Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM2355

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-04-2010
Datum publicatie
27-04-2010
Zaaknummer
08-5678 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het Uwv op goede gronden tot de conclusie is gekomen dat appellant na het voltooien van de wachttijd voor zijn eigen werk niet ongeschikt te achten was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/5678 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 18 augustus 2008, 07/1948 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 april 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H.W. Bemelmans, advocaat te Nijmegen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 maart 2010. Appellant is na schriftelijke kennisgeving niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T. van der Weert.

II. OVERWEGINGEN

1.1. De Raad verwijst voor een uitgebreide weergave van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden naar hetgeen de rechtbank daaromtrent, gelet op de gedingstukken met juistheid, heeft weergegeven.

1.2. Appellant ontvangt wegens zijn arbeidsongeschiktheid als gevolg van de ziekte Multiple Sclerose (MS) met ingang van 30 april 2002 een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Appellant heeft verzocht hem in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), nu hij al vanaf 3 september 1998, toen hij in loondienst werkte bij een verzekeringsmaatschappij, medische beperkingen ondervond als gevolg van de bij hem gediagnosticeerde ziekte MS.

1.3. Het Uwv heeft bij het op bezwaar genomen besluit van 6 november 2007 (hierna: het bestreden besluit) de bij besluit van 12 december 2006 gedane afwijzing gehandhaafd om appellant, na ommekomst van de wettelijke wachttijd van destijds 52 weken, met ingang van 2 september 1999 in aanmerking te brengen voor een WAO-uitkering. Aan het bestreden besluit is ten grondslag gelegd dat appellant bij het einde van deze wachttijd geschikt is te achten voor zijn maatgevende arbeid van senior sales representative bij de verzekeringsmaatschappij waarbij hij in dienst was.

2.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak voorop gesteld dat een retrospectieve vaststelling van de voor appellant per 2 september 1999 geldende beperkingen als gevolg van een zich ontwikkelende ziekte als MS onvermijdelijk een enigszins arbitrair karakter zal dragen. Het vorenstaande in aanmerking nemende, heeft de rechtbank geoordeeld dat het bestreden besluit rust op een zorgvuldige vaststelling van de medische beperkingen die appellant ondervindt bij het verrichten van arbeid en dat op basis van de voorhanden zijnde medische informatie geen aanleiding bestaat om verdergaande beperkingen aan te nemen. De omstandigheid dat de beperkingen van appellant in de jaren nadien zijn toegenomen doet daar niet aan af, aldus de rechtbank. Ten slotte heeft de rechtbank een urenbeperking uit energetisch of preventief oogpunt niet noodzakelijk geacht. Daarbij heeft de rechtbank mede laten wegen dat appellant per einde wachttijd feitelijk in volle omvang werkzaam was in zijn maatgevende arbeid.

2.2. De rechtbank heeft het standpunt van de bezwaararbeidsdeskundige onderschreven dat appellant, gelet op zijn door de bezwaarverzekeringsarts vastgestelde medische beperkingen, per einde wachttijd geschikt is te achten voor de maatgevende arbeid.

2.3. De rechtbank heeft daarop geoordeeld dat naar vaste jurisprudentie de geschiktheid voor de maatgevende arbeid in beginsel de vooronderstelling rechtvaardigt dat geen sprake is van arbeidsongeschiktheid. Van een in het onderhavige geval aan te nemen uitzondering op deze regel is de rechtbank niet gebleken. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de functie van appellant per einde wachttijd nog bestond en appellant in die functie feitelijk nog werkzaam was.

2.4. Het beroep tegen het bestreden besluit heeft de rechtbank deswege ongegrond verklaard.

3.1. In hoger beroep heeft appellant doen aanvoeren dat gelet op de door hem ingebrachte rapporten van de neuroloog dr. P.J.H. Jongen ten onrechte geen beperkingen zijn aanvaard ten aanzien van persoonlijk en sociaal functioneren en ten aanzien van zijn werktijden.

3.2. Voorts heeft appellant aangevoerd dat (de verzekeringsarts van) het Uwv zelfstandig bepaalt of de wachttijd is vervuld. Nu bij het besluit op bezwaar ervan is uitgegaan dat de wachttijd is vervuld, hetgeen inhoudt dat appellant gedurende 52 weken ongeschikt was om de maatgevende arbeid te verrichten, acht appellant het niet consistent om bij een progressieve ziekte als MS de dag nadat de termijn van 52 weken ongeschiktheid voor het eigen werk is bereikt, ervan uit te gaan dat hij ineens niet meer ongeschikt zou zijn voor het eigen werk. Naar de opvatting van appellant had nog slechts een theoretische schatting op basis van functies kunnen plaatsvinden.

3.3. Bij verweerschrift heeft het Uwv aangevoerd dat appellant, na op 3 september 1998 zijn werk te hebben gestaakt, dit na enkele weken weer heeft hervat tegen een normale loonwaarde. Voorts heeft het Uwv gewezen op het retrospectieve en arbitraire karakter van het vaststellen van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag en de beoordeling per einde wachttijd.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. Met betrekking tot de vraag of verdergaande beperkingen aan de rapportages van de neuroloog Jongen vallen te ontlenen volgt de Raad het commentaar van bezwaarverzekeringsarts H.A.J. Reker dat deze zijn opvatting bij brief van 20 december 2005 heeft gegeven op basis van anamnestisch verkregen gegevens, die in de overige aanwezige medische rapporten van de huisarts en behandelende specialisten rond de tijd hier in geding niet worden gemeld. De Raad ziet dan ook voor het aannemen van meer beperkingen dan door de bezwaarverzekeringsarts zijn aanvaard geen aanknopingspunten.

4.3. De Raad is het met appellant eens dat de aanvaarding door het Uwv dat de wachttijd is vervuld in zijn geval op het eerste gezicht op gespannen voet staat met de grondslag van het bestreden besluit dat appellant per einde wachttijd voor zijn eigen werk geschikt is. Desalniettemin ziet de Raad het hoger beroep geen doel treffen.

4.4. Naast andere in de WAO opgenomen voorwaarden stelt artikel 19 van deze wet, zoals die bepaling ten tijde in geding luidde, twee voorwaarden waaraan een verzekerde moet voldoen om recht te kunnen doen gelden op een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Hij moet 52 weken arbeidsongeschikt zijn geweest en hij moet na afloop van deze periode nog arbeidsongeschikt zijn. Tussen partijen is alleen in geschil of appellant voldoet aan het vereiste dat hij na het voltooien van de wachttijd arbeidsongeschikt is.

4.5. Die vraag heeft de bezwaararbeidsdeskundige die beschikte over een uitgebreide werkomschrijving van de door appellant verrichte arbeid van sales representative onder ogen gezien en rekening houdend met de door de bezwaarverzekeringsarts aangenomen medische beperkingen ontkennend beantwoord.

4.6. De omstandigheid dat het Uwv heeft aangenomen dat de wachttijd was vervuld laat onverlet dat het Uwv zelfstandig heeft te beoordelen of appellant ook aan de tweede in artikel 19 van de WAO gestelde voorwaarde voldeed. De vraag of de wachttijd was vervuld heeft bovendien niet dezelfde beoordeling door het Uwv gekend als de hier aan de orde zijnde vraag waarbij een door de bezwaarverzekeringsarts opgesteld zogeheten FIS-formulier is gebruikt dat ziet op de medische beperkingen van appellant na het bereiken van het einde van de wachttijd. Daarbij heeft de bezwaararbeidsdeskundige gedetailleerd per item de belasting in het eigen werk van appellant vergeleken met de aangegeven medische beperkingen. Die beoordeling laat buiten redelijke twijfel dat appellant, ondanks de reeds op dat moment bij hem bestaande beperkingen als gevolg van MS, nog wel in staat was zijn eigen werk in volle omvang te verrichten, zoals appellant ook metterdaad heeft gedaan.

4.7. De Raad onderschrijft, het hiervoor overwogene in aanmerking nemend, het oordeel van de rechtbank dat het Uwv op goede gronden tot de conclusie is gekomen dat appellant na het voltooien van de wachttijd voor zijn eigen werk niet ongeschikt te achten was.

4.8. Voorts onderschrijft de Raad de overwegingen van de rechtbank als vermeld in 2.3.

5. De aangevallen uitspraak komt mitsdien voor bevestiging in aanmerking.

6. Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 april 2010.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) M.A. van Amerongen.

KR