Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM2370

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-04-2010
Datum publicatie
27-04-2010
Zaaknummer
09-2260 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Juiste ingangsdatum verhoging WAO-uitkering. De Raad acht de overwegingen in de aangevallen uitspraak omtrent het wettelijke kader en de gestelde willekeur in effect juist. Het oordeel van de rechtbank over de grief dat sprake zou zijn geweest van schending van het vertrouwensbeginsel kan de Raad eveneens volledig onderschrijven. Aangezien het beroep op jurisprudentie van het EHRM ook in hoger beroep niet nader is geconcretiseerd, ziet de Raad hierin evenmin aanleiding om tot een ander oordeel te komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2260 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 13 maart 2009, 08/710 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 april 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. N.A.M.H. Fiori, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand te Roermond, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2010. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.M.C. Höppener.

II. OVERWEGINGEN

1. Aan appellant, geboren [in] 1958, is met ingang van 13 maart 1996 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Per

28 juli 2005 is de uitkering op basis van het aangepaste Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Stb. 2004, 434), hierna: aSb, zoals dit geldt vanaf 1 oktober 2004, herzien naar de klasse 45 tot 55%. Bij brief van 28 november 2007 is appellant geïnformeerd over een hersteloperatie waartoe in het regeerakkoord van het Kabinet Balkenende IV op

22 februari 2007 was besloten. In dat kader heeft een herbeoordeling plaatsgevonden op basis van het oude Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Stb. 2000, 307), hierna: oSb, zoals dat gold tot 1 oktober 2004. Bij besluit van 30 november 2007 is appellant meegedeeld dat de mate van arbeidsongeschiktheid per 22 februari 2007 ongewijzigd is vastgesteld op 45 tot 55%.

2. In bezwaar heeft bezwaararbeidsdeskundige F.C. Schrijer na een aanscherping van de belastbaarheid door bezwaarverzekeringsarts K. Corten vastgesteld dat onvoldoende functies resteren om de schatting op te baseren. Bij besluit van 28 april 2008 is het bezwaar gegrond verklaard en is appellant met ingang van 22 februari 2007 in aanmerking gebracht voor een WAO-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

3. In beroep is de ingangsdatum van de verhoging van de uitkering aangevochten. Gesteld is dat daaraan verdergaande terugwerkende kracht zou moeten worden verleend tot en met 28 juli 2005. Door de verhoging van de WAO-uitkering slechts terug te laten werken tot en met 22 februari 2007 zou willekeur in effect en dientengevolge strijd met jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) zijn ontstaan. In dat verband is namens appellant gewezen op het regeerakkoord van 7 februari 2007, waarin het vertrouwen zou zijn gewekt dat de leeftijdsgroep van appellant niet zou worden herbeoordeeld op basis van de regels van het aSb. Voorts is gewezen op een brief van Minister Donner van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 5 april 1997, waaruit blijkt dat 72.000 uitkeringsgerechtigden in dezelfde leeftijdsgroep als appellant (nog) niet op basis van het aSb waren herbeoordeeld. Een groep van 44.000 personen was wel op basis van het aSb beoordeeld, waarvan 15.000 uitkeringsgerechtigden geconfronteerd werden met een verlaging of intrekking van de uitkering. Deze laatste groep, waartoe ook appellant behoort, is door deze handelwijze benadeeld. Verder zou ook binnen de groep van 15.000 personen sprake zijn van willekeur doordat sommigen, zoals appellant, reeds kort na inwerkingtreding van het aSb met een verlaging of intrekking van de uitkering geconfronteerd werden, terwijl dit bij anderen pas kort voor

22 februari 2007 het geval was.

4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat het Uwv op een juiste wijze toepassing heeft gegeven aan de wettelijke bepalingen door de verhoging van de WAO-uitkering in te laten gaan per 22 februari 2007. Ten aanzien van het gestelde willekeur in effect is overwogen dat het feit dat voor het herbeoordelen van een bepaalde groep uitkeringsgerechtigden een periode is uitgetrokken niet betekent dat daarmee sprake is van een ongeoorloofde ongelijke behandeling dan wel willekeur. Voorts overweegt de rechtbank dat appellant de stelling dat strijd bestaat met jurisprudentie van het EHRM niet nader heeft onderbouwd. Het beroep op het vertrouwensbeginsel dat appellant meent te kunnen ontlenen aan het regeerakkoord kan naar het oordeel van de rechtbank evenmin slagen. Afgezien van de vraag of aan een regeerakkoord rechten kunnen worden ontleend, zoals appellant kennelijk voorstaat, overweegt de rechtbank dat de tekst van het regeerakkoord ter zake in algemene bewoordingen is opgesteld, die in de brief van 5 april 2007 nader is uitgewerkt. Daarin is uitdrukkelijk aangegeven dat de herbeoordeling van de groep 45 tot 50-jarigen niet verder terug kan werken dan tot en met 22 februari 2007.

5. In hoger beroep zijn de eerdere gronden herhaald.

6.1. De Raad ziet zich gesteld voor de vraag of de door het Uwv gehanteerde ingangsdatum van de verhoging van de WAO-uitkering per 22 februari 2007 juist is. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

6.2. Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 22 april 2009, LJN BH0312 acht de Raad de overwegingen in de aangevallen uitspraak omtrent het wettelijke kader en de gestelde willekeur in effect juist. Het oordeel van de rechtbank over de grief dat sprake zou zijn geweest van schending van het vertrouwensbeginsel kan de Raad eveneens volledig onderschrijven. Aangezien het beroep op jurisprudentie van het EHRM ook in hoger beroep niet nader is geconcretiseerd, ziet de Raad hierin evenmin aanleiding om tot een ander oordeel te komen.

6.3. Hetgeen onder punt 6.2 is overwogen leidt dan ook tot de slotsom dat het hoger beroep niet kan slagen zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

7. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en R.C. Stam en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 april 2010.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) M.A. van Amerongen.

EK