Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM2374

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-04-2010
Datum publicatie
27-04-2010
Zaaknummer
08-6136 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigerin Wajong- toe te kennen. Minder dan 25% arbeidsongeschikt. Voldoende medische grondslag. De Raad heeft geen aanleiding over de medische grondslag van het bestreden besluit een ander oordeel te geven dan de rechtbank. Geen aanknopingspunten voor het oordeel dat vanwege het Uwv de belastbaarheid van appellant op de datum in geding is overschat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/6136 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 9 september 2008, 07/3289 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 april 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. I.H.M. Hest, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van appellant heeft een op haar verzoek uitgebrachte expertise door de psychiater mr. drs. J. Groenendijk van 14 mei 2009 overgelegd. Het Uwv heeft hierop gereageerd door overlegging van het rapport van de bezwaarverzekeringsarts G.C.N. Debie van 29 juni 2009, waarna de gemachtigde van appellant een emailbericht van appellant van 16 juli 2009 met zijn reactie instuurde. Op dit emailbericht reageerde Debie in een rapport van 24 september 2009.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2009.

Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. C.L. Schuren.

II. OVERWEGINGEN

1. Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de bepalingen van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong), zoals die luidden tot 1 januari 2010, en in verband met het bij de inwerkingtreding van de Wajong op 1 januari 1998 gegeven overgangsrecht wat betreft de inhoudelijke beoordeling aan de hand van de voor laatstgenoemde datum geldende Algemene Arbeidsongeschiktheidswet.

2.1. Appellant, geboren [in] 1964, heeft een op 23 november 2005 gedateerde aanvraag ingediend om een Wajong-uitkering vanwege al voor zijn 17e verjaardag bestaande arbeidsongeschiktheid.

2.2. Appellant is op 31 januari 2006 onderzocht door de verzekeringsarts dr. J.A.G. Wijnen. In een rapport van dezelfde datum vermeldde Wijnen als claimklachten vanaf zijn jeugd stressintolerantie, moeheid, gebrek aan energie en sociale angst, alsmede vanaf ongeveer 1998 (het jaar waarin zijn moeder overleed) bijkomende concentratieproblemen. Wijnen ontving onder andere informatie van de huisarts, te weten het journaal over de periode van januari 1996 tot 24 juni 1999 (gedeeltelijk) en van 24 juni 1999 tot en met 17 februari 2006 (volledig), en de sociaal psychiatrisch verpleegkundige van 10 juni 2002, die schreef over een behandeling sinds 9 augustus 1998 en klachten sedert de adolescentie van dysthymie, sociale krenkbaarheid en vermijding, welke zijn verscherpt door gecompliceerde rouwverwerking door het overlijden van zijn moeder en een kwaadaardige oogtumor in januari 1996. Op basis van zijn onderzoek, waarbij hij geen afwijkingen ten aanzien van onder andere concentratie waarnam, de medisch historische informatie en het onderzoek naar het arbeidsverleden van appellant achtte Wijnen het aannemelijk dat appellant, toen hij 18 jaar werd, beperkingen kende, die in verband met de stemmingsproblematiek van appellant vooral lagen op het vlak van persoonlijk en sociaal functioneren. Hij beschreef deze beperkingen, achtte geen urenbeperking aangewezen en legde de beperkingen vast in een Functionele Mogelijkheden Lijst. Bij het arbeidskundig onderzoek werd vervolgens na functieduiding vastgesteld dat er geen sprake was van verlies aan verdiencapaciteit. Hierna weigerde het Uwv bij besluit van 28 augustus 2006 de gevraagde Wajong-uitkering omdat appellant op en na 15 februari 1981 minder dan 25% arbeidsongeschikt was.

3. In de bezwaarprocedure woog de in rubriek I vermelde bezwaarverzekeringsarts Debie de beschikbare medische gegevens, waaronder een verklaring van de GGZ Eindhoven van 29 januari 1980, inhoudende dat appellant op lichamelijke en psychische gronden niet geschikt was te achten voor toelating tot een school of onderwijsinstituut. Debie concludeerde na weging van de beschikbare medische gegevens dat er geen aanleiding was de FML aan te scherpen.

4.1.1. Hangende de beroepsprocedure tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar van appellant, verklaarde het Uwv bij besluit van 21 december 2007 (hierna: het bestreden besluit) het bezwaar van appellant tegen het besluit van 28 augustus 2006 ongegrond.

4.1.2. De rechtbank verklaarde bij de aangevallen uitspraak het in 4.1.1 bedoelde beroep niet-ontvankelijk, veroordeelde het Uwv in de proceskosten van appellant en verklaarde het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond.

4.2. De rechtbank vermeldde dat uit het dossier blijkt dat appellant, na te zijn ontheven van de leerplicht, vanaf zijn 16e jaar gedurende vijf jaren, derhalve geruime tijd voor, op en na de datum bij het bestreden besluit in geding, in een groentewinkel werkzaam is geweest. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat appellant zijn stelling dat hij niet in staat was tot het verrichten van arbeid niet heeft kunnen onderbouwen met medische gegevens omtrent de datum in geding, ziet de rechtbank geen aanleiding het bestreden besluit voor onjuist te houden.

5.1. In hoger beroep heeft appellant zijn in eerdere fasen van de procedure voorgebrachte gronden en argumenten in essentie herhaald. Het komt er in feite op neer dat appellant van mening is dat zijn beperkingen zijn ondergewaardeerd, waarbij hij heeft gewezen op de noodzaak van een urenbeperking. Ter onderbouwing daarvan voerde appellant aan dat hij in de groentewinkel niet voltijds werkzaam was.

5.2. Ter onderbouwing van het hoger beroep is voorts de in rubriek I vermelde expertise van psychiater Groenendijk ingestuurd. Deze concludeerde dat bij appellant op 15 februari 1981 en op de datum van haar expertise sprake was van een sociale fobie, een dysthyme stoornis en een persoonlijkheidsstoornis NAO met ontwijkende en obsessieve-compulsieve kenmerken. Groenendijk kon zich deels vinden in de FML, maar oordeelde dat concentratie ook beperkt was. Zij kon dit weliswaar niet objectiveren bij haar onderzoek, maar volgens haar waren er zeker subjectieve klachten. Voorts waren er naar haar mening beperkingen in rubriek 2.11 “Overige beperkingen in het sociaal functioneren”, waarvan zij als voorbeeld noemde het functioneren in en aanpassing aan groepen en het werken buiten reguliere werktijden.

5.3. Volgens Debie, in de in rubriek I vermelde reactie op de expertise van Groenendijk, stemmen de meeste door haar beschreven beperkingen overeen met de in de FML aangegeven beperkingen. Cognitieve klachten konden, zoals Groenendijk zelf aangaf, niet geobjectiveerd worden. Voorts was er geen aanleiding voor een beperking buiten de reguliere werktijden, gelet op het feit dat appellant als muzikant heeft gefunctioneerd, aldus Debie. Tenslotte wees Debie nogmaals op de werkzaamheden van appellant rond zijn 18e jaar.

6.1. De Raad stelt voorop dat de gemachtigde van appellant desgevraagd ter zitting heeft verklaard het hoger beroep te beperken tot alleen de medische grieven. Gelet hierop zal de Raad zich bij zijn beoordeling van de aangevallen uitspraak beperken tot dit punt van geschil.

6.2. De Raad heeft geen aanleiding over de medische grondslag van het bestreden besluit een ander oordeel te geven dan de rechtbank. Hij overweegt daartoe dat de medische informatie, welke beschikbaar is gekomen in de primaire fase van de besluitvorming en in de bezwaarprocedure en welke in grote lijnen aansluit op de bevindingen van Wijnen en Debie, geen aanknopingspunten biedt voor het oordeel dat vanwege het Uwv de belastbaarheid van appellant op de datum in geding is overschat. Die aanknopingspunten zijn met name niet te ontlenen aan de in overweging 3 vermelde verklaring uit 1980, nu deze geen informatie bevat over de daaraan ten grondslag gelegde medische feiten en weging. Wat betreft het in hoger beroep overgelegde rapport van de psychiater Groenendijk overweegt de Raad dat deze zelf aangaf dat de in haar rapport vermelde cognitieve klachten niet konden worden geobjectiveerd. Ook overigens ontbeert dit rapport naar het oordeel van de Raad een medisch objectieve basis voor het stellen van verdergaande beperkingen dan in de FML. Bij gebreke van overige gegevens over de door appellant vanaf zijn 16e levensjaar verrichte werkzaamheden, levert ten slotte de omvang van die ook door de rechtbank vermelde werkzaamheden naar het oordeel van de Raad op zichzelf geen aanknopingspunten op voor de conclusie dat voor appellant op de datum bij het bestreden besluit in geding een urenbeperking aangewezen was.

6.3. Uit overweging 6.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

7. Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 april 2010.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) D.E.P.M. Bary.

TM