Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM2379

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-04-2010
Datum publicatie
27-04-2010
Zaaknummer
08-7351 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/7351 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 20 november 2008, 08/751 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 april 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. D. van der Wal, advocaat te Buitenpost, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellante zijn nadere stukken ingezonden, waarop het Uwv heeft gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 maart 2010, waar appellante en haar gemachtigde met bericht van afwezigheid niet zijn verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door P.J. Langius.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante, die laatstelijk werkzaam was als telefoniste telemarketing, is op 10 december 2004 uitgevallen met whiplashklachten na een auto-ongeval.

2.1. Het beroep van appellante richtte zich tegen het besluit van 28 februari 2008 (hierna: bestreden besluit) waarbij het Uwv heeft gehandhaafd zijn besluit van 19 november 2007, strekkende tot de vaststelling dat appellante geen recht heeft op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen per 8 september 2007 omdat zij geschikt geacht wordt voor haar eigen werk.

2.2. De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard.

De rechtbank kan zich blijkens de overwegingen van de aangevallen uitspraak verenigen met de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit.

3. Namens appellante zijn de eerdere beroepsgronden herhaald. Appellante blijft - kort samengevat - van mening dat haar beperkingen zijn onderschat en dat zij volledig arbeidsongeschikt moet worden geacht. Appellante heeft gesteld dat onvoldoende rekening is gehouden met haar wegrakingen, de migraine en fibromyalgie. Ter ondersteuning hiervan is gewezen op EEG-onderzoeken en is informatie van haar huisarts overgelegd.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De Raad ziet in hetgeen appellante naar voren heeft gebracht geen aanleiding het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit voor onjuist te houden. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek vanwege het Uwv zorgvuldig is geweest en ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid en volledigheid van de bij appellante vastgestelde beperkingen. De Raad neemt hierbij in aanmerking dat de bezwaarverzekeringsarts T. Miedema informatie van de huisarts en de behandelaars van appellante adequaat heeft meegewogen. Ook in hoger beroep is door deze bezwaarverzekeringsarts genoegzaam uiteengezet waarom er geen aanleiding is om de belastbaarheid van appellante aan te passen. De Raad overweegt dat de gegevens uit het medisch journaal van 20 januari 2008 aan de bezwaarverzekeringsarts bekend waren, zodat hij daarmee bij de medische oordeelsvorming rekening heeft kunnen houden.

4.2. De Raad ziet, uitgaande van de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid, evenmin grond voor het oordeel dat appellante niet voor haar eigen werk geschikt zou zijn.

5. Het vorenstaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 april 2010.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) M.A. van Amerongen.

IvR