Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM2372

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-04-2010
Datum publicatie
26-04-2010
Zaaknummer
08-5822 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ingangsdatum toekenning Wajong-uitkering. Geen bijzonder geval. De omstandigheden in aanmerking genomen, is de Raad van oordeel dat in de maanden mei/juni 2005, mede gelet op de gebeurtenissen in het verleden, er voldoende indicaties waren op grond waarvan van de directe familie, de moeder en de zus van appellant, gevergd had mogen worden dat zij voor appellant een Wajong-uitkering had aangevraagd bij het Uwv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/5822 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 27 augustus 2008, 07/4198 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 april 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.F.J. Witlox, advocaat te ’s-Hertogenbosch, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 maart 2010, waar appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Witlox. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door V.A.R. Kali.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.

1.2. Op 26 oktober 2006 heeft appellant, geboren op 13 juli 1982, een aanvraag gedaan als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (hierna: Wajong). Na een verzekeringsgeneeskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 20 februari 2007 appellant met ingang van 26 oktober 2005 een arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge die wet toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Verder is appellant bij een besluit van 19 februari 2007 een waarschuwing gegeven op de grond dat hij niet tijdig een aanvraag om een uitkering heeft ingediend.

1.3. Appellant heeft zowel tegen de ingangsdatum van zijn uitkering als tegen de waarschuwing bezwaar gemaakt. Appellant is van mening dat sprake is van een bijzonder geval op grond waarvan het Uwv gebruik had behoren te maken van zijn bevoegdheid om af te wijken van de in artikel 29, eerste en tweede lid, van de Wajong neergelegde hoofdregel dat een uitkering niet eerder wordt verleend dan met ingang van een jaar voor de datum van aanvraag. Hij heeft aangevoerd dat de late aanvraag een gevolg is van het feit dat de arbeidsongeschiktheid veroorzaakt wordt door psychische klachten waarvan het bestaan en de ernst pas later tot appellant is doorgedrongen. Nu hem hiervan geen verwijt gemaakt kan worden, is er sprake van als een bijzondere omstandigheid op grond waarvan hem een arbeidsongeschiktheidsuitkering verleend had moeten worden met ingang van de dag waarop hij 18 jaar is geworden.

1.4. Het tegen de besluiten van 19 en 20 februari 2007 gemaakte bezwaar van appellant is bij besluit op bezwaar van 7 november 2007 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep zijn namens appellant de in bezwaar en in eerste aanleg naar voren gebrachte stellingen gehandhaafd.

4.1. De Raad overweegt als volgt

4.2. Artikel 29, eerste lid, van de Wajong bepaalt dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering ingaat op de dag, met ingang waarvan de jonggehandicapte aan de vereisten voor het recht op toekenning van die uitkering voldoet. Het tweede lid van dit artikel schrijft, in afwijking van het eerste lid, voor dat de uitkering niet vroeger kan ingaan dan een jaar voor de dag, waarop de aanvraag om toekenning van de uitkering werd ingediend. Het Uwv kan voor bijzondere gevallen hiervan afwijken.

In geschil is of sprake is van een bijzonder geval.

4.3. Met de rechtbank is ook de Raad van oordeel dat geen sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in vorengenoemde bepaling, op grond waarvan het Uwv bevoegd zou zijn de Wajong-uitkering van appellant met een verdere terugwerkende kracht dan een jaar toe te kennen. Aan dit besluit ligt een rapport van bezwaarverzekeringsarts G.C.N. Debie van 26 juli 2007 ten grondslag waarin hij onderkent dat appellant, bij wie in 2006 de diagnose schizofrenie is gesteld, gelet op zijn gebrek aan ziektebesef en -inzicht noch ten tijde van zijn minderjarigheid noch ten tijde van zijn meerderjarigheid, in staat was zelf een aanvraag tot een uitkering ingevolge de Wajong in te dienen. Voor wat betreft de periode voorafgaande aan zijn meerderjarigheid bestond dit gebrek aan ziekte-inzicht, volgens de bezwaarverzekeringsarts, ook bij zijn directe familie mede gelet op het geleidelijk verergerend en manifest wordend ziektebeeld van schizofrenie. Voor wat betreft de periode na zijn meerderjarigheid, concludeert de bezwaarverzekeringsarts dat, gezien ook de gebeurtenissen in het verleden van appellant, er in de maanden mei/juni 2005 van de directe familie verwacht had mogen worden dat zij voor appellant een aanvraag om een Wajong-uitkering bij het Uwv hadden ingediend.

4.4. De Raad onderschrijft dit standpunt en overweegt het volgende. Uit de gedingstukken maar ook naar ter zitting is gebleken, had appellant reeds in zijn vroege jeugd problemen met het functioneren op de (basis)school maar ook met onderlinge sociale contacten, waaronder met leeftijdsgenoten waarvoor meerdere gesprekken met maatschappelijk werk hebben plaatsgevonden in aanwezigheid van appellants vader. In de puberteit is appellant toenemend vreemd gedrag gaan vertonen. Voorts kan niet voorbij worden gezien aan de diverse, steeds kortstondige dienstverbanden die appellant heeft gehad in de periode tot aan mei 2004, aan de wijze waarop appellant op het overlijden van zijn vader in 2003 heeft gereageerd richting zijn directe familie en aan het feit dat hij in 2004 zich zelf niet meer verzorgde en ging rondzwerven. Deze gebeurtenissen hebben uiteindelijk er toe geleid dat de moeder van appellant, ten einde raad, hem in mei/juni 2005 heeft meegenomen naar Marokko teneinde hem daar te laten onderzoeken en behandelen door een psychiater. Op aanraden van de psychiater in Marokko heeft de zus van appellant vervolgens gezorgd voor een psychiatrische opname bij terugkomst in Nederland per 1 maart 2006 en voor een bijstandsaanvraag in samenwerking met de psychiatrisch verpleegkundige. Al deze omstandigheden in aanmerking genomen, is de Raad van oordeel dat in de maanden mei/juni 2005, mede gelet op de gebeurtenissen in het verleden, er voldoende indicaties waren op grond waarvan van de directe familie, de moeder en de zus van appellant, gevergd had mogen worden dat zij voor appellant een Wajong-uitkering had aangevraagd bij het Uwv.

4.5. Uit hetgeen onder 4.2 t/m 4.4 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 april 2010.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) M.A. van Amerongen.

EF