Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM2478

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-04-2010
Datum publicatie
27-04-2010
Zaaknummer
08-6487 AOW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Korting uitkering ingevolge AOW en de toeslag op de AOW. De Raad kan zich in grote lijnen verenigen met het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten gronde gelegde overwegingen die de Raad tot de zijne maakt. Hetgeen namens appellant in de procedure in hoger beroep naar voren is gebracht heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/6487 AOW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 september 2008, 07/2894 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: het Svb).

Datum uitspraak: 14 april 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft zijn dochter, [naam dochter], hoger beroep ingesteld. Daarbij zijn een aantal nadere stukken in het geding gebracht.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend. Ook door de Svb zijn nadere stukken ingediend. Namens appellant is hierop, onder indiening van een nader stuk, gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 maart 2010. Appellant is verschenen bij zijn gemachtigde. Voor de Svb is verschenen mr. P.C.A. Buskens.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 26 juni 2007 heeft de Svb aan appellant met ingang van oktober 2007 een uitkering op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend, waarop een korting is toegepast van 42% wegens 21 niet-verzekerde jaren. Op de aan appellant toegekende toeslag op de AOW is een korting toegepast van 32% wegens 16 niet-verzekerde jaren van de echtgenote van appellant. Bij besluit op bezwaar van 14 september 2007, hierna: bestreden besluit, is het bezwaar tegen het besluit van 26 juni 2007 ongegrond verklaard.

1.2. De rechtbank heeft op het namens appellant ingestelde beroep als volgt geoordeeld:

“1. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat volgens de wettelijke bepalingen verweerder eisers AOW-uitkering terecht heeft gekort met 42% en dat verweerder terecht eisers toeslag op deze AOW-uitkering heeft gekort met 32%. Partijen houdt slechts verdeeld de vraag of het feit dat verweerder eiser bij of kort na vestiging in Nederland niet heeft geïnformeerd omtrent voornoemde kortingen gevolgen moet hebben voor de hoogte van zijn AOW-uitkering.

2. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat hij niet verplicht is bedoelde informatie te verstrekken. Hij wordt bovendien niet geïnformeerd over personen die in Nederland komen wonen. Verweerder stelt dan ook niet in staat te zijn om een ieder persoonlijk te informeren over zijn rechten omtrent de AOW. Verweerder stelt alleen iemand te kunnen informeren als hij of zij zichzelf bij verweerder meldt voor informatie. Verder heeft verweerder gesteld dat er in het verleden regelmatig in de media aandacht is besteed aan de systematiek van de AOW en de mogelijkheid van het betalen van vrijwillige premie in het geval sprake is van zogenoemde niet-verzekerde jaren.

3. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat verweerder hem nooit heeft geïnformeerd over het feit dat hij bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd geen aanspraak kon maken op een volledige AOW-uitkering volgens de geldende regels. Hierdoor, zo heeft eiser gesteld, is hij niet in staat geweest om het inkomensverlies te verzekeren of op een andere manier het verlies te beperken of te voorkomen.

4. De rechtbank stelt vast dat eiser zich op 4 april 1979 in Nederland heeft gevestigd. Eiser heeft aangevoerd dat het op de weg van verweerder had gelegen om hem – bij aankomst in Nederland – te informeren over zijn (op dat moment toekomstige) AOW-uitkering. De rechtbank is van oordeel dat deze stelling niet kan worden gevolgd. De rechtbank wijst in dit verband op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 23 februari 2007, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder LJ-Nummer AZ9241, waarin de CRvB overweegt dat het enkele achterwege laten van het verstrekken van informatie omtrent de mogelijkheid tot vrijwillige premiebetaling er niet toe kan leiden dat het bestreden besluit in zodanige strijd met het ongeschreven recht moet worden geacht, dat zij op die grond niet in stand kan worden gelaten. De rechtbank merkt hierbij op dat de aangehaalde uitspraak van de CRvB ziet op een geval waarin er eerst sprake was van een verplichte verzekering die vanwege het niet langer woonachtig zijn in Nederland beëindigd werd. In het geval van eiser is sprake van de omstandigheid dat eiser nog in het geheel niet verzekerd was (eiser komt naar Nederland) en vervolgens niet is geïnformeerd over de mogelijkheid van vrijwillige premiebetaling om de korting op zijn toekomstige AOW-uitkering vanwege niet-verzekerde jaren te compenseren. De rechtbank is van oordeel dat in dat laatste geval, een persoon die zich in Nederland vestigt, des te minder reden is een informatieplicht voor verweerder aan te nemen. Overigens ziet de rechtbank ook niet in op welke wijze het voor verweerder mogelijk zou zijn alle personen die zich in Nederland vestigen, waaronder eiser, rond dat moment te voorzien van de specifiek voor hun geval van belang zijnde informatie.

5. De rechtbank onderkent dat eiser een lager AOW-pensioen ontvangt doordat de jaren waarin hij in Suriname woonachtig was niet worden betrokken bij de vaststelling van de hoogte daarvan. De rechtbank constateert echter dat dit voor een ieder geldt die (pas) tussen zijn of haar 15e en 65ste verjaardag ingezetene van Nederland wordt. Het is niet aan de rechtbank dit mogelijk maatschappelijke probleem op te lossen, nu het rechtstreeks voortvloeit uit de systematiek van de AOW, namelijk het opbouwstelsel daarvan (zie bijvoorbeeld ook de uitspraak van de CRvB van 17 juli 2008 gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder LJ-Nummer BD8822).

6. De rechtbank merkt op ten aanzien van hetgeen ter zitting door eiser naar voren is gebracht betreffende de pensioenfondsen, dat de Svb hierin geen partij is, zodat hun handelwijze in de huidige procedure geen rol kan spelen. In hetgeen overigens ter zitting door eiser naar voren is gebracht, vindt de rechtbank eveneens geen aanknopingspunten die tot een ander oordeel kunnen leiden. Dit betekent dat de onder rechtsoverweging 1. geformuleerde vraag ontkennend moet worden beantwoord. Daarom is het beroep ongegrond te achten.”

2.1. In het geding in hoger beroep is namens appellant in essentie herhaald dat de Svb, in de periode waar het hier om gaat, ernstig is tekortgeschoten in haar (algemene) inlichtingenplicht. Nieuwkomers, zoals appellant, zijn daardoor geschaad in hun rechten op grond van de AOW, welke benadeling doorwerkt in (private) pensioenregelingen en andere oudedagsvoorzieningen.

2.2. In verweer heeft de Svb het bij het bestreden besluit, en de procedure in eerste aanleg, ingenomen standpunt gehandhaafd. De Svb heeft daaraan toegevoegd dat de door appellant gestelde schending door de Svb van haar informatieplicht, naar voren gebracht had moeten worden in een procedure aangaande een aanvraag van appellant om toepassing van de inkoopregeling in de AOW. Een dergelijke aanvraag is door appellant echter niet gedaan.

3.1. Het gaat in het onderhavige geding om de beantwoording van de vraag of de Svb met recht de uitkering van appellant ingevolge de AOW, en de toeslag op de AOW, heeft gekort met respectievelijk 42 en 32%.

3.2. De Raad kan zich in grote lijnen verenigen met het oordeel dienaangaande van de rechtbank en de daaraan ten gronde gelegde overwegingen, die de Raad tot de zijne maakt. Hetgeen namens appellant in de procedure in hoger beroep naar voren is gebracht heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen.

3.3. De Raad concludeert dat het hoger beroep vergeefs is ingesteld.

3.4. De Raad is van oordeel dat er geen grond bestaat om een van de partijen te veroordelen in de proceskosten als voorzien in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Deze uitspraak is gedaan door H.J. Simon als voorzitter, en H.J. de Mooij en F.A.M. Stroink als leden, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 14 april 2010.

(get.) H.J. Simon.

(get.) W. Altenaar.

TM