Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM2404

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-04-2010
Datum publicatie
27-04-2010
Zaaknummer
09-2122 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. De Raad heeft, uitgaande van de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid, geen grond om te oordelen dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies van productiemedewerker industrie (sbc-code 111180), textielproductenmaker (sbc-code 111160) en elektronica monteur (sbc-code 267040) voor appellant in medisch opzicht niet geschikt te achten zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2122 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 4 maart 2009, 08/4741 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 april 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.E. Stam, advocaat te Zaandam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Bij brief van 22 juli 2009 heeft het Uwv een rapportage van 19 juni 2009 van bezwaarverzekeringsarts A.M.M. Moons en een rapportage van 21 juli 2009 van bezwaararbeidsdeskundige F.M.A. Havermans ingediend.

Bij brief van 28 juli 2009 is namens appellant aanvullende informatie overgelegd. Bij brief van 30 juli 2009 heeft het Uwv hierop gereageerd.

Namens appellant is bij brief van 23 februari 2010 aanvullende informatie overgelegd. Hierop is namens het Uwv bij brief van 25 februari 2010 gereageerd door middel van een rapportage van eveneens 25 februari 2010 van bezwaarverzekeringsarts Moons.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Stam. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.M.C. Beijen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was werkzaam als fulltime pompbediende. Voor deze werkzaamheden is hij op 21 februari 2001 uitgevallen wegens spier- en gewrichtsklachten.

1.2. Na het doorlopen van de wettelijke wachttijd is aan appellant met ingang van 20 februari 2002 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.3. Verzekeringsarts A.J.D. Versteeg heeft naar aanleiding van een herbeoordeling in zijn rapport van 19 december 2007 aangegeven dat de oorzaak van de chronische pijnklachten gelegen lijkt te zijn in een subassertieve, ontwijkende persoonlijkheid met inadequate coping. In behandelingsopzicht zijn er geen opties meer. Hieraan gerelateerd kunnen beperkingen worden aanvaard in persoonlijk en sociaal functioneren en in de tweede plaats in dynamische handelingen of statische houdingen, waarbij duur en frequentie van belasting in enige mate beperkt kunnen worden geacht. Met tevens in achtneming van beperkingen ten aanzien van hoog handelingstempo en tijdsdruk is er, aldus de verzekeringsarts, geen indicatie voor een additionele beperking in werktijden. De belastbaarheid van appellant is door de verzekeringsarts weergegeven in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 19 december 2007. Vervolgens heeft arbeidsdeskundige P. van Wakeren in zijn rapport van 18 januari 2008 na functieduiding het verlies aan verdiencapaciteit berekend op 33,55%. Dienovereenkomstig heeft het Uwv bij besluit van 22 januari 2008 de WAO-uitkering van appellant met ingang van

19 maart 2008 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

2.1. In de bezwaarfase heeft bezwaarverzekeringsarts A. de Vries in haar rapport van 16 april 2008 het volgende gesteld:

"De FML bevat beperkingen in de psychische en somatische belastbaarheid. Ten opzichte van 2006 zijn beperkingen toegevoegd in de psychische belastbaarheid, te weten ten aanzien van algemene stressoren. Dit is terecht, gezien de psychosociale componenten en de spanningsklachten. In de somatische belastbaarheid zijn enkele beperkingen toegevoegd en zijn enkele beperkingen komen te vervallen. Voor het laten vervallen ontbreken argumenten en deze beperkingen zullen dan ook weer, op hoofdlijnen, worden toegevoegd. Hoewel geen aanwijzingen bestaan voor een ernstige longaandoening meldt de anamnese wel een overgevoeligheid voor prikkelende geuren zodat ook dit weer als beperking in de FML zal worden opgenomen. Nu hiermee de lichamelijke belastbaarheid beperkt is en daarnaast ook psychische stressoren worden vermeden is er geen medische indicatie voor het beperken van de duur van werkzaamheden. De op deze wijze opgestelde FML houdt zowel rekening met subjectieve klachten en spanningscomponenten enerzijds, maar ook met het ontbreken van objectieve somatische afwijkingen en ernstiger psychische ziektebeelden anderzijds."

De bezwaarverzekeringsarts heeft, rekening houdend met het bovenstaande, op 17 april 2008 een nieuwe FML opgesteld.

2.2. Met inachtneming van de FML van 17 april 2008 heeft bezwaararbeidsdeskundige F.M.A. Havermans de passendheid van de geduide functies opnieuw beoordeeld. In zijn rapport van 14 mei 2008 heeft Havermans geconcludeerd dat een aantal van de door de arbeidsdeskundige geduide functies komt te vervallen. Nadat hij functies heeft bijgeduid en de signaleringen heeft toegelicht, heeft hij vastgesteld dat het verlies aan verdiencapaciteit 36,89% bedroeg.

2.3. Het Uwv heeft bij het besluit van 15 mei 2008 (hierna: bestreden besluit) het bezwaar van appellant tegen het besluit van 22 januari 2008 gegrond verklaard en bepaald dat zijn WAO-uitkering met ingang van 19 maart 2008 wordt berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank - kort gezegd - overwogen dat het medisch onderzoek zorgvuldig en volledig is en op een voldoende medische grondslag berust. Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag heeft de rechtbank, mede gelet op het arbeidskundige rapport van 14 mei 2008, geen reden gezien om aan te nemen dat de belastbaarheid van appellant in de geduide functies wordt overschreden. De rechtbank is van oordeel dat een voldoende inzichtelijke, toetsbare en verifieerbare toelichting op de geschiktheid van de geduide functies is gegeven.

4. In hoger beroep is namens appellant - kort samengevat - aangevoerd dat hij in het onderhavige geval opnieuw beoordeeld had moeten worden op grond van de oude regelgeving. Appellant acht zichzelf op grond van zijn klachten niet in staat om enige arbeid te verrichten. De bezwaarverzekeringsarts heeft zijn fysieke en psychische klachten onderschat en heeft derhalve onvoldoende beperkingen aangenomen in de FML. Volgens appellant is, zoals bij een beoordeling in 2006, een urenreductie van 20 uur per week aangewezen vanuit preventief en energetisch oogpunt. Tevens verzoekt appellant om een expertise te laten plaatsvinden waarbij gebruik wordt gemaakt van een werksimulator. Ten overvloede heeft appellant opgemerkt dat het feit dat er nog geen aantoonbare oorzaak is gevonden voor de klachten geen reden kan zijn om een dergelijk onderzoek niet te laten plaatsvinden. Tot slot heeft appellant de geduide functies gemotiveerd bestreden.

5.1. De Raad overweegt als volgt.

5.2. Nadat ter zitting door de vertegenwoordiger van het Uwv is verklaard dat appellant is herbeoordeeld op grond van het oude Schattingsbesluit, heeft appellant de desbetreffende grond ingetrokken zodat deze geen bespreking meer behoeft.

5.3.1. De Raad heeft in de (resterende) gronden van het hoger beroep geen aanleiding gezien over de medische grondslag van het bestreden besluit een ander oordeel te geven dan de rechtbank. Ook de Raad ziet geen gronden om te twijfelen aan de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid. De Raad is van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts met juistheid heeft gesteld dat appellant bekend is met pijnklachten zonder objectieve somatische oorzaak, bij psychosociale factoren. De verzekeringsarts vond bij onderzoek geen afwijkingen aan en bewegingsbeperkingen van de bovenste extremiteiten en ook de gegevens van de huisarts geven geen nieuwe gezichtspunten volgens de bezwaarverzekeringsarts. Naast een neiging tot somatiseren beschreef de verzekeringsarts geen tekenen van psychische ziekte, wat volgens de bezwaarverzekeringsarts overeenkomt met de observaties tijdens de hoorzitting. Desondanks heeft de bezwaarverzekeringsarts de FML aangepast waarbij rekening is gehouden met subjectieve klachten en spanningscomponenten. De bezwaarverzekeringsarts heeft voorts aangegeven dat in de aangepaste FML de lichamelijke belastbaarheid beperkt is en dat daarnaast ook psychische stressoren worden vermeden, zodat er geen medische indicatie bestaat voor het beperken van de duur van de werkzaamheden. De Raad is van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts hiermee voldoende heeft gemotiveerd dat er geen grond is voor een aanvullende urenbeperking. Voorts overweegt de Raad dat appellant in hoger beroep geen nadere medische informatie heeft overgelegd die een ander licht werpt op zijn medische situatie op de datum in geding. In het voorgaande ligt besloten dat de Raad geen aanleiding ziet voor benoeming van een deskundige voor het instellen van een onderzoek.

5.3.2. Wat betreft het verzoek van appellant om zijn beperkingen vast te stellen met behulp van een werksimulator overweegt de Raad als volgt. Naar vaste jurisprudentie van de Raad (zie onder meer de uitspraak van 22 februari 2005, LJN AT0932) is de Raad van oordeel dat slechts beperkte waarde kan worden toegekend aan de uitkomsten van arbeidsexploratie-onderzoeken naar duurbelastbaarheid, zoals onderzoek aan de hand van de Ergos Work Simulator. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat de daarbij gebruikte onderzoeksmethode meebrengt dat de onderzochte persoon, al dan niet bewust, in enige mate invloed zal kunnen uitoefenen op het onderzoek en aldus niet voorkomen zal kunnen worden dat de resultaten ervan mede afhankelijk zijn van diens medewerking aan het onderzoek. Verder geldt, en ook dit heeft de Raad al verschillende malen overwogen, dat zich op grond van dergelijke onderzoeken - waaraan geen arts te pas komt - niet laat vaststellen of eventueel gevonden beperkingen in de duurbelastbaarheid of anderszins zijn terug te voeren op ziekte of gebreken. Hierin ligt al besloten dat er geen aanleiding bestaat om appellant nader te doen onderzoeken met behulp van een werksimulator.

5.4. Tevens is de Raad met de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit op een voldoende arbeidskundige grondslag berust. De Raad heeft, uitgaande van de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid, geen grond om te oordelen dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies van productiemedewerker industrie (sbc-code 111180), textielproductenmaker (sbc-code 111160) en elektronica monteur (sbc-code 267040) voor appellant in medisch opzicht niet geschikt te achten zijn. In dit verband merkt de Raad op dat in de rapportage van bezwaararbeidsdeskundige F.M.A. Havermans van 14 mei 2008, gelezen in samenhang met de rapportages van arbeidsdeskundige P. van Wakeren van

18 januari 2008 en van bezwaararbeidsdeskundige Havermans van 21 juli 2009, de mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid in de geduide functies zijn voorzien van een voldoende inzichtelijke en toetsbare motivering. Hetgeen appellant heeft aangevoerd heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht.

5.5. Uit de overwegingen 5.2 tot en met 5.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 april 2010.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) D.E.P.M. Bary.

TM