Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM2554

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-04-2010
Datum publicatie
28-04-2010
Zaaknummer
08-2415 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om herziening. Geen sprake van een nieuw feit of veranderde omstandigheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/2415 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

In het geding tussen:

[Appellant], wonende te [woonplaats], Belgiƫ (hierna: appellant),

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 26 april 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerster van 22 januari 2008.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 maart 2010. Appellant is, vergezeld van zijn echtgenote, verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijn feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving vanaf 2 augustus 1989 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Bij besluit van verweerster van 24 april 1991, voor zover in dit geding van belang, is aan appellant met ingang van 1 mei 1990 een uitkering ingevolge de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (WUBO) toegekend. Verweerster heeft van aanvang af het bedrag van de WAO-uitkering van appellant gekort op zijn WUBO-uitkering. Appellant heeft, bij wijze van voorbeeld daarvan, in de primaire fase van dit geding gewezen op een zogenoemde berekeningsbeslissing van oktober 1991 waaruit dat blijkt.

1.2. Bij besluit van 16 oktober 2006 heeft verweerster de WUBO-uitkering van appellant ingetrokken en aan hem per gelijke datum een uitkering ingevolge de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (WUV) toegekend.

1.3. Bij brief van 20 maart 2007 heeft appellant zich tot verweerster gewend met het standpunt dat zijn WUBO-uitkering vanaf 1 mei 1990 steeds (tot eind 2006) ten onrechte is gekort met het bedrag van zijn WAO-uitkering. Bij brief van 27 maart 2007 is van de zijde van verweerster aan appellant bericht dat een WAO-uitkering volledig moet worden gekort op de WUBO-uitkering. Appellant heeft daartegen bij brief van 3 april 2007 bezwaar gemaakt.

1.4. Bij brief van 10 mei 2007 heeft appellant aan verweerster meegedeeld dat zijn brief van 3 april 2007 niet als een bezwaarschrift moet worden beschouwd, maar als een verzoek om herziening van de op zijn WUBO-uitkering toegepaste korting ter hoogte van het bedrag van de WAO-uitkering die appellant destijds ontving. Bij besluit van 19 juli 2007 heeft verweerster het verzoek om herziening afgewezen op de grond dat in dat verzoek geen relevante nieuwe feiten of omstandigheden zijn vermeld waarmee bij de eerder genomen beslissing tot korting van de WAO-uitkering op de WUBO-uitkering geen rekening is gehouden.

1.5. Bij besluit van 22 januari 2008 heeft verweerster het bezwaar tegen het besluit van 19 juli 2007 ongegrond verklaard. In aanvulling op het besluit van 19 juli 2007 heeft verweerster nog overwogen dat de korting van de WAO-uitkering dwingendrechtelijk is voorgeschreven.

2. In beroep heeft appellant zich gemotiveerd tegen het besluit van 22 januari 2008 gekeerd.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1. Overeenkomstig hetgeen voor herhaalde besluiten is bepaald in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), mag van degene die een bestuursorgaan verzoekt van een eerder genomen besluit terug te komen worden verlangd dat bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld die zulk een terugkomen kunnen rechtvaardigen.

3.2. Appellant legt aan zijn verzoek in de eerste plaats ten grondslag dat de in geding zijnde korting in strijd is met de wet, als gevolg waarvan hij ten onrechte gedurende een reeks van jaren ten onrechte een te lage WUBO-uitkering heeft ontvangen. Daarbij is echter geen sprake van een nieuw feit of een veranderde omstandigheid in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Het gaat hier immers om een argument, welk argument appellant naar voren had kunnen brengen in een bezwaarschrift tegen de (eerste) berekeningsbeslissing betreffende zijn WUBO-uitkering waarin de korting is verwerkt. In dit verband leidt de Raad uit de gedingstukken af dat de korting van de WUBO-uitkering met het bedrag van de WAO-uitkering steeds op voor appellant kenbare wijze in de berekeningsbeslissingen is verwerkt. De Raad tekent bij het voorgaande aan dat binnen het onderhavige toetsingskader in het midden moet worden gelaten of het standpunt van appellant over de uitleg van artikel 28, eerste lid, van de WUBO al dan niet juist is.

3.3. Appellant heeft verder naar voren gebracht dat hij jarenlang ten onrechte een WUBO-uitkering heeft gekregen (in plaats van een WUV-uitkering), en dat hij pas toen hij dat had ontdekt zich verder is gaan verdiepen in deze materie, waaronder de hoogte van de uitkering, in welk kader hij tevens de voorlichtingsbrochures die verweerster in de loop van de jaren heeft uitgebracht heeft bestudeerd. Volgens appellant wordt er pas in een in juni 2006 verschenen brochure melding van gemaakt dat een arbeidsongeschiktheidsuitkering volledig op de WUBO-uitkering in mindering wordt gebracht. Naar de mening van appellant is dat een nieuw feit of een veranderde omstandigheid, die bovendien met zich brengt dat ook pas vanaf juni 2006 sprake kan zijn van de onderhavige korting.

De Raad volgt appellant daarin niet. Van een nieuw feit of door appellant bedoelde veranderde omstandigheid is ook hier geen sprake. De hier van belang zijnde wettelijke bepaling - artikel 28, eerste lid, van de WUBO - is in de hier relevante periode op dit punt niet gewijzigd. Het standpunt van appellant berust op een bepaalde lezing van de door hem genoemde brochures, welke lezing voorts verband houdt met zijn lezing van de wet. De Raad wijst er in dit verband overigens - ten overvloede - op dat al in een door appellant genoemde brochure uit 1991 met zoveel woorden staat dat alle overige

bruto-inkomsten die een rechthebbende op een WUBO-uitkering heeft en die niet zijn aan te merken als inkomsten uit arbeid of vermogen ten volle op de uitkering in mindering worden gebracht.

3.4. Verweerster heeft zich derhalve terecht bevoegd geacht om het verzoek om herziening af te wijzen op de grond dat geen sprake is van een nieuw feit of een veranderde omstandigheid sedert het kortingsbesluit. De Raad ziet geen grond om te oordelen dat verweerster niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

3.5. Het voorgaande brengt de Raad tot de conclusie dat verweerster de afwijzing van het verzoek om herziening bij haar besluit van 22 januari 2008 op goede gronden heeft gehandhaafd. Het beroep van appellant dient derhalve ongegrond te worden verklaard.

4. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en C. van Viegen en J.F. Bandringa als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 april 2010.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) R.L.G. Boot.

IvR