 tot en met 31 oktober 2006 tot een bedrag van € 117.514,66 van appellante teruggevorderd. Het College heeft met een aan appellant gericht besluit van 16 maart 2007 deze kosten mede van appellant teruggevorderd.

1.3. Bij besluit van 15 oktober 2007 zijn de besluiten van 16 maart 2007 in die zin herroepen dat de periode waarover de bijstand wordt ingetrokken en teruggevorderd nader is vastgesteld op de periode van 1 januari 2002 tot 1 november 2006. Het College is daarbij gemotiveerd afgeweken van het advies van de Commissie bezwaarschriften sociale zekerheid om de ingangsdatum van de herziening en terugvordering te bepalen op 2 juni 2006. Het bedrag dat wordt teruggevorderd is nader vastgesteld op € 66.316,70. Voor het overige zijn de bezwaren van appellanten tegen deze besluiten ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellanten tegen het besluit van 15 oktober 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In geschil is de vraag of appellanten in de in geding zijnde periode van 1 januari 2002 tot 1 november 2006 met elkaar een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Op grond van de ten tijde in geding geldende wetsartikelen, te weten artikel 3, derde lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) en artikel 3, derde lid, van de WWB, is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

4.2. De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Vaststaat dat appellante ten tijde in geding woonachtig was aan de [adres 1] te [woonplaats 1]. Appellant huurde in die tijd een woning op het adres [adres 2] te [woonplaats 1] en een seizoensplaats op camping [naam camping]. Naar vaste rechtspraak van de Raad hoeft het aanhouden van afzonderlijke adressen niet aan het hebben van een hoofdverblijf in dezelfde woning in de weg te staan. In dat geval zal voldoende aannemelijk moeten zijn dat desondanks een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts een van de ter beschikking staande woningen wordt gebruikt dan wel doordat op een andere wijze zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat in feite van samenwonen moet worden gesproken.

4.3. De Raad is van oordeel dat deze situatie zich in dit geval voordoet. De resultaten van het onderzoek van de sociale recherche bieden voldoende grondslag voor het door het College ingenomen standpunt dat appellanten in de periode van 1 januari 2002 tot 1 november 2006 hoofdverblijf hadden in de woning van appellante of op de camping. De Raad hecht daarbij in het bijzonder betekenis aan de verklaringen die appellanten, afzonderlijk van elkaar, op 22 november 2006 tegenover de sociale recherche hebben afgelegd en ondertekend. Appellante heeft toen - samengevat - verklaard dat zij de afgelopen zes jaar ’s zomers met appellant op de camping verbleef, dat appellant bij haar woont en niet in zijn eigen woning, dat hij in zijn eigen woning slaapt als hij nachtdienst heeft gehad of daar is als zij ruzie hebben. Ook heeft zij verklaard dat appellant een sleutel heeft van haar woning, dat daar zijn kleding en administratie ligt en dat appellant vanuit haar woning naar zijn werk gaat als ze niet op de camping zijn. Appellante heeft verder nog verklaard dat appellant de satellietschotel en de tuner in haar woning heeft betaald, dat zij de kosten van boodschappen, huishouden en hun twee honden delen, dat zij de was doet en dat appellant haar verzorgt en tot steun is. Appellant heeft - kort weergegeven - verklaard dat appellante drugs gebruikt, dat appellante en hij veel bij elkaar verblijven, dat hij een sleutel heeft van haar woning, waar hij slaapt, waar zijn administratie en schone was ligt en zijn motor voor de deur staat. De Raad verwijst ook naar de door de moeder van appellante op 22 november 2006 tegenover de sociale recherche afgelegde verklaring, inhoudend dat er niemand woont in de woning van appellant, dat deze wordt gebruikt als postadres, dat appellant er heel soms slaapt, dat appellant voornamelijk bij appellante is en voor haar een steun en toeverlaat is en dat zij weet dat appellante vanaf het begin dat zij een uitkering heeft, samenwoont met appellant. De Raad kent ook betekenis toe aan de verklaring van de sociaal huismeester bij de woningstichting die onder andere het appartement beheert waar appellante woont. Deze heeft op 20 november 2006 verklaard dat hij appellante al acht jaar kent, dat hij niet anders weet dan dat appellant bij haar woont, dat hij weet dat zij ’s zomers op een camping zitten en dat appellant, als hij niet op de camping is, vanuit de woning van appellante dagelijks naar zijn werk gaat. De Raad verwijst ook naar de op 14 november 2006 door de eigenaar van de camping afgelegde verklaring, inhoudend dat appellanten vanaf 2002 gedurende het zomerseizoen, dat loopt van 1 april tot en met 31 oktober, samen op de camping verblijven. Ten slotte hebben drie buurtbewoners van de door appellant gehuurde woning op 24 november 2006 verklaard dat de woning sinds het overlijden van de laatste bewoonster onbewoond is, dat appellant daar nooit heeft gewoond, daar wel eens heeft geslapen, daar zijn post komt ophalen en spullen opslaat.

4.4. De stelling van appellante dat zij haar verklaringen bij de sociale recherche onder druk heeft afgelegd, leidt niet tot een ander oordeel van de Raad. Appellante stelt in hoger beroep dat zij tijdens het verhoor onder grote druk stond omdat haar twee honden, waarvan er één ziek was, tijdens haar urenlange verblijf op het politiebureau in de kofferbak van haar auto zaten en aan hun lot werden overgelaten. De Raad merkt op dat deze weergave van de situatie ten tijde van het verhoor niet strookt met hetgeen appellante daarover in haar bezwaarschrift heeft vermeld, te weten dat de politie beide honden had meegenomen, maar niet heeft uitgelaten. Wat daar ook van zij, de Raad acht het aannemelijk dat appellante tijdens het verhoor op 22 november 2006 enige druk heeft gevoeld omdat zij bezorgd was over haar honden. Het is de Raad echter op geen enkele wijze gebleken dat door de sociale recherche op appellante ongeoorloofde druk is uitgeoefend. Het proces-verbaal van verhoor biedt voor deze stelling van appellante geen aanknopingspunten en ook anderszins heeft de Raad daarvoor geen onderbouwing aangetroffen. De Raad wijst er in dit verband nog op dat appellante de processen-verbaal zonder enig voorbehoud op iedere pagina heeft ondertekend. Het is de Raad niet gebleken dat de gestelde psychische problemen die appellante parten zouden hebben gespeeld tijdens het verhoor van dien aard waren dat niet kan worden uitgegaan van de juistheid van haar verklaringen. Gelet hierop kan appellante aan haar verklaringen worden gehouden en kan de door appellante in het beroepschrift in eerste aanleg vermelde wens om deze verklaringen in te trekken er niet toe leiden dat deze verklaringen buiten beschouwing worden gelaten. De Raad ziet in de in het geding gebrachte schriftelijke verklaringen uit mei 2007, waarin de moeder van appellante, respectievelijk een door de sociale recherche gehoorde buurtbewoner, aangeven dat appellant ten tijde in geding wel in zijn eigen woning woonde, geen aanleiding om ook deze personen niet aan hun tegenover de sociale recherche afgelegde verklaringen te houden. De latere verklaringen vinden geen steun in de overige beschikbare gegevens, waaronder het geconstateerde lage waterverbruik in de woning van appellant. Ten slotte kan ook de stelling dat de verklaringen van appellante van 22 november 2006 slechts betrekking hebben op de woonsituatie van appellanten ten tijde van het verhoor en de stelling dat in overeenstemming met het advies van de Commissie bezwaarschriften op zijn vroegst per 2 juni 2002, nadat appellante slachtoffer is geworden van een misdrijf, mogelijk sprake was van een gezamenlijk hoofdverblijf in dezelfde woning, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen niet slagen.

4.5. Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat van wederzijdse zorg. Deze kan blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in zeer geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in elkaars verzorging voorzien. Daarbij is niet vereist dat de geboden verzorging van weerszijden dezelfde omvang en intensiteit heeft. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of in een concreet geval aan het verzorgingscriterium is voldaan. Tegen deze achtergrond acht de Raad in de onderhavige situatie van belang dat appellant in de in geding zijnde periode voor appellante zorgde wanneer dat in verband met haar verslavingsproblematiek en na ziekenhuisopnames nodig was. De Raad acht ook van belang dat appellant een financiële bijdrage leverde in de kosten van het gezamenlijke levensonderhoud en de kosten betaalde van de twee honden van appellante, waaronder de aanschaf, medische verzorging, eten en hondenbelasting. Voorts is van belang dat appellant alle faciliteiten in de woning van appellante gebruikte, dat appellante zijn was wel eens deed, dat beide appellanten wel eens de gezamenlijke boodschappen deden en dat appellant op zijn werk het nummer van de vaste telefoon in de woning van appellante heeft opgegeven als telefoonnummer waarop hij bereikbaar was. Hiermee is naar het oordeel van de Raad voldaan aan het criterium van wederzijdse zorg.

4.6. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat gedurende de hier te beoordelen periode sprake was van een gezamenlijke huishouding in de zin van artikel 3, derde lid van de Awb en de WWB. Het feit dat appellant, zoals hij ter zitting heeft verklaard, niet met appellante samenwoonde maar voor haar heeft gezorgd, maakt dat niet anders omdat bij de beoordeling van de vraag of van een gezamenlijke huishouding sprake is, de tussen de betrokkenen bestaande relatie, hun subjectieve gevoelens daaromtrent en het motief voor het voeren van de gezamenlijke huishouding buiten beschouwing moeten blijven.

4.7. Vaststaat dat appellante de wettelijk op haar rustende inlichtingenverplichting niet is nagekomen door de gezamenlijke huishouding niet te melden. Ten gevolge hiervan is haar over de periode in geding ten onrechte als zelfstandig rechtssubject bijstand verleend.

4.8. Gelet hierop is de Raad van oordeel dat het College op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd was de bijstand van appellante over de hier aan de orde zijnde periode in te trekken. De wijze van uitoefening van die bevoegdheid is niet bestreden. Daarmee is tevens gegeven dat het College op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd was de voor appellante over de periode van 1 januari 2002 tot 1 november 2006 gemaakte kosten van bijstand van haar terug te vorderen. Nu tevens vaststaat dat appellant degene is met wiens middelen bij de aan appellante verleende bijstand rekening diende te worden gehouden, is het College tevens bevoegd deze kosten van bijstand op grond van artikel 59, tweede lid, van de WWB mede van appellant terug te vorderen. Noch in de door appellant aan appellante verleende zorg, noch in hetgeen overigens door appellanten is aangevoerd ziet de Raad aanleiding voor het oordeel dat het College geheel of gedeeltelijk van (mede)terugvordering had moeten afzien.

4.9. Het voorgaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt zodat de aangevallen uitspraak bevestigd dient te worden.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en A.B.J. van der Ham en O.L.H.W.I. Korte als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2010.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) N.M. van Gorkum.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

IJ