Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM2362

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-04-2010
Datum publicatie
26-04-2010
Zaaknummer
09-1820 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/1820 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 16 februari 2009, 08/3816 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 april 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.F.M. Raaijmakers, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld.

Bij brieven van 1 en 12 mei 2009 zijn de beroepsgronden ingediend. Bijgevoegd is een op 18 maart 2009 door Aob Compaz uitgebracht “Rapport Arbeidsgeschiktheidonderzoek”.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Bij brieven van 9 oktober 2009 en 30 november 2009 heeft het Uwv een rapport van bezwaarverzekeringsarts dr. P. Eken van 8 oktober 2009 en een rapport van bezwaararbeidsdeskundige

G.J.W. van der Hulst van 27 november 2009 ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2010. Appellant is - met voorafgaand bericht - niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A. Sowka.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 23 maart 2005 heeft het Uwv de uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) van appellant, die was gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%, met ingang van

22 mei 2005 ingetrokken. Het besluit berust op het aangepaste Schattingsbesluit zoals dat per 1 oktober 2004 geldt. Het Uwv heeft het door appellant tegen het besluit van 23 maart 2005 gemaakte bezwaar bij besluit van 25 augustus 2005 gegrond verklaard, in die zin dat de WAO-uitkering van appellant wordt ingetrokken met ingang van 10 oktober 2005.

1.2. De rechtbank Haarlem heeft bij uitspraak van 18 december 2007, 05/5116, het tegen het besluit van 25 augustus 2005 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. Daarbij heeft de rechtbank geoordeeld dat zij het medisch onderzoek niet onzorgvuldig of onvolledig achtte en dat zij het uiteindelijke medische oordeel, zoals verwoord in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van

19 februari 2007, niet voor onjuist hield. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het besluit van

25 augustus 2005 heeft de rechtbank geoordeeld dat deze eerst in beroep van een juiste motivering is voorzien.

1.3. Bij uitspraak van 26 juni 2009, 08/507, LJN BJ1343, heeft de Raad de hiervoor in 1.2 genoemde uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevochten (namelijk voor zover de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand zijn gelaten), bevestigd.

2.1. Omdat appellant op 1 juli 2004 ouder dan 45 jaar was, diende er een herbeoordeling plaats te vinden met toepassing van het Schattingsbesluit, zoals dat tot 1 oktober 2004 gold (verder: oSB). Deze beoordeling heeft geleid tot het besluit van 20 november 2007, waarbij het Uwv heeft vastgesteld dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van 22 februari 2007 onveranderd minder dan 15% is.

Bij besluit van 8 april 2008 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 20 november 2007 ongegrond verklaard.

2.2. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 8 april 2008 (hierna: bestreden besluit) bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank overwogen dat de bezwaarverzekeringsarts appellant op 10 februari (lees: januari) 2007 heeft onderzocht en geconcludeerd dat de FML zoals door de verzekeringsarts was opgesteld, ook ten tijde van zijn onderzoek nog geldig was. De rechtbank heeft verder overwogen dat de bezwaarverzekeringsarts Eken in haar rapport van 29 mei 2008 erop heeft gewezen dat van een wijziging in de gezondheidssituatie van appellant na 10 oktober 2005 niet is gebleken, waarna zij de beroepsgrond van appellant dat de medische beperkingen niet juist zijn vastgesteld heeft verworpen.

Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank vastgesteld dat de schatting per 22 februari 2007, evenals die per 10 oktober 2005, is gebaseerd op de functies van inpakker (sbc-code 111190), productiemedewerker (sbc-code 111171) en montagemedewerker (sbc-code 271130). De rechtbank heeft, onder meer gelet op het rapport van bezwaararbeidsdeskundige Van der Hulst van 10 juli 2008, geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat deze functies niet geschikt zijn te achten voor appellant.

3.1. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de FML op een aantal aspecten niet deugt. Ten onrechte wordt hij, vergeleken met een FML van 10 februari 2005, niet meer beperkt geacht ten aanzien van het maken van hoofdbewegingen en het boven schouder actief zijn. Steun voor zijn standpunt meent appellant te vinden in het in rubriek I van deze uitspraak vermelde rapport van Aob Compaz.

Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit meent appellant minst genomen in dat rapport te lezen dat een functie met een niveau hoger dan 1 niet haalbaar is. Hij is “functioneel analfabeet” en de functie van montagemedewerker (sbc-code 271130) is voor hem te hoog gegrepen.

3.2. Het Uwv heeft er in het verweerschrift en - in het in rubriek I van deze uitspraak vermelde rapport van bezwaarverzekeringsarts Eken - op gewezen dat de Raad zich in zijn in 1.3 genoemde uitspraak heeft kunnen verenigen met de medische grondslag van het besluit van 25 augustus 2005, die was gebaseerd op de FML van 19 februari 2007, en dat de thans relevante FML van 23 oktober 2007 inhoudelijk gelijk is aan die van 19 februari 2007. Bovendien is er geen informatie dat de medische situatie van appellant tussen de eerder beoordeelde datum in 2005 en de datum thans in geding, 22 februari 2007, is verslechterd. Eken heeft er ook op gewezen dat het rapport van Aob Compaz ruim twee jaar na laatstgenoemde datum is opgesteld en dat de daarin opgenomen beperkingen niet steunen op medisch objectiveerbare aandoeningen.

Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit handhaaft het Uwv zijn standpunt dat de betreffende functies passend zijn te achten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat de bezwaarverzekeringsartsen van het Uwv de medische situatie van appellant op 22 februari 2007 niet juist hebben beoordeeld. De Raad verwijst in dit verband naar zijn tussen partijen gewezen uitspraak van 26 juni 2009, waarbij hij - onder verwijzing naar de rapporten van de bezwaarverzekeringsarts R.M. Hulst van 19 februari 2007 en 26 april 2007 - heeft geoordeeld dat de FML van 19 februari 2007 geen onjuiste neerslag vormt van de medische situatie van appellant. Gelet op deze uitspraak en de inhoud van de rapporten van de bezwaarverzekeringsarts Eken van 29 mei 2008 en 8 oktober 2009, waarin zij gemotiveerd is ingegaan op het rapport van Aob Compaz, heeft de Raad geen aanleiding gezien over de medische grondslag van het bestreden besluit anders te oordelen dan de rechtbank in de aangevallen uitspraak.

4.2. Ook met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit deelt de Raad het oordeel van de rechtbank. Onder verwijzing naar zijn eerder genoemde uitspraak van 26 juni 2009, waarin de Raad heeft geoordeeld over dezelfde functies als die aan het thans bestreden besluit ten grondslag zijn gelegd, en de rapporten van 10 juli 2008 en

27 november 2009 van bezwaarbeidsdeskundige Van der Hulst is hij van oordeel dat deze eenvoudige functies berekend zijn voor de bekwaamheden van appellant.

5. Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Ten slotte acht de Raad geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. Beslist wordt daarom als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J.P.M. Zeijen en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 april 2010.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) T.J. van der Torn.

IvR